Jesaja 44:1-8
Twee grote waarheden worden in deze verzen duidelijk in het licht gesteld.
I. Dat het volk van God een gelukkig volk is, en wel inzonderheid vanwege het verbond dat er is tussen God en hen. Het volk van Israël was dit als type van het Evangelie-Israël. Er zijn drie dingen, die hun geluk volkomen maken.
1. De verbondsbetrekking, waarin zij staan tot God, vers 1,2. Israël wordt hier Jeschurun genoemd, de oprechte, want alleen diegenen zijn, evenals Nathanael, waarlijk Israëlieten, in wie geen bedrog is, en alleen deze zullen de eeuwige voorrechten van die zegen deelachtig worden. Jakob en Israël zijn aan het slot van het vorige hoofdstuk voorgesteld als zeer tergend en onderhevig aan Gods toorn, en reeds overgegeven ten ban en ter beschimpingen, maar, alsof Gods ingewanden bewogen waren over hem, en Zijn berouw ontstoken was, de genade treedt tussenbeiden met een non obstante, een desniettemin bij al deze twisten. Maar hoor nu, mijn knecht Jakob, in weerwil van dit alles zullen gij en Ik weer vrienden zijn. God had gezegd, Hoofdstuk 43:Ik Ik ben het, die alle overtredingen uitdelg, dat het enige is, waardoor deze afstand is ontstaan, en als dit weggenomen is, dan zullen de stromen van de genade weer in hun gewone bedding vloeien, met de vergeving van de zonde komen al de andere zegeningen van het verbond. Zo en zo zal Ik voor hen doen, zegt God Hebreeën 8:12."want Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn." Daarom hoor, O Jakob, hoor deze troostrijke woorden, daarom vrees niet, o Jakob, vrees uw zonden niet, want zij zijn vergeven, vrees uw benauwdheden niet, want door de vergeving van de zonde is de hoedanigheid ook van deze veranderd.
Nu zijn de betrekkingen, waarin zij tot Hem staan, zeer bemoedigend.
a. Zij zijn Zijn knechten, en hen, die Hem dienen, zal Hij erkennen, Hij zal niet toelaten dat hun onrecht geschiedt.
b. Zij zijn Zijn uitverkorenen, en Hij zal blijven bij Zijn keus, Hij kent degenen, die de Zijnen zijn, en die Hij verkoren heeft, neemt Hij onder Zijn bijzondere bescherming.
c. Zij zijn Zijn schepselen, Hij heeft hen gemaakt en bracht hen in wezen, Hij formeerde hen en gaf hun een gestalte, Hij is intijds met hen begonnen, want Hij formeerde hen van de moederschoot af, en daarom zal Hij hen over hun moeilijkheden heen helpen, hen helpen in hun dienst.
2. De verbondszegeningen, die Hij hun en de hunne verzekerd heeft, vers 3, vers 4,. Zij, die zich bewust zijn van hun geestelijke behoeften en van de ongenoegzaamheid van het schepsel om er in te voorzien, zullen overvloedige voldoening hebben in God. Ik zal water gieten op de dorstige, die dorst naar gerechtigheid, hij zal verzadigd worden. Water zal uitgegoten worden voor hen, die in waarheid geestelijke zegeningen begeren, deze begeren boven alle genietingen van de zinnen. Zij, die onvruchtbaar zijn als een droge grond, zullen bedauwd worden met Gods genade, bewaterd worden met stromen van die genade, en dan zal God zelf de wasdom geven. Al is de grond ook nog zo droog, God heeft stromen van genade om hem te bevochtigen. a. Het water, dat God zal uitgieten is "Zijn Geest," Johannes 7:30, die God zonder mate zal uitstorten op het Zaad, dat is Christus, Galaten 3:16, en in mate op al het zaad van de gelovigen, op al het biddend, worstelend zaad van Jakob, Lukas 11:13. Dit is de grote Nieuw Testamentische belofte, dat God, Zijn Knecht Christus gezonden hebbende en Hem hebbende ondersteund. Zijn Geest zal zenden om ons te ondersteunen. Deze gave van de Heiligen Geest is de grote zegen, de overvloedige uitstorting waarvan God bewaard heeft voor de laatste dagen, Ik zal Mijn Geest, Mijn zegen uitgieten, want als God Zijn Geest geeft, dan geeft Hij ook alle andere zegeningen.
b. Dit is weggelegd voor het zaad en de nakomelingen van de kerk, want aldus luidt het verbond van de genade: Ik zal u een God zijn, en uw zaad na u. Aan allen, die aldus delen in de voorrechten van de aanneming, zal God de Geest van de aanneming geven.
c. Hierdoor zal er een grote toeneming wezen van de kerk, aldus zal zij zich naar ver verwijderde plaatsen uitbreiden. Aldus zal zij voortgeplant en bestendigd worden tot latere tijden. Zij zullen uitspruiten en even snel groeien als wilgen aan waterbeken en in alles wat deugdzaam en prijzenswaardig is, zullen zij uitmunten en allen overtreffen, die om hen heen zijn, zoals wilgen uitsteken boven het gras, in het midden waarvan zij groeien, vers 4. Het is een groot geluk voor de kerk, en een groot genoegen voor Godvruchtige mensen, als het opkomend geslacht goede hoop geeft, veelbelovend is, en zo zal het zijn als God Zijn Geest over hen uitstort, die zegen van de zegeningen.
