Jesaja 62:6-9
Twee dingen worden hier Jeruzalem beloofd.
I. Overvloed van genademiddelen, overvloed van goede prediking en goede gebeden, vers 6, 7. Dit toont welke weg God volgt als Hij Zijn volk barmhartigheid bewijst, Hij brengt hen eerst tot hun plicht en stort de Geest van de gebeden over hen uit en geeft hun daarna heil. Er wordt voorziening gemaakt.
1. Dat de dienaren hun plicht als wachters vervullen. Hiervan wordt gesproken als van een teken ten goede, als een stap naar barmhartigheid en een eersteling daarvan dat Hij, neer aanleiding van hetgeen Hij voor hen bestemd heeft wachters op Jeruzalems muren gesteld heeft die al de dag en al de nacht niet zullen zwijgen. De dienaren zijn wachters op de muren van de kerk, want die is als een belegerde stad, wier belang het is schildwachten op de wallen te hebben, om kennis te nemen van en te waarschuwen tegen alle bewegingen des vijands. Het is noodzakelijk dat zij als wachters waakzaam en getrouw zijn en gewillig alle moeiten verdragen. Er wordt geëist dat-zij dag en nacht op hun post zijn, zij mogen hun plaats niet verlaten zolang de zielen over welke zij waken moeten, gevaar lopen. Zij mogen nooit zwijgen, zij moeten alle gelegenheden gebruiken om zondaren te waarschuwen, tijdig, ontijdig, en zij mogen nooit de zaak van Christus verraden door schandelijk en lafhartig zwijgen. Zij mogen nooit zwijgen voor de troon van de genade, zij moeten bidden en niet moede worden, gelijk Mozes de handen ophief en die niet liet zinken totdat Israël de overwinning behaald had over Amalek, Exodus 17:10, 12.
2. Het volk moet zijn plicht doen. Zij die de naam des Heeren vermelden, moeten ook nooit zwijgen, en niet denken dat het genoeg is als hun wachters bidden, maar zij moeten voor zichzelf bidden. Dat alles zal niet te veel zijn om de naderende genade met eerbied te ontmoeten.
a. Het is het kenmerk van Gods belijdend volk dat zij melding maken van de Heere, en daarmee ook voortgaan in slechte tijden, als het land verlaten en verwoest is. Zij moeten des Heeren doen gedenken (de gedenktekenen des Heeren zijn), zij herinneren zichzelf aan de Heere en brengen Hem in gedachtenis bij anderen.
b. Gods belijdend volk moet een biddend volk zijn, moet bidden in het openbaar, moet met God worstelen in het gebed en daarin volharden. Zwijgt niet, blijft nooit ten achter en wordt niet vermoeid in deze plicht. Geef hem geen rust, doe gelijk de onbeschaamde bedelaar, gelijk de weduwe die met haar voortdurend komen de onrechtvaardige rechter eindelijk het woord brak. God zei tot Mozes: Laat Mij toe (laat Mij los). En Jakob sprak tot Christus: Ik zal u niet laten gaan tenzij Gij mij zegent, Genesis 32:26.
c. Het is er zover vandaan dat het God mishaagt als wij bij Hem aanhouden, gelijk met mensen gewoonlijk het geval is, dat Hij er toe uitnodigt en het aanmoedigt. Hij gebiedt ons tot Hem te roepen, Hij is niet gelijk de discipelen die een smekeling afschrikten, Mattheus 15:23. Hij spoort ons aan om dringend voor de troon van de genade te pleiten en Hem geen rust te geven, Lukas 11-5, 8. Hij wil niet alleen dat wij tot Hem luidden, maar dat wij met Hem worstelen.
d. De openbare welvaart en voorspoed van Gods Jeruzalem moet ons voor de troon van de genade boven alles ter harte gaan, wij moeten bidden om het heil van de kerk. Ten eerste: dat zij veilig moge zijn, dat Hij haar bevestige, dat de belangen van de kerk verzekerd mogen zijn voor het tegenwoordige en voor de toekomst.
Ten tweede: dat zij groot moge zijn, een lof van de aarde, dat is dat zij moge geprezen worden en God in haar. Wanneer de waarheden des Evangelies opgehelderd worden en overwinnen, wanneer de Evangelische instellingen behoorlijk haar zuiverheid en kracht bediend worden, wanneer de kerk uitstekend wordt voor heiligdom en liefde, dan is Jeruzalem een lof van de aarde, dan heeft ze een goeden naam.
e. Wij moeten aanhouden in onze gebeden om genade voor de kerk tot de genade komt, wij moeten doen als de dienstknecht van de profeet, zeven maal gaan totdat de wolk als eens mans hand verschijnt 1 Koningen 18:44.
f. Het is een goed teken dat God tot Zijn volk komt in de weg van de genade, indien Hij over hen de Geest des gebeds uitstort en hen opwekt om krachtig en volhardend te zijn in hun smekingen.
