Jesaja 55:6-13
Wij hebben hier een verdere beschrijving van dat genadeverbond, dat met ons gesloten is in Jezus Christus, beide van hetgeen geëist en van hetgeen beloofd wordt in dat verbond, en deze mededelingen zijn overvloedig voldoende om onze gelovige instemming met en ons vertrouwen op dat verbond te bevestigen. En deze genadige openbaring van Gods goedgunstigheid jegens de kinderen van de mensen is niet beperkt tot de Joden of tot de heidenen tot het Oude of tot het Nieuwe Testament veel minder nog tot de gevangenen in Babel. Neen, voorwaarden en beloften worden hier gegeven aan allen, aan alle dorstigen, die dorsten naar geluk, vers 4. En wie doet dat niet? Hoort dit en leeft!
I. Hier wordt een genaderijk aanbod gedaan van vergeving en vrede en alle geluk voor arme zondaren, op de voorwaarden van het evangelie, vers 6, 7.
1. Zij moeten bidden, dan zullen hun gebeden gehoord en beantwoord worden, vers 6. Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is. Zoekt Hem, die gij verlaten hebt door u te verzetten tegen uw betrekking tot Hem, die gij verloren hebt door Hem te dwingen u Zijn gunst te onttrekken. Roept Hem aan, terwijl Hij nabij is en dus nog beroepen kan worden. Zie hier:
A. Wat vereist wordt:
a. Zoekt de Heere, zoekt naar Hem, en vraagt naar Hem als uw wetgever: Vraagt naar de wet uit Zijn mond: Wat wilt Gij dat ik doen zal? Zoekt Hem en vraagt naar Hem als uw deel en uw geluk, zoekt naar verzoening met Hem en naar gemeenschap met Hem, en naar het geluk in Zijn gunst. Laat het u leed doen dat gij Hem verloren hebt, weest ijverig om Hem te zoeken, volgt de voorgeschreven weg om Hem te vinden, gebruikt Christus als uw weg, de Geest als uw gids en het Woord als uw regel.
b. Roept Hem aan, bidt Hem om met Hem verzoend te worden, bidt Hem om al hetgeen gij daarboven nodig hebt.
B. De beweegredenen, waarmee daarop bij ons aangedrongen wordt. Terwijl Hij te vinden is, terwijl Hij nabij is.
a. Er wordt in te kennen gegeven dat God nu nabij is en gevonden zal worden, zodat wij niet tevergeefs Hem zullen zoeken of tot Hem roepen. Nu verwacht Zijn geduld ons, en roept Zijn woord ons, en twist Zijn Geest met ons, maakt nu gebruik van uw voorrecht en gelegenheid, want nu is het de welaangename tijd. Maar
b. de dag komt wanneer Hij verre zal zijn en niet gevonden zal worden, wanneer Zijn geduid voorbij zal zijn en Zijn Geest niet meer twisten zal. Er kan zo'n tijd komen in dit leven, wanneer het hart ongeneeslijk verhard zal zijn, terwijl bij dood en oordeel de deur gesloten zal zijn, Lukas 16:26, 13:25, 26. Nu wordt barmhartigheid aangeboden, maar dan zal een onbarmhartig oordeel geveld worden.
2. Zij moeten berouw hebben en zich bekeren, dan zullen hun zonden vergeven worden, vers 7. Hier komt de roepstem tot de onbekeerden, tot de goddelozen en de ongerechtigen, tot de goddelozen die leven in bekende grote zonden, tot de ongerechtigen die leven in het verzuim van hun plichten. Aan hen wordt het woord van de zaligheid gezonden en alle mogelijke verzekering gegeven, dat berouwhebbende zondaren in God een vergevend God zullen vinden.