3. Hun blijmoedige instemming met dat deel des verbonds, vers 5. Toen de Joden terugkeerden uit de ballingschap, hebben zij hun verbond met God vernieuwd, Jesaja 50:5, inzonderheid dat zij niets meer te doen zullen hebben met afgoden, Hosea 14:2, 3, 8. Die afkerig zijn geworden, moeten aldus berouw hebben en hun eerste werken doen. Velen van degenen, die buiten waren, hebben zich te op die tijd bij hen gevoegd, daartoe uitgelokt door Gods heerlijke verschijning voor hen, Zacheria 8:23, Esther 8:17. En zij zeggen: Wij zijn des Heeren, en zij noemen zich met de naam Jakobs, want er was enerlei wet en een verbond voor de vreemdeling en voor de inboorling. En ongetwijfeld zag het nog verder, naar de bekering van de heidenen, en op de menigte van hen, die bij de uitstorting van de Geest na Christus' hemelvaart de Heere toegevoegd zouden worden, en dus ook toegevoegd zouden worden aan de kerk. Deze bekeerlingen zijn zeer velen, en zij zijn van verschillenden rang en onderscheidene volken en allen zijn Gode welkom. Coloss. 3:11. Als de een het doet, zal de ander door zijn voorbeeld uitgelokt worden om het ook te doen, en dan wederom een ander en zo zullen door de ijver van één velen opgewekt worden.
a. Zij zullen zich onderwerpen, zich overgeven aan God. Niet één in de naam van de overigen, maar ieder voor zichzelf zal zeggen: "ik ben des Heeren Hij heeft een onbetwistbaar recht om over mij te heersen, en ik onderwerp mij aan Hem, aan al Zijn geboden, aan al Zijn beschikkingen. Ik ben en zal zijn alleen de Zijne, de Zijne geheel en al, de Zijne voor altoos, ik zal zijn voor Zijn belangen, ik zal zijn tot Zijn lof, levende en stervende zal ik de Zijne zijn."
b. Zij zullen zich tot één lichaam verenigen met het volk van God, en zich noemen bij de naam Jakobs, vergetende hun eigen volk en het huis van hun vaders, en begerig om de hoedanigheid te hebben en de livrei te dragen van het huisgezin Gods. Zij zullen al het volk van God liefhebben, zich met hen vergezellen, hun de rechterhand van de gemeenschap geven, hun zaak omhelzen, het goede van de kerk zoeken in het algemeen en van al de afzonderlijke leden ervan, en bereid zijn om in alles lotgemeen met hen te zijn. c. Zij zullen dit zeer plechtig doen. Sommigen van hen zullen met hun hand schrijven: ik ben des Heeren, zoals iemand ter bevestiging van een koop, zijn handtekening onder de koopakte stelt. Hoe duidelijker en uitdrukkelijker we zijn in onze verbondssluiting met God, hoe beter het is, Exodus 24:7, Jozua 24:26, 27, Nehemia 9:38. Als gij het vast zult binden zult gij het vast bevinden.
II. Dat, gelijk Gods Israël een gelukkig volk is, Israëls God een grote God is, en God alleen is. Evenals het vorige, spreekt ook dit van overvloedige vertroosting voor allen, die op Hem vertrouwen, vers 6-8.
Merk hier op tot eer van God, en tot onze vertroosting:
1. Dat de God op wie wij vertrouwen, een God is van onbetwistbare soevereiniteit en onweerstaanbare macht. Hij is de Heere Jahweh, in zichzelf bestaande en zichzelf genoeg, en Hij is de Heere van de heirscharen, van alle heirscharen in de hemel en op aarde, van engelen en van mensen.
2. Dat Hij in betrekking staat tot Zijn kerk, en zeer bijzonder zorg voor haar draagt. Hij is de Koning Israëls, en zijn Verlosser, en daarom is Hij zijn Verlosser, omdat Hij Zijn Koning is, en zij, die God aannemen als hun Koning zullen Hem als hun Verlosser hebben. Als God zich wil doen kennen als alleen God te zijn, dan maakt Hij zich bekend als de God Israëls, opdat Zijn volk aangemoedigd zou zijg, beide om Hem aan te kleven en om in Hem te roemen.
3. Dat Hij eeuwig is, de eerste en de laatste Hij is van eeuwigheid God, voordat de wereld was, en Hij zal het zijn tot in eeuwigheid, als de wereld er niet meer zijn zal. Indien er geen God ware geweest om te scheppen, dan zou er nooit iets bestaan hebben, en als er geen God was om alles te onderhouden dan zou alles wederom teniet gaan. Hij is alles in alles, "Hij is de eerste oorzaak, van wie alle dingen zijn, en het laatste einde of doel, voor wie alle dingen zijn", Romeinen 11:36, "de Alfa en de Omega", Openbaring 1:11.
