Jesaja 55:1-5
Hier:
I. Worden wij allen uitgenodigd om te komen en de zegeningen aan te nemen, welke de genade Gods bereid heeft in het nieuwe verbond voor arme zielen, de zegeningen van datgene dat de erfenis van de knechten des Heeren is, hoofdst. 54:17, en niet alleen hun erfenis hiernamaals maar ook het deel huns bekers hier, vers 1.
Merk op:
1. Wie uitgenodigd worden: Allen gij. Niet alleen de Joden, tot wie het woord van de zaligheid eerst werd gesproken, maar de heidenen, de armen en kreupelen, waar ze ook slechts op de straten en in de stegen gevonden worden. Dit toont aan dat er in Christus genoeg is voor allen en genoeg voor een iegelijk, dat Zijn dienaren een algemeen aanbod van verlossing te brengen hebben aan allen, dat in de tijden van het evangelie de aanbieding meer algemeen zal zijn dan vroeger en ook aan de heidenen gebracht zal worden, en dat het evangelie niemand uitsluit die zichzelf niet uitsluit. De aanbieding en uitnodiging wordt met een uitroep geopend: O. Dat is, die oren heeft om te horen, die hore!
2. Wat vereist wordt van de uitgenodigden om welkom te zijn: zij moeten dorstigen zijn. Allen zullen welkom zijn tot de genade van het evangelie, alleen op deze voorwaarde, dat de genade van het evangelie hun welkom is. Zij die er genoegen mee nemen om de wereld en haar vermaken tot hun deel te hebben en niet hun geluk in de gunst van God zoeken, die meer vertrouwen stellen in hun eigen verdiensten voor hun gerechtigheid de dat zij behoefte gevoelen aan Christus en Zijn gerechtigheid, zij die geen gevoel van hun behoeften hebben en niet in zorg zijn over het lot hunner ziel, zij zullen niet komen om zich door Christus te laten behouden. Maar die dorst hebben worden bij de wateren genodigd evenals zij die zwaar beladen en vermoeid zijn genodigd worden om bij Christus rust te vinden. Waar God genade geeft, verwekt Hij eerst de dorst er naar, en waar Hij die dorst gegeven heeft, schenkt Hij ook genade, Psalm 81:11.
3. Waartoe zij uitgenodigd worden: Komt tot de wateren! Komt aan de oevers van de wateren de havens, de baaien, de bevaarbare rivieren, waarlangs en waarheen alle goederen gebracht worden, komt daar en koopt, want daar is de handelsplaats voor alle koopwaren die van buiten komen, en voor ons zouden ze altijd vreemd zijn, indien Christus ons geen eeuwige gerechtigheid verworven had. Komt tot Christus, want Hij is de geopende fontein, Hij is de gespleten rotssteen. Komt tot de heilige in stellingen, de beekjes die de stad van onze God verblijden. Komt daarheen, en ofschoon zij u mogen schijnen alledaagse en geringe dingen te zijn, gewone wateren, toch zijn zij voor hen, die in Christus geloven dingen die de waarde hebben van wijn en melk, overvloedige verversing. Komt tot de genezende wateren, komt tot de levende wateren. Wie wil komen en nemen van water des levens om niet! Openbaring 22:17. En onze Zaligmaker verwees hiernaar. Johannes 7:37 :"Zo iemand dorst heeft, die kome tot Mij en drinke!"
4. Wat hun gevraagd wordt te doen: Komt en koopt! Nooit heeft enig koopman zo dringend hen uitgenodigd aan wie hij hoopte iets te zullen verdienen, als Christus ons uitnodigt, die de enigen zijn welke bij de handel winnen zullen a. Komt en koopt, en wij kunnen u verzekeren dat gij een goede koop hebben zult, die gij u nooit zult beklagen en waarbij gij niets zult verliezen. Komt en koopt, dat is: neemt het tot uw eigendom door de toepassing van de genade van het evangelie op uzelf, maakt het tot uw eigendom op de voorwaarden van Christus, welke die ook zijn mogen, en staat niet op de prijs af te dingen of er over te aarzelen.
