Jesaja 31:1-5
Dit is het laatste van de vier hoofdstukken, die beginnen met "Wee" en het zijn allen weeën over de zondaars, die onder het belijdend volk van God gevonden werden-over de dronkaards van Efraïm, Hoofdstuk 28:1, over Ariël, Hoofdstuk 29:1, over de kinderen, die afvallen, Hoofdstuk 30:1, en hier over hen die in Egypte om help aftrekken, want `s mensens betrekking tot de kerk zal hen niet beveiligen tegen het Goddelijk "Wee!" indien zij leven in minachting van de Goddelijke wetten.
Merk op:
I. Wat de zonde was, die hier bestraft wordt, vers 1.
1. Hun vergoden van de Egyptenaren, en dat zij hun het hof maakten, alsof dat volk welgelukzalig was, hetwelk de Egyptenaren tot vrienden en bondgenoten had. In iedere verlegenheid trekken zij af in Egypte om hulp, alsof de aanbidders van valse goden meer invloed hadden in de hemel en meer waarschijnlijk voorspoed zouden hebben op aarde, dan de dienstknechten van de levende en ware God. Wat hen aanlokt in Egypte is, dat de Egyptenaren veel wagens hebben om er hen van te voorzien, benevens paarden en ruiters, die sterk en machtig waren, en als zij een goede krijgsmacht vandaar in hun dienst konden krijgen, dan zouden zij zich wel in staat achten om de koning van Assyrië en zijn talrijk leger het hoofd te bieden. Aan hun koningen was het verboden om de paarden en wagenen te vermenigvuldigen, en hun was de dwaasheid voor ogen gehouden om er op te vertrouwen, Psalm 20:8, maar zij denken wijzer te Zijn dan hun Bijbel.
2. Dat zij de God Israëls veronachtzaamden: zij zien niet op de Heilige Israëls, zij behandelen Hem alsof het niet van de moeite waard was om van Hem nota te nemen in deze benauwdheid, zij gaan met Hem niet te rade, zoeken Zijn gunst niet, bekommeren er zich niet om om Hem tot hun vriend te maken.
II. De grove ongerijmdheid en dwaasheid van deze zonde.
1. Zij verachtzaamden een, die zij, zo zij niet op Hem wilden vertrouwen, reden hadden te vrezen. Zij zoeken de Heere niet, wenden zich niet tot Hem, nochtans is Hij ook wijs, vers 2. Zij doen moeite om de Egyptenaren in een verbond met hen te krijgen, omdat zij de naam hebben van een wijs volk te zijn, en is dan God niet ook wijs? En zou de oneindige wijsheid, als zij aan hun zijde is, hun niet van oneindig meer nut en voordeel zijn dan al de staatkunde van Egypte? Zij geven zich wel moeite om af te trekken in Egypte, een vervelende en vermoeiende reis, terwijl zij betere raad en betere hulp hadden kunnen krijgen door op te zien naar de hemel, en het niet hebben gewild. Daar als zij Gods wijsheid niet willen inroepen om voor hen te handelen, dan zullen zij bevinden dat zij tegen hen handelt. Hij is wijs, te wijs om door hen verschalkt te kunnen worden, en Hij zal kwaad brengen over hen, die Hem aldus beledigen. Hij zal Zijn woorden niet terugtrekken, zoals de mensen, (omdat zij wispelturig en dwaas zijn) maar Hij zal zich opmaken tegen het huis van de boosdoeners, deze kuiperij van hen, die aftrekken in Egypte. God zal tegen hen verschijnen tot hun beschaming, overeenkomstig het woord, dat Hij gesproken heeft, en Hij zal de hulp, die zij van de werkers van de ongerechtigheid denken te verkrijgen, tegenstaan. Sommigen denken dat de Egyptenaren het tot een van de voorwaarden hebben gesteld, waarop zij in verbond met hen wilden komen, dat zij de goden van Egypte zouden aanbidden, en dat zij er in toegestemd, hebben en dat zij daarom beide boosdoeners en werkers van de ongerechtigheid worden genoemd.
