Jesaja 14:1-3
Dit wordt hier te pas gebracht als de reden waarom Babel terneergeworpen en verwoest moet worden, omdat God barmhartigheid en genade heeft weggelegd voor Zijn volk, daarom:
1. Moet voor het leed, dat hun aangedaan is, afrekening gehouden worden, en wraak geoefend worden aan hun vervolgers. Ontferming over Jakob zal toorn en verderf zijn voor Jakobs onboetvaardige, onverzoenlijke tegenstanders, zoals Babel geweest is.
2. Het juk van de verdrukking, dat Babel gedurende lange tijd op hun schouders had gelegd, moet verbroken worden, en zij moeten in vrijheid worden gesteld, daarvoor is de verwoesting van Babel even noodzakelijk als het verderf over Egypte en Farao noodzakelijk was voor hun bevrijding uit dat diensthuis. Dezelfde voorzegging is een belofte aan Gods volk en een bedreiging aan hun vijanden, zoals dezelfde beschikking van Gods voorzienigheid een heldere zijde heeft naar Israël en een donkere zwarte zijde heeft naar de Egyptenaren.
Merk op.
I. De grond van deze gunsten aan Jakob en Israël-de goedheid, die God voor hen had, en Zijn verkiezen van hen, vers 1. De Heer zal zich ontfermen over Jakob, het zaad van Jakob, dat nu in gevangenschap is in Babel. Hij zal doen blijken dat Hij zich over hen ontfermt dat Hij genade voor hen heeft weggelegd, en dat Hij niet eeuwig met hen zal twisten, maar hen nog zal verkiezen, nog tot hen zal weerkeren. Hoewel Hij hen voor een tijd verlaten en verstoten scheen te hebben, zal Hij tonen dat zij Zijn uitverkoren volk zijn, en dat de verkiezing zeker is. Hoe het ons ook moge toeschijnen, Gods goedertierenheid houdt niet op en Zijn belofte faalt niet, Psalm 77:9.
II. De bijzondere gunst, die Hij voor hen bestemd heeft.
1. Hij zal hen terugbrengen op hun geboortegrond, Hij zal hen in hun land zetten, waaruit zij verdreven waren. Een vestiging in het heilige land, het land van de belofte, is een vrucht van Gods gunst, Zijn onderscheidende gunst.
2. Velen zullen tot hun heilige godsdienst worden bekeerd, en zullen met hen terugkeren daartoe gedrongen en uitgelokt door de blijkbare tekenen van Gods gunstrijke tegenwoordigheid onder hen, de werkingen van Gods genade in hen en Zijn goede voorzienigheid over hen, de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, zeggende: "wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is", Zacheria 8:23. Het voegt zeer veel toe aan de eer en de kracht van Israël, als vreemdelingen hun toegevoegd worden, en er velen van buiten toegedaan worden tot de gemeente, Handelingen 2:47. Laat de kinderen van de kerk niet schuw zijn van vreemdelingen, maar hen aannemen, die God aanneemt, en hen erkennen, die het huis van Jakob aankleven.
3. Deze bekeerlingen zullen niet alleen een eer wezen voor hun zaak, maar hun behulpzaam en van grote dienst zijn bij hun terugkeer neer hun land. De volken onder wie zij leven zullen hen aannemen, zorg voor hen dragen medelijden met hen hebben en hen in hun plaats brengen, als vrienden, die er afkerig van zijn om van zo goed gezelschap te scheiden, als dienstknechten, gewillig en bereid om hun alle goede diensten te bewijzen, waartoe zij instaat zijn. Gods volk behoort, waar het zijn lot ook is om te wonen, door zijn voorbeeldige en vriendelijke wandel de genegenheid zien te winnen van hen, die rondom hen zijn, en aldus ook zijn godsdienst in hun goede mening aanbevelen. Dit is vervuld geworden in de terugkeer van de gevankelijk weggevoerden uit Babel, toen allen, die om hen waren, ingevolge van de proclamatie van Cyrus behulpzaam waren voor hun vertrek, Ezra 1:4-6, niet zoals de Egyptenaren, die naar hun vertrek verlangden omdat zij afkerig van hen waren, maar omdat zij hen liefhadden.
4:Zij zullen het voordeel van hun dienst hebben, als zij in hun land teruggekeerd zullen zijn, want velen zullen liever met hen gaan in de geringste hoedanigheid, voor de geringste post, dan niet met hen op te trekken, liet huis Israëls zal hen erfelijk bezitten in het land van de Heer tot knechten en tot dienstmaagden, en gelijk de wetten van dit land het er voor behoedden om een hel te zijn voor dienstbaren, daar zij er in voorzagen dat deze niet verdrukt zouden worden, zo hebben de voorrechten en voordelen het tot een paradijs gemaakt van die dienstknechten, welke vreemdelingen waren aan het verbond van de belofte, want er was een wel voor de vreemdeling en de inboorling van het land. Zij, wier deel en lot is in het land van de Heer, een land van licht, moeten er zorg voordragen, dat hun knechten en dienstmaagden delen in de weldaden en voorrechten ervan, die het dan beter zullen vinden om in het land van de Heer bezit te worden, dan zelf bezitters te zijn in andere landen.
5. Zij zullen triomferen over hun vijanden, en zij, die niet met hen verzoend wilden zijn zullen tenonder gebracht en vernederd worden door hen, zij zullen gevangen houden degenen die hen gevangen hielden, en zullen heersen over hun dravers in gerechtigheid, maar niet in wraakgierigheid. De Joden hebben misschien in het land van de Meden en Perzen Babylonische gevangenen gekocht en hen tot slaven gemaakt of het kan vervuld zijn in de overwinningen over hun vijanden in de tijd van de Maccabeeën. Het is van toepassing op de voorspoed van het evangelie, toen diegenen tot de gehoorzaamheid ervan gebracht zijn, die er de grootste tegenstanders van zijn geweest, zoals Paulus, het is ook van toepassing op het deel, dat de gelovigen hebben in Christus' overwinningen over onze geestelijke vijanden, toen Hij de gevangenis gevankelijk heeft gevoerd, op de macht, die zij verkrijgen over hun eigen bederf en de heerschappij, die de oprechten over hen zullen hebben in de morgenstond, Psalm 49:15.
6. Zij zullen een gelukkig einde zien aan al hun leed, vers 3. De Heer zal u rust geven van uw smart, en van uw beroering, en van de harde dienstbaarheid. God zelf onderneemt het om een gezegende verandering teweeg te brengen:
a. In hun toestand, zij zullen rust hebben van hun dienstbaarheid, de dagen van hun verdrukking zullen, hoewel zij vele zijn, toch een einde hebben, en de roede van de goddelozen, Psalm 125:3, kan wel lang rusten op het lot van de rechtvaardigen, maar zal er toch niet altijd op blijven rusten.
b. In hun gemoed, zij zullen rust hebben van hun smart en beroering, van het gevoel van hun tegenwoordige last en hun vrees voor erger. Vrees brengt de ziel soms evenzeer in beroering als smart, en diegenen moeten zich wel zeer gerust gevoelen, aan wie God rust heeft gegeven van beide. Zij, die bevrijd zijn van de slavernij van de zonde, hebben een fundament voor ware rust van smart en beroering.