Jesaja 64:1-5
Hier is:
I. Het gebed dat God nu wonderlijk voor hen verschijnen mocht, vers 1,2. In het slot van het voorgaande hoofdstuk was hun toestand als zeer ellendig en zeer hard voorgesteld, en daarom was het nu tijd om te roepen: Help Heere, toon Uw ijver en Uw sterkte! Zij hadden gebeden, Hoofdstuk 63:15, dat God van de hemel wilde nederzien, hier bidden zij Hem om neer te komen tot hun verlossing, gelijk Hij gezegd had, Exodus 3:18.
1. Zij begeren dat God Zich in Zijn voorzienigheid wil openbaren aan en voor hen. Wanneer God enige buitengewone verlossing voor Zijn volk bewerkt. Wordt van Hem gezegd dat Hij verschijnt, dat Hij Zijn sterkte toont. Zo ook hier, zij bidden Hem de hemelen te scheuren en neer te dalen, gelijk toen Hij David verloste en van Hem gezegd wordt dat Hij de hemelen boog en nederkwam, Psalm 18:10, om op buitengewone wijze Zijn macht, Zijn gerechtigheid en Zijn goedheid te tonen, zodat allen die zien en erkennen konden. Dit begeert Gods volk hier en het bidt er om, zij zelf hebben het voorrecht gehad te zien dat Zijn weg was in de zee. zij verlangen dat anderen Hem zien mogen als Zijn weg in de wolken is. Dit is toepasselijk op de wederkomst van Christus, wanneer de Heere zelf zal nederdalen van de hemel met een geroep: Kom, Heere Jezus, kom haastelijk!
2. Zij begeren dat Hij alle tegenstand overwinnen zal, opdat de weg Hem bereid worde, dat de bergen van voor Zijn aangezicht mogen vervlieten, dat het vuur van Zijn toorn zo hevig tegen zijn vijanden moge branden dat zelfs de rotsen en bergen er door zouden opgelost worden en wegsmelten, gelijk metaal in een fornuis waar het vloeibaar gemaakt en in de vorm gegoten wordt, die de smelter verkiest, gelijk een smeltoven brandt, vers 2. De dingen mogen in de smeltkroes geworpen worden, zodat er een heerlijke omkeer ten gunste van de kerk ontstaat, gelijk het vuur de wateren doet opbobbelen. Sommigen zien hierin een zinspeling op de vuurspuwende bergen, die soms zulke stromen van lava uitwerpen, dat de aangrenzende rivieren en meren er van koken, hetgeen beschouwd kan worden als een levendige voorstelling van de macht van Gods toorn en als voorspel van de aanstaande wereldbrand.
3. Zij begeren dat dit zeer veel moge bijdragen tot de heerlijkheid en eer van God, Zijn naam bekend maken, niet alleen aan Zijn vrienden (die kenden Zijn naam reeds en vertrouwen op Zijn macht) maar evenzo aan Zijn tegenstanders, opdat die het mogen erkennen en voor Zijn aangezicht beven en zeggen zullen evenals de inwoners van Beth Semes: Wie kan staan voor de heilige Heere God? Wie kent de sterkte Zijns toorns? Vroeger of later zal God Zijn naam aan Zijn wederpartijders bekend maken en hen dwingen om voor Zijn aangezicht te beven, die niet wilden komen en Hem aanbidden. Indien Gods naam geen sterke toren voor ons is, waarheen wij mogen lopen en behouden worden, dan zal Hij een sterkte tegen ons zijn, buiten welker bereik wij niet zullen kunnen vlieden en ons redden. De dag zal komen waarop de volken beven zullen voor Gods tegenwoordigheid, al zijn zij nog zo talrijk en krachtig.
II. Zij pleiten er op dat God vroeger ook wondervol voor Zijn volk verschenen is, en: Gij hebt het gedaan, Gij zult het dus doen, is een goede pleitgrond voor de troon van de genade, Psalm 10:17.
