Jesaja 40:9-11
Er was beloofd, vers 5, dat de heerlijkheid des Heeren geopenbaard zal worden, dat is het met de hoop waarop Gods volk vertroost moeten worden. Nu wordt ons hier gezegd:
I. Hoe zij geopenbaard zal worden, vers 9.
1. Zij zal geopenbaard worden aan Zion en Jeruzalem, er zal kennis van worden gegeven aan het overblijfsel, dat in Zion en Jeruzalem gebleven is, aan de armen des lands, die wijngaardeniers en landbouwers waren, er zal hun gezegd worden dat hun broederen tot hen zullen terugkeren, dit zal ook gezegd worden aan de gevangenen, die tot Zion en Jeruzalem behoren, en hun genegenheid er voor hadden behouden. Zion wordt gezegd bij de dochter Babels te wonen, Zacheria 2:7, en daar ontving zij het bericht van Cyrus' vriendelijke proclamatie, en aldus geeft de kanttekening deze lezing: o gij, die goede tijding brengt aan Zion, enz. de personen bedoelende, die gebruikt werden om deze proclamatie bekend te maken, laat hen het van goeder harte doen laat hen er het land van doen weerklinken, er, laat hen het aan de zonen van Zion bekend maken in hun eigen taal, zeggende tot hen: Ziet uw God.
2. Zij zal verkondigd worden door Zion en Jeruzalem, zo is de lezing van de tekst, laat hen, die daar gebleven zijn, of die reeds teruggekeerd waren, als zij zien dat de verlossing voltooid staat te worden, haar bekend maken op de meest openbare plaatsen, waar zij het best door alle steden van Juda gehoord kunnen worden, laat hen bekend maken, zo luide als ze kunnen, laat hen hun stem opheffen met macht, en niet bevreesd zijn dat zij zich zullen overspannen, laat hen niet bevreesd zijn dat de vijanden het zullen horen en met hen zullen twisten, of dat het blijken zal niet waar te zijn, of dat de tijding niet zo goed is als zij op de eersten aanblik schijnt te zijn, laat hen tot de steden van Juda zeggen en tot al de inwoners des lands: Ziet uw God. Als God voortgaat met de verlossing van Zijn volk, laat hen dan naarstig de tijding ervan verspreiden onder hun vrienden, laat hen hun zeggen dat het God is, die het gedaan heeft, wie er ook de werktuigen voor geweest zijn, God was de werker, het is hun God, een God in verbond met hen, en Hij doet het als het hunne, en zij zullen er het voordeel en het genot van oogsten. "Ziet Hem, merkt Zijn hand er in op, en ziet over ondergeschikte of tweede oorzaken heen, Ziet de God, die gij lang hebt verwacht, Hij is gekomen Hoofdstuk 25:9. Deze is onze God wij hebben Hem verwacht. Dit kan verwijzen naar de uitnodiging, die uit Jeruzalem aan de steden van Juda gezonden werd toen zij terstond na hun terugkeer uit de ballingschap een altaar hadden opgericht om te komen en zich met hen te verenigen in het offeren, Ezra 3:2-4. Als de eredienst van God wederom ingesteld is, zend er dan bericht van aan al uw broederen, opdat zij met u in het genot ervan mogen delen." Maar dit zou volkomen vervuld worden in de openbare en onversaagde prediking van het Evangelie door de apostelen aan alle volken, beginnende van Jeruzalem. De stem roepende in de woestijn, kondigde aan dat Hij komende was, maar nu wordt bekend gemaakt dat Hij gekomen is. Ziet het Lam Gods, neemt uw Verlosser in ogenschouw, ziet uw Koning, ziet uw God.