b. Komt en eet, maakt het nog meer uw eigendom, want hetgeen wij eten is meer ons eigendom dan hetgeen wij enkel kopen. Wij moeten de waarheid kopen, niet om haar te bewaren en te bekijken, meer om ons er mee te voeden en te versterken, en opdat het geestelijk leven door haar moge aangekweekt en krachtig gemaakt worden. Wij moeten de noodzakelijke levensmiddelen voor onze zielen kopen, gewillig zijn om van alles afstand te doen al is het ons nog zo dierbaar, ten einde Christus en Zijn genade en vertroostingen deelachtig te worden, - afstand doen van de zonde, want zij is opstand tegen Christus, afstand doen van alle denkbeeld van eigengerechtigheid, want dat is mededinging met Christus, afstand doen van het leven zelf en zijn noodzakelijkste voorwaarden liever dan ons aandeel aan Christus te verliezen. En wanneer wij gekocht hebben hetgeen wij nodig hebben, laat ons dan het gebruik daarvan ons niet ontzeggen, maar er van genieten en eten de arbeid oneer handen, koopt en eet!
5. Tot welke levensmiddelen zij genodigd worden. Komt en koopt wijn en melk hetgeen niet alleen de dorst lest, daartoe is zuiver water voldoende, maar het lichaam voedt en de levensgeesten opwekt. De wereld voldoet niet aan onze verwachtingen, wij beloven ons er water van, maar worden daarin teleurgesteld evenals de reizigers van Thema, Job 6:19. Maar Christus overtreft al onze verwachtingen. wil komen tot de wateren en zouden daarmee blij zijn, maar wij vinden er wijn en melk, de twee voornaamste handelsartikelen van Juda en welke de Silo uit die stam zal voortbrengen om de vergadering des volks, Genesis 49:10,11. "Hij is roodachtig van ogen door de wijn, en wit van tanden door de melk". Wij moeten tot Christus komen om melk te hebben voor de zuigelingen, om de ontijdig geborenen te voeden en op te kweken. En evenzo zullen sterke mannen bij Hem vinden al wat zij nodig hebben, zij zullen wijn verkrijgen, die het hart verheugt. Wij moeten onze brakke wateren, die niets dan vergif zijn, verlaten om van die wijn en die melk te genieten.
6. De vrijgevige uitdeling van deze levensvoorraad, koopt zonder prijs en zonder geld! Een vreemde wijze van kopen, niet alleen zonder gereed geld, dat komt dikwijls voor, maar zonder enig geld of belofte daarvan, maar niet vreemd voor hen, die de raad gehoord hebben door Christus aan de gemeente van Laodicea gegeven, die ellendig arm was, om te "komen en te kopen," Openbaring 3:17, 18. Ons kopen zonder geld duidt aan:
a. Dat de gaven, die ons aangeboden worden, onwaardeerbaar zijn- er kan geen prijs van bepaald worden. De wijsheid kan niet tegen goud opgewogen worden.
b. Dat Hij die ze ons aanbiedt, geen behoefte aan ons heeft of aan iets dat door ons in ruil aangeboden worden kan. Hij stelt ons deze voorwaarden niet omdat Hij gelegenheid om te verkopen zoekt, maar omdat Hij genegenheid gevoelt om te geven.
c. Dat de dingen die Hij aanbiedt reeds gekocht en betaald zijn. Christus heeft die tegen de volle waarde gekocht, niet voor enig geld, maar ten koste van Zijn eigen bloed, 1 Petrus 1:19.
d. Dat wij welkom geheten worden, bij de zegeningen van de belofte, of schoon wij die ten enenmale onwaardig zijn en geen aanbod kunnen maken van iets dat in enig opzicht naar de waarde er van gelijkt. Wij zelf zijn waardeloos en wij bezitten niets dat enige waarde heeft, en wij moeten erkennen dat indien Christus en de hemel onze zijn, wij dat voor eeuwig aan vrije genade te danken hebben.
II. Er wordt ernstig bij ons op aangehouden en wij worden overreed om deze uitnodiging aan te nemen en de goeden ruil aan te gaan.