1. Zij beroepen zich op hetgeen Hij voor Zijn volk Israël gedaan heeft, voornamelijk toen Hij hen uit Egypte leidde, vers 3. Hij heeft toen vreselijke dingen gedaan in de plagen van Egypte, dingen die zij niet verwacht hadden, zij wanhoopten aan de verlossing, zij waren ver van enige gedachte verlost te worden door zo'n hoge hand en uitgestrekten arm. Toen Hij nederkwam op Sinai in zulke majesteit dat die berg en de aangrenzende bergen vluchtten voor Zijn aangezicht en sprongen als rammen, Psalm 114:4, zo beefden dat zij verstrooid werden en de eeuwige hemelen zich bogen, Habakuk 3:6. In de vele grote verlossingen, die God voor Zijn volk wrocht deed Hij vreselijke dingen, die zij niet verwacht hadden, Hij deed grote mannen, die zo statig en sterk als bergen schenen te zijn voor hun aangezicht vallen, en grote tegenstand op houden. Zie Richteren 5:4, 5, Psalm 68:7, 8. Sommigen passen dat toe op de vernietiging van Sanherib's leger die zo'n verrassend voorbeeld van de goddelijke macht was, als het smelten van rotsen en bergen maar kon zijn.
2. Zij pleiten op hetgeen God in het algemeen gewoon was voor Zijn volk te doen en op Zijn te kennen gegeven gunstrijk voornemen om verder te doen. De voorziening, die Hij gemaakt heeft voor de veiligheid en het geluk van Zijn volk en voor allen die Hem zoeken, dienen en op Hem vertrouwen, is zeer groot en zeer gereed, zodat zij nooit behoeven te vrezen daarin teleurgesteld te zullen worden, want zij is zeker en voldoende.
A. Zij is zeer groot en rijk, vers 4. Van ouds heeft men het niet gehoord of gezien wat God doen zal die die op Hem wacht. Zie het kenmerk van Gods volk.
a. Zij zijn het die Hem verwachten in de weg van plicht, wachten op de verlossing, die Hij hun beloofd en voor hen bestemd heeft. Zie waarin het geluk van dit volk begrepen is, in hetgeen God voor hen bereid heeft, wat Hij voor hen vastgesteld heeft in Zijn raad en voor hen bereidt in Zijn voorzienigheid en genade, en waar Hij hen voor bereidt hetgeen Hij deed en zal doen, zo kan men lezen. Sommigen van de Joodse geleerden menen dat deze zegeningen zijn bewaard voor de dagen van de Messias, en de apostelen halen deze woorden aan, terwijl anderen er bij denken aan de heerlijkheid van de toekomende wereld. Het is al het goede dat God weggelegd heeft voor degenen, die Hem vrezen en gewrocht voor negenen, die op Hem vertrouwen, Psalm 31:19. Daarvan wordt hier gezegd dat van het begin van de wereld, van de eerste en vroegste eeuwen af, niemand door gehoor of gezicht tot volle kennis daarvan gekomen is. Niemand dan God zelf heeft gezien of gehoord, of kan verstaan, welke voorziening gemaakt is voor de tegenwoordige en aanstaande gelukzaligheid van heilige zielen. Veel daarvan was in vroegere jaren verborgen, zij kenden die niet, omdat de onnaspeurlijke rijkdom van Christus verborgen was in God, en God Hem verborgen hield voor de wijzen en geleerden. Maar in de latere eeuwen werd Hij geopenbaard door het Evangelie, zoals de apostel zegt, 1 Corinthiers 2:9, want daarop volgt in vers 10 :Maar God heeft het ons geopenbaard door Zijn Geest (verg. Romeinen 16:25, 26 met Efeziers 3-9). Hetgeen men van ouds niet had gehoord, zou gehoord worden voor het einde van de wereld, dan zou men het zien, wanneer de sluier verscheurd zou zijn om de heerlijkheid in te leiden die nu geopenbaard is. God zelf wist wat Hij bereid had voor de gelovigen, maar niemand anders wist het.
b. Door het menselijk verstand kan het niet ten volle begrepen worden, ook niet nu het is geopenbaard, het is geestelijk en ontdaan van de denkbeelden, die wij meest geneigd zijn in deze zinnelijke wereld te koesteren-het is zeer groot en gaat daarom al onze verwachtingen verre te boven. Zelfs de tegenwoordige vrede van de gelovigen, en nog veel meer hun toekomstige zegen overtreft alle voorstelling en verwachting, Filippenzen 4:7. Niemand kan het begrijpen dan God zelf, Wiens verstand oneindig is. Sommigen lezen deze woorden enigszins anders en maken ze toepasselijk niet zozeer op het werk als op de bewerker er van. Geen oog heeft een God gezien gelijk Gij zijt, die dat doet, (of heeft gedaan en doen kan) voor degenen die Hem verwachten. Wij moeten besluiten uit de werken van Gods wondervolle genade, zowel als uit die van uit Zijn wonderbare macht, uit de vriendelijke dingen, zowel als uit de grote dingen, die hij doet, dat er is geen God gelijk Hij, noch enige God onder de zonen van de machtigen, die bij Hem vergeleken kan worden.