II. Wat de heerlijkheid is, die geopenbaard zal worden. Uw God zal komen, zal zich tonen:
1. Met de macht en de grootheid van een vorst, vers 10. Hij zal komen met een sterke hand, te sterk om tegengehouden te worden al kan zij ook worden tegengestaan. Zijn sterke hand zal Zijn volk aan zich onderwerpen, en zal Zijn en hun vijanden bedwingen en overwinnen. Hij zal komen, die sterk genoeg is om door al de moeilijkheden heen te breken, die op Zijn weg liggen. Onze Heere Jezus was vol van kracht, een sterke, machtige Verlosser. Sommigen lezen dit: Hij zal komen tegen de sterke en hem overweldigen, hem tenonder brengen. Satan is de sterke gewapende, maar onze Heere Jezus is sterker dan hij, en Hij zal doen blijken dat Hij dit is, want:
a. Hij zal heersen trots alle tegenstand, Zijn arm zal heersen, zal overmogen voor Hem, voor de volvoering van Zijn raad, voor Zijn eigen heerlijkheid, levant Hij is Zijn eigen doeleinde.
b. Hij zal allen vergelden naar hun werken als een rechtvaardig Rechter. Zijn loon is met Hem, als een wederkerend vorst brengt Hij straf mee voor de rebellen en verhoging voor de getrouwe onderdanen.
c. Hij zal voortgaan en Zijn voornemen volvoeren, Zijn werk is voor Hem, Hij weet volkomen goed wat Hij te doen heeft welke weg Hij er voor moet inslaan om iet te volbrengen, Hij zelf weet wat Hij doen zal.
2. Met het medelijden en de tederheid van een herder, vers 11. God is de Herder Israëls Psalm 80:2. Christus is de goede Herder, Job. 10:11. Dezelfde, die heerst met de sterke hand van een vorst, leidt en weidt met de tedere hand van een herder.
a. Hij draagt zorg voor de gehele kudde, Zijn klein kuddeke, Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een herder. Zijn woord is spijze voor Zijn kudde om er zich mee te voeden, Zijn inzettingen zijn grazige weiden voor hen, Zijn dienstknechten zijn onderherders, die aangesteld zijn om hen te verzorgen.
b. Hij draagt zeer bijzonder zorg voor hen, die Zijn zorg het meest behoeven: de lammeren, die zwak zijn en zichzelf niet kunnen helpen, en niet gewend zijn aan moeite en ontbering, de drachtige, die daarom zwaar zijn, en die, zo hun leed gedaan wordt, in gevaar zijn om een misdracht te hebben. Hij draagt inzonderheid zorg voor een opvolging, opdat zij niet uitgeroeid worden. De goede Herder draagt zeer tederlijk zorg voor kinderen, die gezeggelijk zijn en van wie men goede hoop kan hebben, voor pasbekeerden, die zich op weg begeven naar de hemel, voor zwakke gelovigen en voor hen, die bezwaard van geest zijn. Zij zijn de lammeren van de kudde, die er zeker van kunnen zijn dat hun niet zal ontbreken wat door hun toestand vereist wordt. Hij zal ze vergaderen in de armen van Zijn macht, Zijn kracht zal in hun zwakheid volbracht worden, 2 Corinthiers 12:9. Hij zal hen vergaderen als zij afdwalen, hen oprichten als zij vallen, hen bijeenvergaderen als zij verstrooid zijn, en hen ten laatste tot zich vergaderen, en dit alles met Zijn eigen arm, waaruit niemand hen zal kunnen wegrukken, Johannes 10:28. Hij zal ze in Zijn schoot dragen, in de schoot van Zijn liefde, ze koesteren aan Zijn borst. Als zij vermoeid zijn, als zij ziek en zwak zijn, als zij op ruwe wegen zijn, zal Hij ze dragen en zorgen, dat zij niet achtergelaten worden. Hij zal hen zachtkens leiden. Door Zijn woord eist Hij niet meer van hen, en door Zijn voorzienigheid legt Hij hun niets meer op, dan waartoe Hij hen instaatstelt, want Hij bedenkt wat maaksel zij zijn.