Merk hier op:
A. Wat het is, berouw te hebben. Dat is tweeledig.
a. Het is zich afkeren van de zonden, ze verlaten en verzaken, ze verlaten met walging en afschuw, en nooit tot haar terugkeren. De goddeloze moet zijn weg verlaten zijn slechte weg, gelijk iemand een verkeerde weg verlaten zal, die nooit tot het beoogde gelukkige doel leiden kan, of een gevaarlijke weg, die ten verderve voert. Hij moet geen stap meer op die weg zetten. Ja, hij moet niet alleen van weg veranderen, maar van gezindheid, de ongerechtige man moet zijn gedachten verlaten. Waarachtig berouw raakt de wortel, en wast het hart van goddeloosheid. Wij moeten onze beoordeling van personen en zaken veranderen, de bedorven voorstellingen vernietigen en de valse voorwendsels laten varen, waarachter een ongeheiligd hart zich verschuilt. Het is niet genoeg te breken met verkeerde gewoonten, maar wij moeten de strijd aanbinden tegen verkeerde gedachten. Ja, dat is nog niet alles.
b. Berouw hebben is ook zich bekeren tot de Heere, tot Hem terug te keren als tot onze God, als tot onze vrijmachtige Heere tegen Wie wij opgestaan zijn en met wie wij weer verzoend moeten worden. Tot Hem als de fontein des levens en van de levende wateren die wij verlaten hebben voor gebroken waterbakken.
B. Welke aanmoediging wij hebben om dus berouw te hebben. Indien wij zo doen.
a. Zal God ons barmhartig zijn, Hij zal niet met ons handelen naar onze zonden, Hij zal medelijden met ons gevoelen. Ellende is het voorwerp van barmhartigheid. Beide, de gevolgen van de zonden, die ons ellendig gemaakt hebben, Ezechiël 16:5, 6, en het karakter van het berouw, waardoor wij tot het gevoel van onze ellende gekomen zijn en er toe gebracht worden om onszelf te beklagen, Jeremia 31:18, maken ons voorwerpen van medelijden en bij God zijn tedere barmhartigheden.
b. Hij zal overvloedig vergeven, gelijk wij onze overtredingen vermenigvuldigd hebben. Ofschoon onze zonden zeer groot en zeer talrijk zijn en wij gedurig terug glijden en steeds geneigd zijn om af te dwalen, zal God voortgaan met vergeven en de afgedwaalde kinderen, die in oprechtheid tot Hem terugkeren, weer aannemen.
II. Hier wordt er op aangedrongen om dit aanbod aan te nemen en er onze zielen aan toe te vertrouwen. Ziet op welke wijze wij reden genoeg vinden om ons te versterken in het geloof aan de zekerheid en waarde van het aanbod.
1. Indien wij opzien naar de hemel, bemerken wij dat Gods raadslagen hoog en boven ons verheven zijn, vers 8 en 9. De goddelozen worden vermaand in vers 7, om hun slechte wegen en gedachten te verlaten en tot God weer te keren, dat is, om hun wegen en gedachten te veranderen en in overeenstemming met die van God te brengen, omdat, zegt Hij, Mijn gedachten en wegen niet zijn gelijk de uwe. De uwe raken alleen de dingen die beneden zijn, want zij zijn uit de aarde aards, en indien gij u ware boetvaardige betonen wilt, moet gij dat ook werkelijk zijn en uw genegenheden vestigen op de dingen die boven zijn. Of liever het kan opgevat worden als een aanmoediging om ons te verlaten op Gods belofte dat Hij de zonde op het berouw vergeeft. Zondaren kunnen geneigd zijn om te geloven dat God zich met hen niet verzoenen wil, omdat zij in hun harten geen genegenheid gevoelen om zich te verzoenen met iemand die hen laaghartig en menigmaal beledigd heeft. Maar, zegt God, in dit opzicht zijn Mijn gedachten niet gelijk uw gedachten, zij zijn daarboven verheven zo hoog als de hemel boven de aarde. Zij zijn dat ook in andere dingen, in de beschouwing van de zonden, van Christus, van heiligheid, van deze en de volgende wereld zijn de gedachten van de mensen zeer verschillend van die van God, maar in geen enkel geval meer dan in dat van de verzoening. Wij denken dat God geneigd is om te wraken en traag om te vergeven, dat indien Hij eens vergeeft Hij het de tweede keer niet doen zal. Petrus meende dat het reeds zeer veel was indien men zevenmaal vergaf, Mattheus 18:21, en wij vergeten de verschuldigde honderd penningen niet licht. Maar God komt de weerkerende zondaren met vergevende barmhartigheid tegemoet, Hij vergeeft om niet en geeft zonder verwijtingen. Wij vergeven, maar kunnen niet vergeten, maar als God vergeeft gedenkt Hij de zonde niet meer. God nodigt de zondaren om tot Hem weer te keren, door hun goede gedachten Hem betreffende, in te geven, Jeremia 31:20.