2. Zij vertrouwden op degenen, die niet in staat waren hen te helpen, en van wie dit spoedig zou blijken, vers 3. Laat hen weten dat de Egyptenaren, op wie zij zeer steunden en vertrouwden, "mensen zijn en geen god." Gelijk het goed is voor de mensen, om te weten dat "wij slechts mensen zijn," Psalm 9:21, zo is het ook goed voor ons om te bedenken dat zij, die wij liefhebben en op wie wij vertrouwen slechts mensen zijn. Zonder God kunnen zij dus niets doen, niets tegen Hem, niets in vergelijking met Hem. Zij zijn mensen, en dus wispelturig en dwaas, veranderlijk en sterflijk, heden hier, morgen voorbijgegaan, zij zijn mensen, laat ons dus geen goden van hen maken, door hen tot onze hoop en ons vertrouwen te stellen, en datgene van hen te verwachten, hetwelk alleen in God gevonden wordt, zij zijn geen god, zij kunnen niet doen voor ons wat God voor ons doen kan en doen zal, zo wij op Hem betrouwen. Laat ons dan Hem niet veronachtzamen, om hen te zoeken, laat ons de rots van de eeuwen niet verlaten voor gebroken rietstaven, noch de fontein van levende wateren voor gebroken waterbakken. De Egyptenaren hebben inderdaad paarden, die zeer sterk zich, maar zij zijn vlees en geen geest, en daarom, sterk als zij zijn, kunnen zij toch vermoeid worden door een langdurige tocht, en daarom ondienstig worden, of zij kunnen in een veldslag gewond en gedood worden, en hun berijders overreden laten worden. Iedereen weet dat de Egyptenaars geen god zijn, en dat paarden geen geest zijn, maar zij, die hulp van hen verwachten, bedenken het niet, want anders zouden zij niet zo'n groot vertrouwen in hen stellen. Zondaren kunnen van dwaasheid overtuigd worden door de duidelijkste blijkbaarste waarheden, die zij niet kunnen ontkennen, maar niet willen geloven.
3. Zij zullen gewis ten verderve gaan met de Egyptenaren, op wie zij vertrouwden, vers 3. Zo de Heere slechts Zijn hand uitstrekt, hoe gemakkelijk, hoe krachtdadiglijk zal Hij hun vertrouwen op Egypte beschaamd doen uitkomen, en de Egyptenaren beschaamd maken over de aanmoediging, die zij hun gegeven hebben om op hen te vertrouwen, want de helper en die geholpen wordt zullen tezamen vallen, en hun wederzijds verbond zal blijken hun gezamenlijk verderf te zijn. Met de Egyptenaren zal weldra afgerekend worden, zoals blijkt uit "de last van Egypte," Hoofdstuk 19, en dan zullen zij, die tot hen gevloden zijn, om bij hen hulp n een schuilplaats te vinden, met hen vallen, want er is geen ontkomen aan de oordelen Gods, het kwaad vervolgt de zondaren, en het is rechtvaardig in God, om dat schepsel tot een gesel voor ons te maken, waarvan wij een afgod hebben gemaakt.
4. Zij namen Gods werk uit Zijn handen, zij wendden groten ijver voor om Jeruzalem te beschermen en te bewaren door een verbond met Egypte aan te raden, en als anderen zich niet konden verenigen met hun maatregelen, dan pleitten zij op de plicht van zelfbehoud, en trokken zelf af in Egypte. Nu zegt de profeet hun hier dat Jeruzalem behouden zal worden zonder hulp van Egypte, en dat zij, die daar blijven, veilig zullen zijn, maar dat zij, die naar Egypte gevloden zijn, ten verderve zullen gaan. Jeruzalem was onder Gods bescherming, en dus was het niet nodig haar onder de bescherming te stellen van Egypte, maar een werkelijk wantrouwen in Gods algenoegzaamheid is op de bodem van al ons zondig afwijken van Hem naar het schepsel.