1. Het eerste waarop bij ons wordt aangedrongen is dat we naar God en Zijn aanbieding zullen luisteren: Hoort aandachtiglijk naar Mij, vers 2. Luistert niet alleen naar Mij, maar onderzoekt hetgeen Ik u zeg en past het op uzelf toe, vers 3. Neigt uw oor, zoals wij doen naar hetgeen ons belang inboezemt en behaagt. Neigt uw oor en buigt uw hoogmoedige hart over naar de vernederende voorwaarden van het evangelie, neigt uw oor hierheen, opdat gij oplettend en met verstand horen moogt. Hoort en komt tot Mij, komt niet alleen om met Mij te onderhandelen, maar om met Mij overeen te komen en Mijn voorwaarden aan te nemen. Neemt Gods aanbieding aan als zeer voordelig, stemt Zijn voorwaarden toe als zeer redelijk en aannemenswaardig.
2. De beweegredenen daartoe zijn ontleend aan:
A. Het onuitsprekelijk onrecht, dat wij onszelf aandoen, indien wij deze uitnodiging verwaarlozen en weigeren. Waarom geeft gij geld uit voor hetgeen geen brood is, hetgeen u niet kan onderhouden, hetgeen zelfs geen droog brood, geen bedelaarskost is, terwijl gij van Mij wijn en melk zonder geld krijgen kunt! En waarom besteedt gij uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan, al uw moeite voor hetgeen niet eens brood is en u niet voeden kan.
Ziet hier:
Ten eerste. De ijdelheid van de dingen van deze wereld, zij zijn geen brood, geen geschikt voedsel voor de ziel, zij geven geen voldoende voeding of verkwikking. Brood is de staf van het natuurlijke leven, maar voor het geestelijke leven biedt het niet de minste steun. Al de rijkdom en het vermaak van deze wereld zullen geen enkele maaltijd voor de ziel geven. Eeuwige waarheid en eeuwig goed zijn het enige geschikte voedsel voor een redelijke en onsterflijke ziel, wier leven bestaat in verzoeningen gelijkvormigheid met God en in vereniging en gemeenschap met Hem, en de dingen van deze wereld kunnen haar in geen enkel opricht bevredigen. Zij verzadigen niet, zij geven geen echte vertroosting en tevredenheid aan de ziel, en doen haar niet zeggen: Nu heb ik hetgeen waarnaar ik haakte, ja, zij voldoen niet eens aan de begeerten van het lichaam, want hoe meer de mens er van heeft des te meer wil hij er van hebben, Prediker 1:8. Haman was ontevreden temidden van zijn overvloed. Zij vleien, maar vallen niet, zij behagen voor een poos, gelijk de droom van een hongerige, maar als hij ontwaakt is zijn ziel ledig. Zij overladen spoedig maar voldoen nooit, zij bedwelmen een mens, maar bevredigen hem niet. Zij zijn alle ijdelheid van de ijdelheden en bedrog.
Ten tweede. De dwaasheid van de kinderen van deze wereld. zij besteden hun geld en arbeid voor deze onzekere en onvoldoende dingen. Rijke mensen leven van hun geld, armen van hun arbeid maar beide verwaarlozen hun hoogste belangen, wanneer de één handel drijft en de ander zwoegt voor wereldse belangen, beide zichzelf daarvan voldoening en geluk belovende, en beide daardoor teleurgesteld. God buigt zich neer om overtuigend met hen te redeneren. waarom handelt gij zo tegen uw eigen belang? Waarom duldt gij dat ge zo door deze zaken ingepakt wordt? Laat ons zo met onszelf redeneren en laat het einde daarvan zijn een heilig besluit "om niet te werken om de spijze die vergaat, maar om die welke blijft tot in het eeuwige leven", Johannes 6:27. Alle teleurstellingen, die wij in deze wereld ondervinden, moeten ons uitdreven tot Christus om bij Hem alleen voldoening te zoeken. Dat is de weg om zeker te maken hetgeen zeker worden kan.
B. Om de onuitsprekelijke dienst, die wij onszelf bewijzen door deze uitnodiging aan te nemen en er mee in te stemmen.
Ten eerste. Daardoor verzekeren wij ons tegenwoordige blijdschap en voldoening. Indien gij naar Christus hoort, zo zult gij het goede eten, hetgeen zowel gezond als aangenaam is, goed in zichzelf en goed voor u. Gods goede woorden en beloften, een goed geweten en de vertroostingen van de Heiligen Geest zijn een voortdurende maaltijd voor hen die vlijtig en gehoorzaam naar Christus luisteren. Hun zielen zullen in vettigheid zich verlustigen, dat is: in de rijkste en heerlijkste blijdschap. Hier is de nodiging niet: komt en koopt! hetgeen nog zou kunnen ontmoedigen, maar: komt en eet! komt en voedt u met hetgeen zo bovenmate aangenaam is. "Eet, vrienden!" Het is treurig te moeten denken dat de mensen met zoveel aandrang genodigd moeten worden om hun zegeningen te aanvaarden.
