Jesaja 30:1-7
Het was dikwijls zonde en de dwaasheid van het volk van de Joden, dat zij, als zij aangevallen werden door hun naburen aan de ene zijde, naar hulp uitzagen van hun naburen aan de andere zijde, in plaats van op te zien tot God en hun vertrouwen op Hem te stellen. Tegen Israël hebben zij de hulp ingeroepen van de Syriërs, 2 Kronieken 16:3. Tegen de Syriërs riepen zij de hulp in van de Assyriërs. 2 Koningen 16:7, tegen de Assyriërs roepen zij nu hier de hulp in van de Egyptenaren en Rabsake werpt hun dit voor de voeten, 2 Koningen 18:21. Merk hier nu op:
I. Hoe deze hun zonde beschreven wordt, en wat er in was, dat God tergde en tot toorn verwekte. Toen zij zich in gevaar en benauwdheid zagen:
A. Wilden zij niet te rade gaan met God. Zij wilden hun eigen zin volgen, en God niet om raad vragen, hoewel zij het gerede en onfeilbare middel hadden om het te doen, door urim of profeten. Zij waren zo overtuigd van de wijsheid van hun eigen maatregelen, dat zij het nodeloos vonden om het orakel te raadplegen. "Zij nemen raad onder elkaar, maar zij vragen Mij niet om raad en nog veel minder zouden zij een raad van Mij aannemen. Zij bedekken zich met een bedekking-zij dachten zich te beveiligen onder deze of die beschutting, welke dienen kon om hen te beschermen tegen het geweld van een storm, -Maar niet uit Mijn Geest," -niet zulk een, als God door Zijn Geest in de mond van de profeten, hun aanwees-en daarom zal die bedekking te kort blijken te wezen en een toevlucht van de leugenen."
B. Zij konden niet op God vertrouwen. Zij achtten het niet genoeg God aan hun zijde te hebben, noch hebben zij er zich het minst om bekommerd om Hem tot hun vriend te maken, maar zij versterkten zich met de macht van Farao, zij achtten dat hij een machtige bondgenoot was, en twijfelden niet of zij zouden met goed gevolg tegen de Assyriër kunnen strijden, indien hij aan hun zijde was. De schaduw van Egypte- en het was slechts een schaduw-was hun bedekking, waarin zij zich hulden.
II. Wat het kwaad was van deze zonde.
A. Het stempelde hen als afvallige kinderen, en als zodanig wordt hier een wee tegen hen uitgesproken, vers 1. Naar belijdenis waren zij Gods kinderen, maar dewijl zij niet op Hem vertrouwden, worden zij terecht gebrandmerkt als afvalligen, of rebellen, want als wij Gods voorzienigheid wantrouwen, dan wijken wij af van onze trouw aan Hem.
B. Zij doen zonde tot zonde. Het was zonde die benauwdheid over hen deed komen, en toen hebben zij, inplaats van zich te bekeren, van de overtredingen tegen de Heere nog meer gemaakt 2 Kronieken 28:22. En zij, die misbruik hebben gemaakt van Gods zegeningen door ze tot voedsel te maken voor hun lusten, maakten evenzo misbruik van hun beproevingen, door ze tot voorwendsel te maken van hun wantrouwen van God, en zo gingen zij van kwaad tot erger, voegden zonde tot zonde, en gelijk zij, die dit doen, hun eigen keten zwaarder maken, zo is het rechtvaardig in God om hun plagen wonderlijk te maken. Hetgeen dit nu nog verzwaarde, was:
a. Dat zij zoveel moeite deden om de Egyptenaren aan hun zijde te krijgen, zij gaan om af te trekken in Egypte, reizen heen en weer om er een voordelige weg heen te vinden, maar zij vragen Mijn mond niet, bekommeren er zich niet om of God dit al of niet zou goedkeuren en toestaan. b. Dat zij daar zo grote onkosten voor maakten, vers 6. Zij beladen de beesten van het zuiden (paarden die gehaald waren uit Egypte, dat ten zuiden van Judea lag) met hun schatten, daar zij waanden-zoals gewoonlijk het geval is met mensen, die in angst zijn- dat zij overal veiliger zouden zijn dan waar zij waren. Of zij zonden hun schatten daarheen, om er Farao's hovelingen mee om te kopen om hun belangen te dienen, of als soldij voor hun leger. God zou hen gratis geholpen hebben, maar als zij hulp willen hebben van de Egyptenaren, dan moeten zij haar duur betalen, en daartoe schijnen zij bereid te zijn. De schatten die aldus besteed worden, zullen weinig voordeel opleveren. Zij voerden hun goederen naar Egypte door een land, (aldus kan het gelezen worden) van angst en benauwdheid, de "grote en vreeslijke woestijn die tussen Kanaän en Egypte lag, waar de vurige slangen en scorpioenen zijn," Deuteronomium 8:15. Zij wilden het wagen om door deze gevaarlijke woestijn heen te gaan, en hun bezittingen naar Egypte te brengen. Of, het kan bedoeld zijn van Egypte zelf, dat voor Israël een diensthuis was geweest, en daarom een land van angst en van de benauwdheid wordt genoemd, en waar zeer veel roofdieren en venijnige dieren gevonden werden. Zie in welke gevaren de mensen zich begeven, die God verlaten, en aan welke gevaren zij zich blootstellen in hun vleselijk vertrouwen op mensen, en hun verwachtingen van het schepsel.