2. Indien wij zien naar de aarde, vinden wij daar Gods woord machtig en vol uitwerking en al Zijn grote bedoelingen beantwoordende, vers 10-11.
Merk hier op:
A. De kracht van Gods woord in het rijk van de natuur. "Hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde, bepaalt wanneer zij komen zal, hoeveel hoelang zij daar zal liggen, Hij gebiedt de plasregen des regens en Zijn sterke regen," Job 37:6. En op Zijn bevel dalen zij van de hemel, en doen hetgeen Hem behaagt en wat Hij beveelt, op het vlakke van de wereld, hetzij tot een roede, of voor Zijn land, of tot weldadigheid Job 37:12, 13. Het keert niet ledig weer, maar doorvochtigt de aarde, waarom Hij gezegd wordt dat uit Zijn binnenkameren te doen Psalm 104:13. En de doorvochtiging van de aarde dient tot haar vruchtbaarheid, daardoor maakt Hij dat zij kruid voortbrengt, want de voortbrengselen van de aarde zijn afhankelijk van de dauw des hemels. Zo geeft zij niet alleen brood voor de eter, tot de tegenwoordige instandhouding van haar eigenaar en zijn gezin, maar ook zaad voor de zaaier, zodat hij zorgen kan voor het volgende jaar. De landman moet zaaier zijn zowel als eter, anders zal hij spoedig aan het einde van zijn voorraad zijn.
B. De uitwerking van Zijn woord in het rijk van de voorzienigheid en genade, die even zeker is als de voren genoemde. Zo zal Mijn woord ook zijn, even machtig in de mond Mijner profeten als in de hand van de voorzienigheid. Het zal niet leeg tot Mij wederkeren, als onmachtig om te bewerken hetgeen, waartoe Ik het zend of bezwijkende voor onoverwinnelijke tegenstand. Neen, het zal doen hetgeen Mij behaagt, want het is de openbaring van Mijn wil, overeenkomstig de raad, waardoor Ik alle dingen werk, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend. Dit verzekert ons
a. Dat al de beloften Gods op bepaalde tijd geheel zullen vervuld worden, en dat er geen titel of jota van ter aarde vallen zal, 1 Koningen 8:56. Deze beloften van barmhartigheid en genade zullen even zeker uitwerking hebben op de zielen van de gelovigen, tot hun heiligmaking en vertroosting, als de regen op de aarde heeft om haar vruchtbaar te maken.
b Dat volgens de verscheidene bedoelingen, waarmee het woord gezonden wordt, het ook verscheiden uitwerking hebben zal, indien niet tot een reuk des levens ten leven, dan tot een reuk des doods ten dode. Indien het geweten er niet door overtuigd en het hart er door verzacht wordt, dan zal het het geweten sluiten en het hart verharden. Maakt het niet rijp voor de hemel, dan maakt het rijp voor de hel, zie Jesaja 6:9. Op de een of andere wijze zal het kracht uitoefenen.
c. Dat Christus komst op aarde, als dauw van de hemel, Hosea 14:5 niet tevergeefs zal zijn. Indien Israël zich niet vergaderen laat, dan zal Hij verheerlijkt worden door de toebrenging van de heidenen, aan hen moet dus de aanbieding van de genade geschieden als de Joden die verwerpen, opdat de bruiloftsmaal gevuld worde met gasten en het Evangelie niet ledig wederkere.
