Jesaja 57:3-12
Wij hebben hier een zware maar zonder twijfel zeer rechtvaardige beschuldiging, uitgesproken tegen dat goddeloos geslacht, aan hetwelk Gods rechtvaardigen ontnomen waren, omdat de wereld hen niet waardig was.
Merk op:
I. Welke algemene eigenschap hen wordt toegeschreven, of de naam en titel waaronder zij bekend stonden, vers 3. Hun wordt geboden te naderen, en te luisteren naar de beschuldiging, zij worden voor de rechtbank geleid en daar aangeduid als kinderen van de huichelares, of van een tovenares, het overspelig zaad van een die hoererij bedrijft. Dit is, zo waren zij zelf, zij hadden sterke neiging om zo te zijn er hun voorouders waren ook zo geweest. De zonde is toverij en overspel, want zij is een verlaten van God en omgaan met de duivel, en zij waren kinderen van de ongehoorzaamheid. Komt, zegt de profeet, nadert hiertoe en ik zal u nu vonnis doen horen, de dood zal de rechtvaardigen vrede en rust brengen, maar u niet, gij zijt kinderen van de overtreding en een zaad van de valsheid, vers 4 Dat zijt gij van kindsbeen, het is in geheel uw natuur doorgedrongen om van God af te dwalen en trouweloos jegens Hem te handelen, Jesaja 48:8.
II. De bijzondere overtredingen, waarvan zij beschuldigd worden:
1. Het beschimpen van God en Zijn woord. zij waren een geslacht van bespotters, vers 4. Over wie maakt gij u lustig? Gij denkt dat het alleen is over de arme profeten, die gij met verachting onder de voet treedt, maar in werkelijkheid is het tegen God zelf, die hen gezonden heeft en Wiens boodschap zij overbrengen. Het bespotten van de gezanten des Heeren was de zonde van Jeruzalem, die de maat volmaakte, hetgeen God rekende als Hemzelf aangedaan. Wanneer zij bestraft werden voor hun zonden en bedreigd met Gods oordelen, bespotten zij het Woord van God met de gemeenste en laagste taal en gebaren, die zij konden bedenken. Zij maakten zich vrolijk met hetgeen hen ernstig had moeten stemmen en waarvoor zij zich hadden moeten vernederen. Zij sperden de mond wijd open en staken de tong uit tegen de profeten, tegen alle zeden van goede opvoeding in, ook behandelden zij de profeten niet eens met de gewone burgerlijke beleefdheid, die zij de knechten van voorname personen bewijzen zouden, wanneer die met een boodschap tot hen gezonden werden. Zij die God bespotten en Zijn oordelen verachten, mogen wel bedenken wie Hij is, die zij zo onbeschaamd behandelen.
2. Afgoderij. Dat was de zonde, waartoe de Joden voor de Babylonische gevangenschap het meest toe geneigd waren, maar die beproeving heeft hen daarvan genezen. In Jesaja's tijd was zij zeer algemeen, getuige de schandelijke afgoderijen van Achaz (op wien, naar sommigen menen, hier bepaald gedoeld wordt), en van Manasse.
a. Zij waren onmatig verliefd op hun afgoden, zij waren er hitsig op als degenen, die branden van onnatuurlijke begeerten, Romeinen 1:27. Zij raasden naar de schrikkelijke afgoden, Jeremia 50:38. Zij verhitten zichzelf door hun hevige hartstochten om hen te vereren, gelijk de profeten van Babel, die tegen het altaar opsprongen en zichzelf sneden, 1 Koningen 18:26, 28. Hoe meer lage hartstochten toegelaten worden, zoveel heviger ontbranden zij. Zij aanbaden hun afgoden onder elke groene boom, in de open lucht, in de schaduw, maar dat kon hun bandeloze lusten niet verkoelen, integendeel, de heerlijke schoonheid van de groene bomen maakte hen des te meer verliefd op de afgoden, die zij aanbaden. Hetgeen in de natuur aangenaam is, in plaats van hen tot de God van de natuur te trekken, dreef hen van Hem af. De vlam van hun ijver in de aanbidding van de valse goden, kan ons beschamen voor onze koelheid en onverschilligheid in de verering van de waren God. Ze trachten zich te verhitten, maar wij onttrekken en verstrooien ons.