Ten tweede. Hierdoor verzekeren wij ons eeuwigdurende blijdschap. Hoort en uw ziel zal leven! Zij zal niet alleen van het eeuwig verderf gered worden, maar zij zal eeuwig gezegend zijn, want dat alleen is het leven voor een onsterflijke ziel. De woorden van Christus zijn geest en leven, leven voor de geesten, Johannes 6:33, 63, de woorden dezes levens, Handelingen 5:20. Ziet op welke gemakkelijke voorwaarden ons dit geluk aangeboden wordt, het is alleen: hoort! en uw ziel zal leven.
Ten derde. De grote God zal u al deze geraden verzekeren:. Komt tot Mij en Ik zal met u een eeuwig verbond maken. Ik zal Mijzelf met u in verbondsbetrekking brengen, en u in verbondsverplichting tegenover Mij en u daardoor geven de gewisse weldadigheden Davids.
a. Indien wij tot God komen om Hem te dienen, zal Hij met ons in verbond treden om ons goed te doen en gelukkig te maken, zo nederbuigend vriendelijk en belangstellend is Hij voor ons.
b. Gods verbond met ons is een eeuwig verbond, het is onvergankelijk van inhoud en naleving.
c. De zegeningen van dit verbond zijn weldaden voor onze toestand geschikt, want wij zijn ellendig in onszelf en daarom geschikte voorwerpen voor weldadigheid. Zij komen van Gods barmhartigheid en zijn op allerlei wijzen berekend als vriendelijkheid voor ons.
d. Zij zijn de weldadigheden Davids, de weldadigheden welke God aan David beloofd heeft, Psalm 89:28 en verv, die genoemd worden de weldadigheden van David zijn knecht en waarop Salomo zich beroept, 2 Kronieken 6:42. Het zal zijn een verbond zo zeker als dat met David, Jeremia 33:25, 26. Het verbond van het Koningschap was een type van het verbond van de genade, 2 Samuël 23:5. Of liever wij moeten hier door David verstaan de Messias. De verbondsweldadigheden zijn alle Zijn weldadigheden, zij zijn door Hem verworven, zij werden in Hem beloofd, zij zijn in Zijn hand gelegd en door Zijn hand worden zij aan ons uitgedeeld. Hij is de Middelaar en borg van dat verbond, en dit is op Hem toepasselijk, Handelingen 13:34. Zij zijn de heilige dingen van David, dat woord wordt hier en door de LXX gebruikt, want zij zijn bevestigd door de heiligheid van God, Psalm 89:36, en zijn bedoeld om de heiligheid van de mensen te bewerkstelligen
e. Zij zijn gewisse weldadigheden, het verbond is in alle delen wel bevestigd en zeker. Het is zeker in het algemene voornemen. God is waarachtig en getrouw, ernstig en welmenend in de aanbieding van deze weldadigheden. Het is zeker in de bijzondere toepassing op de gelovigen. Gods giften en roeping zijn onberouwelijk, zij zijn de weldadigheden Davids en daarom gewis, want in Christus zijn alle beloften ja en amen.