III. Indien wij nu weer bepaald op de kerk letten, zien wij welke grote dingen God voor haar gedaan heeft en nog doen zal, vers 12,13. Met blijdschap zult gij uittrekken en met vrede voortgeleid worden. Dit ziet:
1. Op de verlossing en de terugkeer van de Joden uit de Babylonische gevangenschap. Zij zullen uit hun gevangenis uitgaan en weer neer hun eigen land geleid worden. God zal hen voorgaan, zo zeker, ofschoon niet zo zichtbaar, als voor hun vaderen in de wolk- en vuurkolom. Zij zullen uitgaan niet met beving, maar met vreugde, niet met enig berouw over het verlaten van Babel of met enige vrees van achterhaald en gevat te worden, maar met vreugde en blijdschap. Hun terugtocht over de bergen zal aangenaam zijn en zij zullen de welwillendheid en de goede wensen genieten van alle landen, die zij doortrekken moeten. De hemelen en hun bewoners zullen in vervoering van vreugde uitbreken in een jubel van blijdschap en indien de mensen zwegen, zouden zelfs de bomen in het woud hen begroeten en toejuichen. En wanneer zij in hun eigen land komen, zal dat gereed zijn om hen welkom te heten, want terwijl zij verwachten het overal begroeid met doornen en distelen te vinden, zal het bedekt zijn met dennebomen en mirtebomen, want of schoon het woest lag had het aan zijn sabbaten een welgevallen, Leviticus 26:34, en daardoor werd het land, evenals door het sabbatjaar, zoveel vruchtbaarder. En dat zal strekken tot Gods eer en Hem tot een naam zijn. Maar
2. Ongetwijfeld heeft het ook verdere strekking. Het zal God tot een eeuwig teken zijn. Dat is,
a. deze verlossing uit de Babylonische gevangenschap zal een waarborg zijn van de betekenis van deze beloften voor de tijden des Evangelies. De vervulling van de voorzeggingen betreffende deze grote verlossing, zou een onderpand en eersteling zijn van de vervulling van al de overige beloften, want daardoor zal blijken dat Hij die het beloofd heeft, ook machtig is het te doen.
b. Hij zal een type en afschaduwing van de beloofde zegeningen zijn.
c. De genade van het evangelie zal hen in vrijheid stellen die in slavernij waren van Satan en zonde. Zij zullen uitgaan en voortgeleid worden, Christus zal hen vrijmaken en dan zullen zij waarlijk vrij zijn.
d. Het zal hen die bedrukt waren met blijdschap vervullen, Psalm 14:7. "Jakob zat zich verheugen en Israël zal verblind zijn." De aarde en de lagere delen van de schepping zullen in de blijdschap over deze verlossing delen, Psalm 96:11, 12. e. Zij zal een grote verandering in het karakter van de mensen teweegbrengen. Zij die waren gelijk doornen en distelen, voor niets goed dan om verbrand te worden, kwetsend en beledigend, zullen nuttig en sierlijk worden als dennebomen en mirten. Doornen en distelen kwamen uit de zonde voort als vruchten van de zonde Genesis 3:18. Het groeien van aangename bomen in hun plaats duidt het wegnemen van de vloek aan en het aanbrengen van de zegeningen des Evangelies. De vijanden van de kerk waren als doornen en distelen, maar in hun plaats verwekt God haar vrienden tot haar bescherming en sieraad. Of het kan betekenen dat de wereld beter worden zal, inplaats van een geslacht van doornen en distelen zal er een geslacht van dennebomen en mirten verrijzen de kinderen zullen wijzer en beter zijn dan de ouders. En in dit alles zal God verheerlijkt worden. Het zal Hem zijn tot een naam, waarbij Hij zal gekend en verheerlijkt worden, en waardoor Gods volk zal aangemoedigd worden. Het zal hun een eeuwig teken van Gods gunst zijn hun verzekering gevende dat die wel voor een tijd bewolkt kan zijn maar nooit afgesneden wordt. Het verbond van de genade is een eeuwig verbond, want de tegenwoordige zegeningen zijn tekenen van de eeuwigdurende.