B. Het is zeer gereed, vers 5. Gij ontmoet de vrolijke en die gerechtigheid doet: Gij ontmoet hen met het goede, dat Gij voor hen bereid hebt, vers 4, en Gij, Gij vergeet niet die U gedenken in hun wegen. Zie hier welke gemeenschap er is tussen een genadig God en een begenadigde ziel.
a. Wat God van ons verwacht opdat wij gemeenschap met Hem kunnen hebben.
Ten eerste. Wij moeten nauwgezet zijn in het betrachten van onze plicht in alle opzichten, wij moeten de gerechtigheid werken, ons verlustigen in God, doen hetgeen goed is en hetgeen de Heere God van ons eist en zo goeddoen.
Ten tweede. Wij moeten gaarne onze plicht doen, wij moeten ons verheugen en de gerechtigheid doen, vrolijk zijn in God en in Zijn wet, vrolijk in Zijn dienst en zingen bij ons werk. God heeft de blijmoedige gever en de blijmoedige aanbidder lief. Wij moeten de Heere dienen met blijdschap.
Ten derde. Wij moeten ons schikken naar al de wegen van Zijn voorzienigheid met ons en er dus mee verenigd zijn, wij moeten Hem in al onze wegen gedenken in alle wegen waarin Hij wandelt, zelfs als Hij in tegenheid met ons wandelt. Wij moeten van Zijn gedenken en van Hem melding maken met dankzegging, wanneer Zijn wegen van barmhartigheid zijn, in de dag van voorspoed vrolijk zijn, met geduld en onderwerping wanneer Hij met ons twist. In de weg van Uw gerichten hebben wij op U gewacht, en in de dag van de gerichten moeten wij opletten.
b. Ons wordt gezegd wat wij van God mogen verwachten, wanneer wij Hem zo tegemoet gaan in de weg van plicht. Gij ontmoet Hem. Dit duidt vriendschap, gemeenschap en gemeenzaamheid aan, welke God Zijn volk toestaat. Hij ontmoet hen, om met hen om te geen, zich aan hen te openbaren, en hun smekingen in ontvangst te nemen, Exodus 20:24, 29:43. Het duidt evenzeer aan Zijn bereidwilligheid om hen goed te doen. Hij wil hen voorkomen met de zegeningen van Zijn goedheid-Hij zal zich verheugen in goed doen aan hen die zich verheugen in het werken van de gerechtigheid, en genadig zijn voor hen die op Hem wachten. Hij ontmoet Zijn boetvaardig volk met vergeving, gelijk de vader de verloren zoon bij zijn terugkeer ontmoette, Lukas 15:20.
3. Zij pleiten op de onveranderlijkheid van Gods gunst en de vastheid van Zijn belofte, niettegenstaande de zonde van Zijn volk en Zijn misnoegen tegen hen om hun zonden. Zie, Gij waart verbolgen omdat wij gezondigd hebben, en wij zijn onder de tekenen van Uw toorn geweest, maar in deze, in deze Uw wegen, de wegen van Uw barmhartigheid, hebben wij Uwer gedacht, want in dezelve is de eeuwigheid, of: in deze zijt Gij voor eeuwig, Zijn barmhartigheid duurt in eeuwigheid, en daarom zullen wij ten slotte gered worden, of schoon Gij toornig waart omdat wij gezondigd hadden. Dit komt overeen met de inhoud van het verbond dat, indien wij de wet verlaten, Hij onze overtredingen zal bezoeken met de roede, maar Zijn goedertierenheid niet van ons zal wegnemen, Psalm 89:31. En daardoor is Zijn volk menigmaal van de ondergang gered, wanneer zij op de rand daarvan waren, zie Psalm 78:38. En door deze onwankelbaarheid van het verbond hopen wij zalig te worden, want al onze zaligheid is gelegen in een eeuwig verbond. Ofschoon God toornig op ons geweest is om onze zonden, en dat rechtvaardig, duurt Zijn toorn slechts een ogenblik en is spoedig voorbij, maar in Zijn gunst is het leven, want die duurt in eeuwigheid. In de wegen van Zijn gunst blijft Hij voortgaan, en daarop vertrouwen wij voor onze zaligheid, Hoofdstuk 54:7, 8. Het is goed voor ons dat onze hoop op zaligheid niet is gebouwd op enige verdiensten of geschiktheid onzerzijds, -want daarin is geen zekerheid, evenals Adam niet in Zijn onschuld bleef, maar op Gods barmhartigheden en beloften, want in deze is de eeuwigheid.