4. Dat Hij alleen God is, vers 6. Behalve Mij is er geen God. Is er ook een God behalve Mij? vers 8. Wij zullen ons beroepen op de grootste geleerden. Hebben zij ooit in alles wat zij bestudeerd hebben een andere aangetroffen? Op hen die het meest met de wereld bekend zijn. Hebben zij ooit een andere ontmoet? Er zijn vele goden, 1 Corinthiers 8:5, 6, die goden genaamd worden, en nagemaakte goden, maar is er een behalve onze God, die oneindig en eeuwig is, een behalve Hem, die de Schepper van de wereld is, de beschermer en weldoener van de gehele schepping, één buiten Hem, die datgene kan doen voor zijn aanbidders, wat Hij kan en zal doen voor de Zijnen? "Gij zijt Mijn getuigen, Ik ben een weergaloze voor u geweest. Gij hebt het met andere goden beproefd, zijn er onder geweest die algenoegzaam voor u waren en die Mij gelijk waren? Ja er is geen god," geen rotssteen-dat is het woord in het Hebreeuws, niemand buiten Mij kan een rotssteen wezen tot een fundament om op te bouwen, een rotssteen om onder weg te schuilen. God is de rotssteen en hun rotssteen is niet als onze rotssteen, Deuter. 32:4, 31. Ik ken er geen, alsof Hij gezegd had, Ik heb er nooit één ontmoet, die met Mij in vergelijking wilden komen, of die hun aanspraken aan een onpartijdig onderzoek durfden onderwerpen, indien ik er kende, die meer of iets beters voor u konden doen dan ik, dan zal Ik u hun aanbevalen, maar Ik ken er geen." Behalve Jahweh is er geen god, Hij is oneindig, en daarom kan er geen andere zijn, Hij is algenoegzaam, en daarom is er geen andere nodig. Dit is bedoeld tot bevestiging van de hoop van Gods volk in de belofte van hun verlossing uit Babel, en om hen te die einde te genezen van hun afgoderij, als de beproeving haar werk volbracht heeft dan zal zij opgeheven worden. Zij worden indachtig gemaakt aan het eerste en grote artikel van hun geloof, dat "de Heere hun God een enig Heere is", Deuteronomium 6:4. En daarom,
a. Behoefden zij in geen andere God te hopen, zij, over wie de zon schijnt, hebben maan noch sterren nodig, noch het licht van hun eigen vuur.
b. Behoefden ze geen anderen god te vrezen, hun eigen God was meer in staat hun goed te doen, dan al de valse en nagemaakte goden van hun vijanden in staat waren om hun kwaad te doen.
5. Dat niemand anders de toekomende dingen kon zeggen, waarvan God door Zijn profeet thans kennis gaf aan de wereld meer dan twee honderd jaren voordat zij plaats hebben, vers 7. "Wie zal gelijk als Ik roepen, zal Cyrus roepen naar Babel zal Israël roepen uit Babel? Is er buiten God iemand, die met kracht van uitwerking kan roepen, die ieder schepsel, ieder hart tot Zijn bevel en dienst heeft? Wie zal verkondigen hoe het zijn zal, zoals Ik het verkondig?" Ja meer: God gaat nog verder, Hij stelt het niet alleen ordelijk voor zich als hebbende de voorwetenschap er van, maar Hij stelt het in orde als hebbende het bestuur en de leiding ervan. Kan iemand anders daar aanspraak op maken? Hij heeft altijd naar de raad van Zijn wil de dingen in orde gesteld, sedert Hij een eeuwig volk gesteld heeft, het volk van Israël, dat een meer waar en meer volledig bericht van zichzelf kon geven dan enig koninkrijk van de wereld. Van de tijd af, dat Hij dit volk gesteld heeft om Zijn bijzonder volk te zijn, was Zijn voorzienigheid altijd vertrouwelijk met hen, en zei Hij hun van tevoren wat er met hen zou gebeuren-hun dienstbaarheid in Egypte, hun verrassing en hun vestiging in Kanaän. Alles was ordelijk voorgesteld, zowel in de Goddelijke voorzegging als in het Goddelijk voornemen. Zou iemand anders dit hebben kunnen doen? Zou iemand anders zich zo aan hen gelegen hebben laten liggen? Hij daagt de valse goden uit om de toekomstige dingen en die komen zullen te verkondigen. Laat hen, zo zij, kunnen, ons de naam zeggen van de man, die Babel zal verwoesten en Israël zal bevrijden. Ja meer indien zij ons niet kunnen zeggen wat de dingen zijn, die komen zullen, laat hen ons dan zeggen hetgeen komende is, hetgeen staat te komen hetgeen om zo te zeggen reeds aan de deur is, laat hen ons zeggen wat morgen geschieden zal, maar dat kunnen zij niet, vrees hen dus niet, verschrik niet voor hen. Welk kwaad kunnen ze u doen? Hoe kunnen zij uw verlossing verhinderen, als Ik u gezegd heb dat zij te bestemder tijd tot stand zal komen en Ik dit plechtig verklaard heb?" Zij, die het woord van Gods belofte hebben om op te vertrouwen, behoeven voor geen vijandelijke macht te vrezen.