De profeet zegt hun dat hij dit uit Gods eigen mond had gehoord, want alzo heeft de Heere tot mij gezegd, wij kunnen er staat op maken. A. Dat God verschijnen zal tegen Jeruzalems vijanden met de stoutmoedigheid van een leeuw over zijn roof, vers 4. Als de leeuw uitgaat om zijn prooi te grijpen, gaan een menigte van herders tegen hem uit (want het betaamt naburen om elkaar te helpen, als personen of bezittingen in gevaar zijn). Deze herders durven niet in de nabijheid van de leeuw komen, al wat zij doen kunnen is een groot gedruis te maken, en daarmee denken zij hem weg te verschrikken en te verjagen. Maar slaat hij er acht op? Neen, hij verschrikt niet voor hun stem noch vernedert hij zich in zo verre, om er in het minst door bewogen worden, hetzij om van zijn prooi af te laten, of om meer haast te maken de hij andere doen zou om haar te grijpen. Alzo zal de Heere van de heirscharen neerdalen om te strijden voor de berg Zion met zulk een onbewogen, onversaagde vastberadenheid, die door geen tegenstand bewogen kan worden, en Hij zal even gemakkelijk en onweerstaanbaar het Assyrische leger verdoen, als een leeuw een lam in stukken scheurt. Wie er ook tegen God verschijnen, zij zijn slechts als een troep van arme, eenvoudige herders, die schreeuwen tegen een leeuw, die het versmaadt om notitie van hen te nemen, of ook maar om er zijn tred om te verhaasten. Voorwaar, zij die zo'n beschermer hebben behoeven niet af te trekken in Egypte om hulp te verkrijgen.
B. Dat God voor Jeruzalems vrienden zal verschijnen met de tederheid van een vogel voor zijn jongen. God was bereid om Jeruzalem te vergaderen, zoals een hen haar kuikens vergadert onder haar vleugelen, Mattheus 23:37, maar zij, die op de Egyptenaren vertrouwden, wilden niet. Gelijk vogels, die met alle mogelijke spoed naar hun nesten vliegen, als zij ze aangevallen zien, en met tedere bezorgdheid boven hun nesten fladderen, om hun jongen te beschermen en de aanvallers te verjagen, met zulk teder mededogen en liefde zal de Heere van de heirscharen Jeruzalem verdedigen. "Gelijk een arend zijn jongen opwekt, als zij in gevaar zijn, ze neemt en draagt op zijn vleugels," zo heeft de Heere Israël uitgevoerd uit Egypte, Deuteronomium 32:11, 12, en Hij heeft nu nog dezelfde tedere zorg over hen, die Hij toen over hen gehad heeft, zodat zij niet weer om een schuilplaats naar Egypte behoeven te vlieden. Beschuttende zal Hij haar ook verlossen, Hij zal haar zo verdedigen, dat Hij haar veiligheid zal verzekeren en bestendigen haar niet verdedigen voor een wijle, om haar tenslotte toch te verlaten, maar haar zo verdedigen, dat zij niet in des vijands handen zal vallen, "Ik zal deze stad beschermen, om die te verlossen," Hoofdstuk 37:35, "doorgaande zal Hij haar ook uithelpen, het woord voor doorgaande" is in die zin alleen hier gebruikt en in Exodus 12:12, 23, 27, betreffende des verderfengels voorbijgaan van de huizen van de Israëlieten, toen hij al de eerstgeborenen van de Egyptenaren sloeg, naar welke gebeurtenis hier verwezen wordt, het Assyrische leger moest verslagen worden door een verderfengel, die Jeruzalem voorbij zou gaan, hoewel zij verdiende verwoest te worden, en alleen tegen de belegeraars zijn zwaard zou trekken. Zij zullen door de pestilentie gedood worden, maar geen van de belegerden zal door de besmetting worden aangetast. Aldus zal Hij wederom de huizen Zijns volks voorbijgaan en ze beveiligen.