b. Zij waren barbaars en onnatuurlijk wreed in de verering van hun afgoden, zij slachtten hun kinderen als slachtoffers voor hun goden, niet alleen in het dal van de kinderen van Hinnom, de voornaamste plaats van deze afschuwelijke afgoderij maar in navolging daarvan ook in andere valleien, onder de hoeken van de steenrotsen, in duistere en eenzame plaatsen geschikt voor zulke werken van de duisternis.
c. Ze waren overvloedig en onverzadelijk in hun afgoderijen, zij dachten dat zij nooit genoeg afgoden konden hebben, er nooit genoeg aan konden ten koste leggen. De Syriërs hadden eens het begrip dat de God van Israël een God van de bergen en niet van de dalen was, 1 Koningen 20:28. Maar deze afgodendienaars hadden zich van beide verzekerd.
A. Zij hadden goden van de valleien, die zij vereerden in de lage landen aan de oevers van de wateren, vers 6. Aan de gladde stenen van de beken is uw deel. Wanneer zij een gladde afgeslepen steen zagen, opgezet als wegwijzer of landscheiding, waren zij bereid die te aanbidden, gelijk de papisten hun kruisen. Of in steenachtige valleien richtten zij hun afgoden op, Die zij hun deel noemden en voor hun lot namen, gelijk Gods volk Hem tot zijn deel en lot heeft. Maar deze gladde stenen van de beken zouden voor hen geen beter deel en lot zich dan de zachte stenen in de stroom, in welks nabijheid zij opgericht waren want soms aanbaden zij hun rivieren. Die, die zijn uw lot, waaraan gij u toevertrouwt en dat u behaagt, maar gij zult ondervinden, welk een armzalig lot zij voor u zijn zullen. Ziet de dwaasheid van de zondaren, die de gladde stenen van de beken tot hun erf en lot nemen, terwijl zij de kostelijke stenen van Jeruzalem tot hun erfdeel en de stenen in de borstlap van de hogepriesters tot hun lot konden hebben. Nu zij de afgoden tot hun erf en lot verkoren hebben doen zij al het mogelijke om die te vereren, zij storten voor hen drankoffer uit en offeren hun spijsoffer, alsof zij hun eten en drinken moesten brengen. Zij beminden hun goden meer dan hun kinderen, want hun eigen tafels moesten beroofd worden om de altaren van hun afgoden te voorzien. Hebben wij de ware God tot onze erdeel en is Hij ons lot? Laat ons Hem dienen met ons voedsel en onze drank, niet gelijk zij deden, door ons het gebruik ervan te ontzeggen, maar door het te nuttigen en te genieten tot Zijn eer. Hier komt in een tussenzin een uitdrukking van Gods rechtmatige verontwaardiging over hun goddeloosheid. Zou Ik mij over deze dingen laten troosten? En over een volk als dit? Kunnen zij verwachten dat God enig behagen in hen heeft, of de gaven op Zijn altaar aanneemt van hen die evenzo met de gaven van de voorzienigheid Baäl dienen? God heeft welgevallen in Zijn volk, omdat dit Hem getrouw is, maar hoe kan Hij Zich troosten over hen, die terwijl zij in de wereld Zijn getuigen tegen de afgoderij behoorden te zich, daar zelf toe vervallen? Zou Ik medelijden met hen hebben? zo lezen sommigen. Of: Zou het Mij over hen berouwen? Hoe kunnen zij verwachten dat Ik hen zou sparen en hun straf uitstellen of inhouden terwijl zij mij zo tarten? "Zou Ik over deze dingen geen bezoeking doen?" Jeremia 5:7, 9.
B. Zij hadden ook goden van de bergen, vers 7. Op elke hoge en verheven berg klimt gij, alsof gij u meten wilt met de Hoge en Verhevene zelf. Daar stelt gij uw leger, en uw afgod, en tempel en altaar voor uw afgod, het leger van uw onzedelijkheid, waar gij uw geestelijk overspel bedrijft, met al de wellusten van afgodische verbeelding, en in rechtstreekse strijd tegen het verbond uws Gods. Derwaarts klimt gij, vaardig genoeg, ofschoon het bergopwaarts gaat, om uw offeranden te brengen. Sommigen menen dat hier sprake is van de onbeschaamdheid, waartoe zij in hun afgoderij vervielen, eerst hadden zij enig gevoel van schaamte, toen zij hun afgoden in de valleien vereerden, in duistere plaatsen, maar spoedig waren ziedaar overheen en deden het op de aangename hoge bergen, zij waren niet beschaamd en wisten niet van schaamrood worden.
