Jesaja 57:1-2
In het laatste gedeelte van het vorige hoofdstuk had de profeet de wachters veroordeeld om hun onwetendheid en dwaasheid, hier toont hij op gelijke wijze de algemene gevoelloosheid en domheid van het volk aan. Geen wonder dat ze zo onverschillig waren, met zulke wachters, die hen hadden moeten opwekken tot belangstelling. Wij kunnen hier zien:
I. De voorzienigheid Gods, die de godvrezenden uit de wereld wegneemt. Wat de wereld aangaat verongelukken de rechtvaardigen, zij gaan heen en hun plaats kent hen niet meer. De godzaligheid bevrijdt niemand van het vonnis des doods. Zelfs zijn in tijden van vervolging de rechtvaardigsten het meest blootgesteld aan het geweld van de bloeddorstigen. De eerste die stierf, stierf als martelaar. De gerechtigheid bevrijdt van de prikkel des doods, niet van zijn slag. Zij worden gezegd om te komen, (of verloren te gaan) omdat zij geheel en al ons ontnomen worden, niet omdat hun dood hen doet verloren gaan of omkomen, daardoor wordt aangeduid het grote verlies dat de wereld door hun verscheiden ondergaat, dikwijls blijkt dat de plaatsen onvervuld blijven waar zij leefden en nuttig waren. Ja, zelfs de weldadige lieden worden weggeraapt, die weldadigen, die zich nog van de rechtvaardigen onderscheiden, "want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven," Romeinen 5:7. Menigmaal worden juist zij weggenomen, die men `t minst van allen missen kan, de vruchtbare bomen worden door de dood geveld, en de dorre blijven onnut de grond beslaan. De weldadigen worden meermalen weggenomen door de hand van de boosdoeners, veel goede werken hebben zij verricht en om sommige daarvan worden zij gestenigd. Waarschijnlijk was er voor de Babylonische gevangenschap meer dan gewone sterfte onder de godvrezenden, zodat er slechts weinigen werden overgelaten, Jeremia 5:1. "de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen" Psalm 12:2.
II. De zorgeloze wereld verwaarloosde deze wenken van de voorzienigheid, lette er niet op, niemand nam het ter harte of had er een oog voor.
Er zijn weinigen die het als een algemeen verlies beschouwen, en zeer weinigen die er, kennis van nemen als van een waarschuwing. De dood van de rechtvaardigen is iets waarop men letten moet, en heeft meer betekenis dan de dood van gewone mensen. Ernstig behoort onderzocht te worden, waarom God met ons twist, en welke goede lessen uit zulke handelingen Gods te leren zijn. Wat kunnen wij doen om de bres te sluiten, en de plaats aan te vullen van hen die ons ontnomen zijn? God wordt billijk verontwaardigd, wanneer zulke gebeurtenissen niet ter harte genomen worden, wanneer de stem van de roede niet gehoord wordt en aan haar bedoeling niet beantwoord wordt, maar men er zich veel meer over verheugt gelijk over de dood van de beide getuigen, Openbaring 11:1O. Sommigen van Gods uitgelezenste zegeningen voor de mensheid, waarvan men zo gemakkelijk af stapt, worden jammerlijk onderschat, en dat is een teken van zeer grote achteruitgang. Kleine kinderen treuren het minst om de dood hunner ouders, want zij beseffen hun verlies nog niet.
III. Het geluk van de rechtvaardigen in hun wegneming.
1. Zij worden weggenomen voor de dag des kwaads, die bezig is te komen.
a. Uit medelijden met hen, opdat zij het onheil niet zien zullen, 2 Koningen 22:20, er geen deel aan hebben, en er niet door in verzoeking gebracht worden. Toen de zondvloed kwam, werden zij in de ark geroepen, en verkregen een schuilplaats en rust in de hemel, die voor hen onder de hemel niet te vinden was.
b. In toorn over de wereld, om haar te straffen voor al de beledigingen en het onrecht, dat zij de rechtvaardigen en weldadigen aangedaan heeft. Zij worden weggenomen, die in de bres stonden om de oordelen Gods af te wenden, en wat kan er dan verder verwacht worden dan een overstroming? Het is een teken dat God oorlog aankondigt, als Hij Zijn gezanten terugroept.
2. Ze gaan heen om buiten bereik van het kwaad te zijn. De rechtvaardige, die tijdens zijn leven in zijn oprechtheid wandelde, gaat bij zijn dood in tot de vrede en de rust op zijn bedstede. De dood is rust en zegen en vrede alleen voor hen, die in oprechtheid wandelden en die in dat opzicht bij hun sterven, evenals Hizkia, zich op God kunnen beroepen, 2 Koningen 20:3. "Nu Heere, gedenk!" Zij die gerechtigheid bedachten en tot het einde najaagden, zullen zich in hun stervensure daarbij wel bevinden. Hun zielen gaan in de vrede, in de wereld des vredes, waar volmaakte vrede is en waar geen moeite is, zij gaan in in de vreugde huns Heeren. Hun lichamen rusten op hun bedsteden. Het graf is een rustbed voor al Godsvolk, zij zullen rusten van hun arbeid, Openbaring 14:13. En hoe vermoeider zij waren, zoveel welkomer zal de rust hun zijn, Job 3:17. Dit bed is in duisternis gespreid, maar dat maakt het zoveel rustiger, het is een bed, waarvan zij verfrist zullen verrijzen in de morgen van de opstanding.