III. Wat er de gevolgen van zijn zullen.
A. De Egyptenaren zullen hun gezanten ontvangen, vriendelijk tot hen spreken, en zich bereid tonen om met hen te onderhandelen vers 4. Zijn vorsten zullen geweest zijn te Zoan aan Farao's hof aldaar, en zij hebben een audiëntie gehad bij de koning, om hen aan te moedigen, om op zijn vriendschap te rekenen, en op de hulp, die hij hen zenden zou. Maar
B. Zij zullen niet beantwoorden aan hun verwachtingen, zij konden hun van geen nut of voordeel zijn, vers 5. Want God zegt: het volk zal hun geen nut doen, vers 6, en ieder schepsel is datgene voor ons, -en niets meer-wat Hij het voor ons doet zijn, hetzij dat de troepen, waarvan zij hen zouden voorzien, niet bijtijds op de been gebracht konden worden, of dat zij, toen zij aangewezen waren, niet geschikt bleken te zijn voor de dienst, en zij geen van hun beproefde, ervaren troepen voor deze expeditie wilden afstaan, of dat de mars zolang was, dat zij niet konden aankomen op het ogenblik, dat er behoefte aan hen was, of de Egyptenaren zouden niet van harte voor Israël zijn meer om de ene of andere reden heimelijk de Assyriërs zijn toegedaan, Egypte zal ijdellijk en tevergeefs helpen, vers 7. Zij zullen hinderen en schade doen in plaats van te helpen. En daarom:
C. Zullen zij, die nu zo verzot zijn op de Egyptenaren, zich ten laatste over hen schamen, over hen en over al hun verwachtingen van en hun betrouwen op hen, vers 3, De sterkte van Farao, die ulieder roem was, zal ulieden tot schaamte zijn. Al uw naburen zullen u uw dwaasheid verwijten van er op vertrouwd te hebben, en gij zult het u ook zelf verwijten. En de schaduw van Egypte, het land, dat schaduwachtig is, Hoofdstuk 18:1, dat uw vertrouwen was zal ulieden tot schande zijn, het zal u niet slechts teleurstellen en de oorzaak zijn van uw schande, maar het zal al uw andere steunselen verzwakken, en een oorzaak van onheil voor u wezen." Later dreigt God het verderf van Egypte om deze zaak, omdat zij trouwelooslijk met Israël hadden gehandeld, omdat zij hun een gebroken rietstaf geweest zijn, Ezechiël 29:6,7. De vorsten en gezanten van Israël, die zo sterk aandrongen op een verbond met hen, zullen, als zij zich onder hen zullen bevinden, zoveel van hun zwakheid of liever van hun laagheid zien, dat zij allen beschaamd zullen zijn wegens een volk dat hun geen nut kan doen, noch hun tot hulp noch tot voordeel kan zijn, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal, vers 5. Zij, die vertrouwen op God, op Zijn macht, Zijn voorzienigheid en belofte, zullen nooit beschaamd worden in hun hoop. maar zij, die in enigerlei schepsel vertrouwen stellen, zullen het vroeg of laat een schande en smaadheid voor hen bevinden. God is waarachtig en kan vertrouwd worden, maar alle mensen zijn leugenachtig en moeten gewantrouwd worden. De Schepper is een Rots der eeuwen, het schepsel is een gebroken rietstaf. Wij kunnen van de mens niet te weinig verwachten en niet te veel van God.
IV. De toepassing van dit alles, vers 7. "Daarom heb ik hierover, over dit plan van hen- geroepen, Ik heb het verkondigd, opdat allen er kennis van zouden nemen, ik heb er op aangedrongen als iemand, die in ernst is. Stilzitten zal hun sterkte zijn, stilzitten in nederig vertrouwen op God en Zijn goedheid en in kalme onderworpenheid aan Zijn willen zich niet beroeren door allerlei pogingen om van dit of dat schepsel hulp te verkrijgen." Als wij in de dag van de benauwdheid stilzitten, rustig hopende en wachtende op het heil des Heeren, en alleen van geoorloofde regelmatige middelen gebruik maken tot onze behoudenis dan zal dit de sterkte zijn van onze ziel, beide tot dienen en tot lijden, en dan zal de kracht Gods ons ten dienste doen zijn. Wij verzwakken ons en brengen God er toe om zich van ons terug te trekken, als wij vlees tot onze arm stellen, want dan wijkt ons hart van de Heere af. Als wij ons vermoeid hebben door hulp te zoeken bij schepselen, dan zullen wij bevinden dat het beste middel om ons te verkwikken daarin bestaat, dat wij rusten in de Schepper: hier ben ik, Hij doe met mij wat goed is in Zijn ogen.