C. En alsof dit alles nog niet genoeg was, hadden zij ook hun huisgoden. Achter de deuren en de posten, waar Gods wet behoorde geschreven te staan, om hen aan hun plicht te herinneren, zet gij uw gedenktekenen, aan uw afgoden, niet zo zeer om zelf die in gedachten te houden, zij waren er zo op verzot dat zij die niet vergeten konden, maar om aan anderen te tonen hoe zij steeds eraan dachten en om er hun kinderen aan te herinneren en die reeds van jongsaf eerbied voor deze drekgoden in te boezemen.
D. Gelijk zij onverzadigbaar waren in hun afgoderijen, zo waren zij er ook onafscheidelijk aan verbonden, zij waren verhard in hun goddeloosheid, zij aanbaden hun afgoden openlijk, in het openbaar, zomin beschaamd over hun zonden als bevreesd voor de straf, zij gingen openlijk en in grote menigten naar hun afgodstempels, gelijk zij behoorden op te gaan naar Gods huis. Dat was gelijk een onbeschaamde hoer, zij gaven zich aan anderen dan aan God en beleden anderen dan de ware godsdienst Zij stelden er een eer in aanhangers voor hun afgoden te winnen, en gingen niet alleen zelf naar hun hoge plaatsen. maar maakten het bed wijd, dat is hun afgodstempels. Zij maakten hun tempels groter dan de modellen waren die zij in de vreemde gezien hadden, gelijk Achaz een altaar liet oprichten naar dat, hetwelk hij in Damascus gezien had, 2 Koningen 16:10. En daar zij nu over de oren in de afgoderij verzonken waren bestond er geen kans dat zij er van zouden scheiden. Efraïm is vergezelschapt met de afgoden in liefde en in verbond.
a. In liefde. Gij bemint hun bed, dat is de afgodstempel In elke plaats, die gij ziet.
b. In verbond, gij hebt een verbond met de afgoden gesloten, en met de afgodendienaars, om samen te leven en samen te sterven. Dat was algehele afkering van hun verbond met God en uitgesproken beslistheid om in hun afval te volharden. Daarom waren zij rechtvaardig overgegeven aan de begeerten van hun hart.
III. Een andere beschuldiging tegen hen is, hun vertrouwen op en hun uitzien naar vreemde hulp en bijstand en hun sluiten van verdragen met heidense machten, vers 9. Gij trekt met olie tot de Koning Sommigen menen dat hiermede de afgod bedoeld wordt, en meer bepaald Moloch, want die naam betekent Koning. Gij doet alles om u bij de afgod aangenaam te maken, en brengt zoet reukwerk en kostelijke olie op zijn altaar. Maar ook kan daardoor bedoeld worden de koning van Assyrië aan wie Achaz het hof ging maken, of de Koning van Babel, wiens gezanten door Hizkia zo vleiend ontvangen werden, of andere koningen van naburige volken, welker afgodische gebruiken zij bewonderden, en begeerden te leren en na te volgen, en daarom zonden zij hem om gemeenschap met hen aan te knopen en te onderhouden, opdat zij hun mochten gelijk worden en een verbond met hen konden sluiten. Ziet
a. welke grote kosten zij zich getroostten om dit verbond tot stand te brengen. Zij gingen met olie en welriekende zalven, hetzij ze die aan zichzelf ten koste legden om er hun aangezichten mee te verfraaien, om zo de vriendschap van de machtigste koning waardig te worden en te verkrijgen, hetzij om die ten geschenke te geven aan hen wier gunsten ze najaagden, omdat het geschenk iemand voordeel brengt en hem voor het aangezicht van de groten brengt. Wanneer het eerste geschenk van welriekende specerijen te gering geacht werd, dan vermenigvuldigden zij het, en zo zoeken velen de gunst des heersers, daarbij vergetende dat het oordeel eens mans ten slotte van de Heere voortkomt. Zo genegen waren zij tot deze heidense vorsten, dat zij niet alleen zelf in alle praal gingen naar hen, die hun naburen waren, maar ook hun gezanten zonden tot hen die verre weg woonden, Hoofdstuk 18:2.
