Jesaja 12:1-3
Dit is het eerste gedeelte van de lof hymne, die bereid is voor het gebruik van de kerk, van de Joodse kerk, als God een grote verlossing voor haar gewerkt zal hebben, en van de christelijke kerk, als het koninkrijk van de Messias opgericht zal zijn in de wereld in weerwil van de tegenstand van de machten van de duisternis. Te dien dage zult gij zeggen: "ik dank U, Heer". De verstrooide kerk, verenigd zijnde tot één lichaam, zal als (en man, met een hart en de mond aldus God loven, die een is en wiens naam een is. Te dien dage, als de Heer deze grote dingen voor u doen zal, zult gij zeggen: "ik dank U, Heer." Dat is:
I. Gij zult reden hebben om dit te zeggen. De belofte is zeker, en de zegeningen, die erin vervat zijn, zijn zeer rijk, en als zij geschonken zullen zijn, dan zullen zij de kerk van overvloedige stof voorzien tot blijdschap, en daarom ook van dankzegging. De oud-testamentische profetieën van evangelietijden zijn dikwijls uitgedrukt in de blijdschap en de lof, die dan opgewekt zullen worden, want de onschatbare voorrechten en weldaden, die wij genieten door Jezus Christus, eisen de verhevenste en ruimste dankzegging.
II. "Gij zult een hart hebben om dit te zeggen." Alle andere gaven van God aan Zijn volk zullen gekroond zijn door deze, Hij zal hun genade geuren om er Hem al de eer voor toe te schrijven en er bij alle gelegenheden van te spreken met dankbaarheid aan Hem en tot Zijn lof. Gij zult zeggen, gij behoort te zeggen. Te dien dage, als velen tot Jezus Christus gebracht zullen zijn en tot Hem zullen komen als duiven tot haar vensters, zult gij, inplaats van de vriendelijke ontvangst te beneden, die hun te beurt valt van Christus, zoals de Joden de heidenen de gunst misgunden, die hun bewezen werd, zeggen: "ik dank U, Heer". Wij behoren ons te verblijden in en dankzegging te doen voor de genade Gods, die aan anderen werd bewezen, zowel als aan onszelf.
1. Aan de gelovigen wordt hier geleerd God te danken voor het afwenden van Zijn toorn van hen, en voor het weerkeren van Zijn gunst jegens hen, vers 1. "Ik dank U, Heer, ofschoon Gij toornig op mij geweest zijt". Zelfs Gods misnoegen moet ons niet beletten Hem te loven, al is Hij toornig op ons, al zou Hij ons doden, moeten wij toch op Hem vertrouwen en Hem danken. God heeft dikwijls goede redenen om toornig op ons te zijn maar nooit hebben wij reden om toornig te zijn op Hem, noch om anders dan goed van Hem te spreken, zelfs als Hij ons laakt, moeten wij Hem nog loven. Gij zijt toornig op ons geweest, maar Uw toorn is afgekeerd. God is soms toornig op Zijn eigen volk, en de vruchten van Zijn toorn worden gezien, en zij behoren er op te letten, er nota van te nemen, ten einde zich dan te verootmoedigen onder Zijn krachtige, machtige hand. Hoewel God voor een tijd toornig kan wezen op Zijn volk, zal toch Zijn toorn ten laatste afgekeerd worden, hij is slechts voor een ogenblik, en God zal ook niet eeuwig twisten. Door Jezus Christus, de wortel van Isai, is Gods toorn op het mensdom afgekeerd, want Hij is onze vrede. Hen, met wie God verzoend is, vertroost Hij, het afkeren van Zijn toorn is een vertroosting voor hen, maar dat is nog niet alles, zij, die met God verzoend zijn, die vrede hebben bij God, kunnen roemen in de hoop van de heerlijkheid Gods, Romeinen 5:1,2. Ja soms brengt God Zijn volk in een woestijn, om daar naar hun hart te spreken Hosea 2:13. Het afkeren van God toorn van ons en het weerkeren van Zijn vertroostingen tot ons behoren de stof te zijn van onze blijde, dankbare lofzegging.