II. Overvloed van andere goede dingen, vers 8. Dit volgt op het voorgaande, wanneer het volk God prijst, wanneer al de volken Hem prijzen, dan zal de aarde haar gewas geven, Psalm 67:5,6. Uitwendige zegeningen zullen Jeruzalem, als kroon op haar getrouwheid, maken tot een lof van de aarde.
Merk op:
1. De grote droefheid waarin zij geweest waren, en de verliezen, die zij geleden hadden. Hun koren was spijs voor hun vijanden geworden, waarvan zij hoopten dat het hen en hun gezinnen voeden zou. Hier was een dubbele grief: dat zij zelf gebrek hadden aan hetgeen zij nodig hadden om in het leven te blijven en in gevaar waren bij gebrek daaraan van honger om te komen, en dat hun vijanden daardoor versterkt werden, hun leger er van voorzien hadden en zo zoveel beter in staat waren om hun kwaad te doen. God wordt gezegd hun koren aan hun vijanden te geven, omdat Hij dat niet alleen toeliet maar het zo beschikte als een rechtvaardige straf voor hun misbruik van de overvloed en hun gehechtheid aan de vreemden, Hoofdstuk 1:7. De wijn, waaraan zij gearbeid hebben en die zij in hun droefenis nodig hadden om hen op te wekken, die een bezwaard hart hadden, dronken de vreemden naar hartelust. Dit zware oordeel was hen voor hun zonden bedreigd, Leviticus 26:16, Deuteronomium 28:33. Zie hoe onzeker onze aardse gemakken zijn en hoe verstandig het is om te werken om de spijs die niet vergaat.
2. De grote volheid en voldoening, waartoe zij nu hersteld zouden worden, vers 9. Die het inzamelen zullen, zullen het eten en zij zullen de Heere prijzen. Zie hier.
A. Gods barmhartigheid in het geven van overvloed en vrede om die te genieten, dat de aarde haar gewas geeft, dat er handen zijn om het in te zamelen, dat zij niet door ziekte en ongelukken daarin verhinderd of in de oorlog gebruikt moeten worden, dat vreemden en vijanden niet komen en het voor zichzelf wegnemen, of het ons ontroven als wij het ingezameld hebben, dat wij eten de arbeid onzer handen en het brood ons niet uit de mond gestoten wordt, en vooral dat wij gelegenheid en een hart hebben om God er door te vereren, en dat Zijn voorhoven voor ons open zijn en wij niet verhinderd worden Hem daarin te ontmoeten. B. Onze plicht in het genieten van deze genade. Wij moeten met zorg en vlijt vergaderen hetgeen God ons geeft, wij moeten het gerust en blijmoedig eten, de giften van Gods goedheid niet opstapelen maar er gebruik van maken. Wij moeten, wanneer wij eten en verzadigd worden, de Heere zegenen, Hem dankzeggen voor Zijn goedheid jegens ons, en wij moeten Hem dienen met onze overvloed, die gebruiken in werken van godsvrucht en weldadigheid, eten en drinken in de voorhoven van Zijn heiligdom, waar het altaar, de priester en de arme er hun deel van ontvangen Het grootste genot dat een Godvrezende heeft van zijn spijs en drank is dat die hem voorzien van spijsoffer en drankoffer voor de Heere zijn God, Joël 2:14, het grootste genot dat hij van zijn bezittingen heeft is dat zij hem in staat stellen om God te verheerlijken en zijn naasten wel te doen. De wijn moet gedronken worden in de voorhoven des Heeren, met matigheid en ingetogenheid voor Gods aangezicht.
3. De plechtige bevestiging van deze belofte. De Heere heeft gezworen bij Zijn rechterhand en bij de arm van Zijn sterkte, dat Hij dit voor Zijn volk doen zal. God bevestigt het met een eed, opdat Zijn volk dat op Hem en op Zijn woord vertrouwt, "een sterke vertroosting moge hebben", Hebreeën 6:17, 18. En omdat Hij niemand meerder heeft om bij te zweren zweert Hij bij zichzelf, soms bij Zijn wezen. "Ik leef," Ezechiël 33:1 , soms bij Zijn heiligheid Psalm 89:35 , hier bij Zijn macht, Zijn rechterhand, welke in het zweren opgeheven werd. Deuteronomium 32:40, en de arm van Zijn sterkte. Het is een grote geruststelling voor hen, die hun hoop op Godsbeloften gevestigd hebben dat zij er zeker van zijn dat Hij machtig is ook te doen hetgeen Hij beloofd heeft, Romeinen 4:21. Om ons daarvan te verzekeren heeft Hij gezworen bij Zijn sterkte zich beroepende op de algemene bekendheid van Zijn almacht. Indien Hij het niet volbrengt, dan mag gezegd worden: Dat is omdat Hij niet kon! hetgeen de Egyptenaren nooit zullen zeggen, noch iemand anders. Numeri 14:16. Het is de troost van Gods volk, dat Zijn macht voor hen te werk gesteld wordt, Zijn rechterhand, aan welke de Middelaar gezeten is.