C. Jezus Christus wordt beloofd als de verzekeraar van al de beloften, tot welker aanneming wij hier uitgenodigd worden, vers 4. Hij is de David, wiens gewisse weldadigheden al de zegeningen en voorrechten van het verbond zijn. God heeft Hem in Zijn voornemen de belofte gegeven, heeft Hem aangesteld en aangewezen, en in de volheid des tijds zou Hij Hem zo zeker zenden alsof Hij reeds gekomen ware, om voor ons al datgene te zijn wet voor ons nodig is om de weldaden van al deze voorbereidingen deelachtig te worden. Hij heeft Hem vrijwillig en om niet gegeven, want wat is vrijer dan een gift? Er was niets in ons om zo'n gunst van God te verkrijgen, maar Christus is de gave Gods. Wij hebben iemand nodig:
a. Om de getrouwheid van de beloften te verzekeren, waarvan de zegeningen ons aangeboden worden. En Christus is ons gegeven als een getuige, dat God gewillig in ons in Zijn gunst aan te nemen op de voorwaarden van het evangelie, om de beloften te bevestigen die Hij aan de vaderen gedaan heeft, opdat wij onze zielen met eeuwige voldoening op deze beloften zouden doen rusten. Christus is een getrouw Getuige, wij mogen Zijn woord aannemen, een bevoegd Getuige, want Hij was van eeuwigheid in de schoot des Vaders, en stemde geheel met de zaak in. Christus als profeet getuigt de wil Gods aan de wereld, en geloven is Zijn getuigenis aannemen.
b. Ten einde ons te helpen in het aannemen van de uitnodiging en het instemmen met de voorwaarden, wij weten niet de weg te vinden tot de wateren, die voor ons in voorraad zijn, maar Christus is ons ten leidsman daarheen gegeven, wij weten niet wat wij doen moeten om er toe gerechtigd te worden, en er deel aan te krijgen, maar Hij is ons gegeven tot een hoofd en aanvoerder om ons te tonen wat ons te doen staat en hoe wij er toe bekwaam worden. Er ligt veel moeilijkheid en tegenstand op onze weg naar Christus, wij hebben te streden met geestelijke vijanden, maar om ons tot die worsteling aan te vuren, hebben wij een goede aanvoerder, gelijk Jozua, een aanvoerder en bevelhebber, die de vijand onder de voet treedt en ons in bezit stelt van het beloofde land. Christus is onze aanvoerder door Zijn daden en onze leidsman door Zijn voorbeeld, en het is onze plicht Hem te gehoorzamen en te volgen.
D. Nu bekend is, wie de gastheer is, moeten de gasten naar het feest geleid worden, want de voorraad zal niet verloren gaan of tevergeefs samengebracht zijn, vers 1.
a. De heidenen zullen tot deze feestmaaltijd genodigd worden en aangebracht uit de stegen en van de wegscheidingen. Gij zult een volk roepen, dat gij niet kendet, dat is een volk dat vroeger niet geroepen en geëigend was als Uw volk, waaraan Gij geen profeten zondt gelijk als aan Israël, het volk dat God gekend heeft boven alle geslachten van de aarde. De heidenen zullen nu zo begunstigd worden als zij nooit tevoren waren, hun kennen van God wordt veel meer geacht te zijn dat God hen kent, Galaten 4:9. b. Zij zullen komen op de roepstem. Het volk, dat U niet kende, zal tot U lopen, ze die lange tijd ver van Christus waren, zullen nu nabij gebracht worden, zij die van Hem wegliepen zullen nu tot Hem lopen, met de grootste spoed en de meest denkbare begeerte. Er zal een wedstrijd onder de heidenen zijn om in Christus te geloven die van de aarde verhoogd zijnde, hen allen tot zich trekken zal. Zie hier de reden daarvan: De heidenen zullen dus tot Christus lopen om des Heeren uws Gods wil, of omdat Hij de Heere hun God is, omdat hij de Zoon van God is, en krachtiglijk bewezen is dat te zijn, omdat zij nu inzien dat God degene is, met wie zij te doen hebben, en dat zij tot Hem niet kunnen komen dan door tussenkomst van Zijn Zoon. Zij, die in gemeenschap met God gebracht zijn, en leerden inzien, welke betrekking tussen Hem en hen bestaat, kunnen niet anders dan tot Jezus Christus lopen, want Hij is de enige Middelaar Gods en van de mensen, en niemand kan tot God komen dan door Hem. En God zal hen tot Hem brengen, omdat Hij de Heilige Israëls is, die aan Zijn belofte getrouw blijft, en Hij heeft beloofd Christus te zullen verheerlijken door Hem de heidenen tot een erfdeel te geven. Toen de Grieken kwamen om Hem te zien, zei Hij: De ure is gekomen dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden, Johannes 12:22, 23. En Zijn verheerlijking door Zijn opstanding en hemelvaart, was de grote beweegreden, die menigten er toe bracht om tot Hem te lopen.