2. Hen wordt geleerd te roemen in God en in hun deel in Hem, vers 2. Zie, en verwonder u, God is mijn heil, niet slechts mijn verlosser, door wie ik verlost en behouden ben, maar mijn heil, in wie ik veilig ben. Ik steun op Hem als mijn heil, want ik heb bevonden dat Hij dit voor mij is. Hij zal de eer hebben van al het heil, dat voor mij gewrocht is, en van Hem alleen zal ik het heil verwachten, dat ik nog verder nodig heb, en niet van de heuvels en de bergen, en indien God mijn heil is, indien Hij mijn eeuwig heil voor Zijn rekening neemt, dan zal ik op Hem vertrouwen, om er mij voor te bereiden en er mij voor te bewaren. Ik zal Hem mijn tijdelijke belangen toevertrouwen niet twijfelende of Hij zal alles doen medewerken mij ten goede. Ik zal vertrouwen en altijd gerust zijn." Zij, die God tot hun heil hebben kunnen een heilige gerustheid en kalmte van geest genieten, laat het geloof in God als ons heil krachtdadig wezen:
a. Om onze vrees tot zwijgen te brengen, wij moeten vertrouwen en niet vrezen, niet vrezen dat de God, op wie wij vertrouwen, ons zal falen, neen, er is geen gevaar dat dit zal geschieden, niet vrezen voor enigerlei schepsel, hoe geducht en hoe dreigend het ook zij. Geloof in God is een souverein geneesmiddel tegen alle ontrustende en kwellende vrees.
b. Om onze verwachtingen te steunen. Is de Heer Jahweh ons heil? Dan zal Hij onze kracht zijn en ons lied. Wij hebben werk te doen en verzoekingen te weerstaan, wij kunnen op Hem rekenen om ons voor beide bekwaam te maken, om met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in de inwendigen mens, want Hij is onze kracht, Zijn genade is dit, en die genade zal ons genoeg zijn. Wij hebben vele moeilijkheden te verduren, en in een tranendal hebben wij smarten te verwachten, en wij kunnen op Hem rekenen om ons te vertroosten in al onze verdrukkingen, want Hij is onze psalm, Hij geeft onze psalmen in de nacht. Indien wij God tot onze sterkte maken en op Hem vertrouwen, dan zal Hij onze sterkte wezen, indien wij Hem tot onze psalm maken en onze vertroosting vinden in Hem, dan zal Hij onze psalm wezen. Vele goede christenen hebben God tot hun sterkte, die Hem niet hebben tot hun psalm, zij wandelen in duisternis maar het licht is voor hen gezaaid, en zij, die God tot hun sterkte hebben, behoren Hem tot hun psalm te maken, dat is: Hem de eer er van te geven, zie Psalm 68:35, en voor zich de vertroosting ervan te nemen want Hij zal hun heil worden. Let op de titel, die hier aan God wordt gegeven: Jah, Jahweh, Jah is de samentrekking van Jahweh, en beide betekenen Zijn eeuwigheid en onveranderlijkheid, die een grote vertroosting zijn voor hen, die op Hem steunen en vertrouwen als hun sterkte en hun psalm. Sommigen denken dat Jah de Zoon van God betekent, mens geworden zijnde, Hij is Jahweh, en in Hem kunnen wij roemen als onze sterkte, onze psalm en ons heil.
3. Hen wordt geleerd om voor zichzelf troost te ontlenen aan Gods liefde en aan al de tekenen van die liefde, vers 3. "Omdat de Heer der HEEREN uw sterkte is en uw psalm, en uw heil zal wezen, zult gij water scheppen met vreugde." De verzekering, die God ons heeft gegeven van Zijn liefde, en de ervaringen, die wij gehad hebben van de weldaad en de vertroosting van Zijn genade, behoren ten zeerste ons geloof in en onze verwachtingen van Hem aan te moediger, uit de fonteinen des heils in God, die de fontein is van alle goed voor Zijn volk, zult gij water scheppen met vreugde. Gods gunst zal tot u heenvloeien, en gij zult er de vertroosting van smaken en gebruik maken van de gezegende vruchten ervan." Gods beloften, die geopenbaard, bekrachtigd en aan ons gegeven zijn in Zijn inzettingen, zijn fonteinen van heil, fonteinen van de Heiland-zo wordt dit door sommigen gelezen-want daarin worden de Heiland en het heil ons bekend gemaakt en aan ons overgegeven. Het is onze plicht om door het geloof water te scheppen uit deze fonteinen, ons het voorrecht en de vertroosting toe te eigenen, die er voor ons in weggelegd zijn, als negenen, die erkennen dat daar al onze fonteinen zijn, en al onze stromen van daar tot ons vloeien, Psalm 87-7. Uit de fonteinen des heils zal met groot genot en voldoening water geschept worden. Het is de wil van God, dat wij ons verblijden voor Zijn aangezicht, en ons verblijden in Hem, Deuteronomium 26:11, ons verheugen in Zijn bedehuis, Jesaja 56:7, en Zijn feesten houden met blijdschap, Handelingen 2:46.