b. Hoe zij daardoor zichzelf verlaagden, en de eer en de waardigheid van hun volk in het stof legden, zij vernederden zich tot de hel toe, evenals zij dat deden door hun afgoderijen. Het is oneer voor de kinderen van de mensen, die met rede begaafd zijn, om als god datgene te aanbidden wat niet anders is dan een voortbrengsel van hun eigen verbeelding en het werk van hun eigen handen, om te knielen voor een hout of een steen. Maar nog veel meer oneer is het voor Gods kinderen, die gezegend zijn met het voorrecht van een goddelijke openbaring, om zo'n God, als zij weten dat de hunne is, te verlaten voor een ding van niets, hun barmhartigheid voor enkel ijdelheid. Evenzo verlaagden zij zichzelf door om de gunst van hun heidense naburen te bedelen, en op hen te vertrouwen, terwijl ze een God hadden tot Wien zij zich wenden konden, die algenoegzaam was en met hen in verbond stond. Hoe behoorden zij zich ten hoogste te schamen en zich ten diepste te verachten, die de fontein des levens verlieten voor gebroken waterbakken, en de rots van de eeuwen voor geknakte rieten! Zondaren onteren en verlagen zichzelf, de dienst van de zonde is de schandelijkste slavernij, en zij die zich aldus vernederen tot de hel toe, zullen eenmaal in de hel hun rechtvaardige vergelding vinden.
IV. De verzwaring van deze zonden.
1. Zij waren vermoeid door hun grote reis door teleurstelling op hun boze wegen, en toch wilden zij nog niet van de dwaasheid ervan overtuigd worden, vers 10. Gij zijt vermoeid van uw grote reis. Ge hebt een zware taak ondernomen door ware voldoening en geluk te zoeken, waar niets dan ijdelheid en leugen is. Zij die in plaats van God afgoden tot het voorwerp hunner aanbidding maken, in plaats van God vorsten tot hun hoop en toevlucht stellen, en daarbij zoveel gunstiger over zichzelf denken en zich gerust gevoelen, maken een grote reis en zullen nooit tot het gewenste einde komen. Gij zijt vermoeid door de menigte of de vermenigvuldiging van uw wegen. zo lezen sommigen het. Zij die de rechte weg verlaten, wandelen rusteloos op duizend bijpaden, en verliezen zichzelf in de vele uitvindingen die zij gedaan hebben. zij vermoeien zich in allerlei pogingen maar bereiken nooit hun doel. Het gaat hun als de inwoners van Sodom, die moede werden om de deur te vinden, Genesis 19:11 en het tenslotte moesten opgeven. De vermaken van de zonde zullen spoedig doen walgen, maar nooit voldoen, men kan zich spoedig vermoeien in het najagen er van, maar zal er nooit blijvend genot van hebben. Zij wisten dit bij ondervinding, de afgoden die zij vereerd hadden, bewezen hun nooit enige vriendelijkheid, de koningen, welke zij het hof gemaakt hadden, bedroefden hen, maar hielpen hen niet. En toch waren zij zo onverbeterlijk verdwaasd, dat zij nog niet zeiden: Het is buiten hoop: Het is tevergeefs nog langer voldoening te wachten van het vertrouwen op schepselen en het vereren van afgoden, waaraan wij ons zolang hebben overgegeven, zonder enig goed gevolg. Wanhopen aan de hulp van het schepsel en aan voldoening in de dienst van de zonde, is de eerste stap tot een welgegronde hoop op geluk in God en een wel gevestigd besluit tot Zijn dienst. En zij zijn niet te verontschuldigen, die levendige overtuiging van de ijdelheid van het schepsel hebben, en toch niet er toe komen willen om te erkennen: Daar is geen hoop op geluk behalve bij de Schepper. 2. Ofschoon zij er van overtuigd waren, dat de weg waarop zij gingen, een zondige weg was, toch hadden zij er enig ogenblikkelijk zinnelijk genot en aards voordeel van gehad, en daarom konden zij zich niet bewegen om die te verlaten. Gij hebt het leven uwer hand gevonden, gij beroemt er u op hoe de fortuin u tegenlacht, en daarom wordt gij niet ziek gevoelt gij u niet ziek, evenmin als Efraïm, die zei: "Ik ben rijk geworden, ik heb groot goed verkregen, in al mijn arbeid zullen zij geen ongerechtigheid vinden die zonde zij", Hosea 12:9. Voorspoed in de zonde is een geweldig struikelblok voor de bekering van de zonde. Zij die gerust leven in hun zondige vermaken, en door hun zondige praktijken rijk worden, zijn geneigd te denken dat God hen begunstigt en dat zij daarom zich niet behoeven te bekeren. Sommigen lezen dit spottenderwijze en als vraag: Gij hebt nu het leven uwer hand gevonden, en ook ware voldoening en geluk? Zeker wel, niet waar? En daarom zijt gij ver van dat te berouwen, gij gelooft nog aan zegen op uw boze weg, maar rekent nog eens goed de winst na maakt de balans op en zegt dan: Welke vrucht hadt gij van de dingen waarvoor gij u nu schaamt, want God zal al deze dingen brengen in het gericht, Romeinen 6:21.
3. Zij hadden door hun zonden God zeer onwaardig behandeld:
A. Het scheen dat zij als reden waarom zij God verlaten hadden, voorwendden, dat Zijn majesteit voor hen te verschrikkelijk was, om met Hem te handelen, zij hadden goden nodig, met welke zij vrijer en gemeenzamer konden omgaan. Maar, vraagt God, voor wie hebt gij geschroomd of gevreesd, dat gij zo gelogen hebt, dat is, dat gij Mij zo vals en verraderlijk behandeld hebt en in uw verbond met Mij en gebeden tot Mij afgeweken zijt? Wat heb Ik u ooit gedaan om u van Mij weg te schrikken, welke aanleiding heb Ik u gegeven om harde gedachten van Mij te hebben, dat gij een vriendelijker meester gezocht hebt?
B. Het was echter zeker dat zij geen ware eerbied voor God hadden, en geen eerbiedig opzien tot Hem. Daarom wordt de vraag gewoonlijk in deze zin opgevat: Voor wie hebt gij gevreesd of ontzag gehad? Want Mij die gij zoudt vrezen, hebt gij niet gevreesd, maar Mij hebt gij gelogen. Zij die met God verschil hebben tonen daardoor dat zij geen ontzag voor Hem hebben. Gij hebt niet aan Mijn gedacht, noch hetgeen Ik gezegd heb, of hetgeen Ik gedaan heb, zomin Mijne beloften als Mijn bedreigingen, of de vervulling van beide. Gij hebt Mij niet in uw hart gelegd, zoals gij gedaan zoudt hebben indien gij Mij gevreesd had. Zij, die het woord van God en van Zijn voorzienigheid niet in hun hart leggen, bewijzen daardoor dat er geen vreze Gods voor hun ogen is. En menigten zijn verloren gegaan door gebrek aan vrees, vergeetachtigheid en enkel zorgeloosheid, zij denken aan niets, vrezen niets, herinneren zich niets en bewaren niets in hun hart.
C. Ja, zij werden door het geduld en de verdraagzaamheid Gods verhard in hun zonden. Ik heb van ouds af gezwegen, deze dingen deedt gij en Ik heb gezwegen. En daarom, zo volgt hier, vreest gij Mij niet, alsof God, indien Hij lang uitstelt, nooit straffen zal, Prediker 8:11. Omdat God lang zwijgt, meent de zondaar dat Hij is gelijk hij zelf is en heeft geen ontzag voor Hem.
Ten slotte volgt hier Gods besluit om rekenschap van hen te eisen, of schoon Hij hen lang verdragen heeft, vers 12. "Ik zal bekend maken" evenals in Psalm 50:21. Ik zal u op de proef stellen, "Ik zal uw gerechtigheid bekend maken" waarop gij u nu verheft, en de gehele wereld laten zien en uzelf ook tot uw eigen verlegenheid dat die niets dan ijdelheid en bedrog is, en in genen dele wat zij zich voordoet te zijn. Wanneer uw gerechtigheid zal onderzocht worden, zal zij blijken ongerechtigheid te zijn en dat er in al uw beweringen geen oprechtheid is. Ik zal uw werken bekend maken, wat zij geweest zijn, en wat het voordeel is dat gij voorgeeft daardoor behaald te hebben, en het zal blijken dat zij op de lange duur in `t minst niet van enig nut geweest zijn. Zondige werken zijn werken van de duisternis, en daarom is er geen redelijkheid of gerechtigheid in, zij zijn onvruchtbare werken, en daarom wordt er niets door gewonnen, en hoeveel schijn zij nu ook mogen hebben, de dag komt waarin blijken zal dat de zonde geen voordeel aanbrengt, maar alleen verwoesting.