Jesaja 61:1-3
Hij, die de beste uitlegger van de Schrift is heeft ons zonder twijfel de beste uitlegging van deze verzen gegeven, namelijk onze Heere Jezus zelf, die ze in de synagoge te Nazareth voorlas (waarschijnlijk als tekst van de dag) en ze geheel op zichzelf toepaste, met de woorden: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld", Lukas 4:17, 18,21, en door de aangename woorden die uit Zijn mond voortkwamen bij de opening van deze tekst, zodat allen die ze hoorden zich er over verwonderden. Gelijk Jesaja gemachtigd en gezonden werd om vrijheid aan de Joden in Babel toe te zeggen, zo was Christus, de handeling Gods, gekomen om een veel blijder boodschap aan een verloren wereld te brengen. Hier wordt ons gezegd:
I. Hoe Hij bereid en bekwaamd werd voor Zijn werk.
De Geest des Heeren Heeren is op mij, vers 1. De profeten werden bij tijden door de Geest Gods bewogen, die hen onderrichtte wat zij zeggen moesten en opwekte om het te doen. Op Christus rustte de Geest voortdurend zonder mate, met dezelfde bedoeling als bij de profeten als een Geest des raads en van de sterkte, Hoofdstuk 11:1 -3. Toen Hij Zijn profetische bediening begon, daalde de Geest als een duif op Hem neer, Mattheus 3:16. Deze Geest, die op Hem was, deelde Hij mee aan hen, die hij uitzond om de blijde boodschap te verkondigen, door tot hen te zeggen: Ontvangt de Heiligen Geest.
II. Hoe Hij daartoe gezalfd en aangesteld werd. De Geest des Heeren Heeren is op Mij omdat de Heere mij gezalfd heeft. Tot de dienst waartoe God Hem riep, bekwaamde Hij Hem, daarom schonk Hij Hem de Geest, opdat Hij door een geheiligde en plechtige handeling zou afgezonderd worden tot deze grote dienst, gelijk koningen en priesters van ouds door zalving tot hun roeping gewijd werden. Daarom werd de Verlosser, de Messias, de Christus, genoemd omdat Hij gezalfd was met olie van de vreugde boven Zijn medegenoten. Hij heeft Mij gezonden, de Heere Jezus ging niet ongebonden Hij had een zending van Hem, die de fontein van alle macht is. De Vader zond Hem en gaf Hem bevel. Dit is grote voldoening voor ons, volgens hetgeen Christus gezegd heeft, had Hij een hemelse machtiging, Zijn leer was de Zijne niet, maar desgenen die Hem gezonden had.
III. Tot welk werk Hij was aangewezen en geordend.
1. Hij zou een prediker zijn en meest als profeet optreden. Zozeer behaagde Hem de goedgunstigheid Gods, die door Zijn zending aan de mensen betoond werd, dat hij gaarne daarom zelf de verkondiger zijn wilde, opdat daardoor eer zou gelegd worden op de bediening van het Evangelie en het geloof van de heiligen zou worden versterkt en aangemoedigd. Hij moest een blijde boodschap brengen (dat betekent het woord Evangelie) aan de zachtmoedigen, aan de berouwhebbenden en nederigen en de armen van geest. Voor hen was het nieuws van een Verlosser inderdaad een blijde boodschap, zuiver Evangelie, een getrouw woord en aller aanneming waardig. De armen zijn gewoonlijk het meest bereid om het Evangelie aan te nemen, Jakobus 2:5, en het zal ons waarlijk goeddoen indien wij het ontvangen met zachtmoedigheid, gelijk het behoort. Aan dezulken predikte Christus het Evangelie, toen Hij zei: Zalig zijn de zachtmoedigen.
2. Hij zou een heelmeester zijn. Hij werd gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, zoals pijnlijke leden verbonden worden om hun rust te geven, gebroken beenderen en bloedige wonden gezet en verbonden worden om weer te kunnen sluiten en genezen. Zij, wier harten gebroken zich over hun zonden en die waarlijk verootmoedigd zijn onder het gevoel van schuld en van vrees voor de toom worden door het Evangelie van Christus voorzien van hetgeen hen tot kalmte zal brengen en hun vrees wegnemen zal. Alleen zij die de smart van de boetedoening ondervonden hebben, kunnen het genot van de goddelijke vertroosting verwachten.
3. Hij zou een bevrijder zijn. Hij werd gezonden als profeet om te prediken, als priester om te genezen, als koning om bekendmakingen van tweeërlei aard te doen.
a. Hij zou vrede uitroepen voor Zijn vrienden, Hij zal de gevangenen vrijheid uitroepen (gelijk Cyrus deed voor de Joden in de gevangenschap) en de gebondenen opening van de gevangenis. Terwijl wij door onze zondeschuld gebonden zijn door de gerechtigheid Gods en Zijn wettige gevangenen zijn, verkocht voor de zonde, totdat de laatste penning zal betaald zijn, maakt Christus ons bekend dat Hij voor die schuld aan de goddelijke gerechtigheid voldoening gegeven heeft, dat Zijn voldoening aangenomen is, en dat wij, zo wij ons daarop beroepen en er op vertrouwen, en ons zoals wij zijn en met al wat wij hebben aan Hem overgeven, in dankbaarheid voor hetgeen Hij voor ons gedaan heeft, door het geloof onze vergeving mogen verkrijgen en er de troost van genieten. Er is voor ons geen verdoemenis en die zal er nooit zijn. en terwijl wij door de heerschappij van de zonde in ons slaven onder de macht des Satans en verkocht onder de zonde waren, laat Christus ons weten dat Hij de Satan overwonnen heeft, en de werken van hem die het geweld des doods had, vernietigd heeft, zodat Hij daardoor overvloedige genade verwierf om ons in staat te stellen het juk van de zonde af te schudden en de banden van onze hals los te maken. De Zoon is bereid om ons door Zijn Geest vrij te maken, en dan zullen wij waarlijk vrij zijn, niet alleen ontslagen van de ellende van de gevangenschap, maar verheven tot al de waardigheden en voorrechten van burgers. Dat is de bekendmaking van het Evangelie, het is gelijk het blazen van de bazuin van het jubeljaar, waardoor de algemene vrijlating werd afgekondigd, Leviticus 25:9, 40. En daarom wordt het hier genoemd het uitroepen van het jaar van het welbehagen des Heeren. Het is de tijd van onze aanneming door God, welke de grondslag van al onze vrijheden is. Of het wordt het jaar des Heeren genoemd, omdat het Zijn vrije genade afkondigt tot Zijn eigen eer, en een aangenaam jaar omdat het ons blijde tijding brengt. En wat kan er aangenamer zijn dan dit voor hen die de ellenden en behoeften van hun ziel kennen.
b. Hij zou uitroepen oorlog tegen Zijn vijanden. Christus roept uit de dag van de wraak onzes Gods.
Ten eerste. Tegen zonde en Satan, dood en hel, en al de machten van de duisternis, die verwoest moesten worden tot onze bevrijding. Over deze zegevierde Christus aan Zijn kruis, Hij heeft hen verzwakt, te schande gemaakt, hen in het openbaar tentoongesteld, en nam daardoor wraak op hen voor al het onrecht dat zij God en van de mensen aangedaan hadden Colossenzen 2:15.
Ten tweede. Op diegenen onder de mensen, die zulke heerlijke aanbiedingen verwerpen. Zij zullen niet slechts, gelijk zij verdienen, in hun gevangenschap gelaten worden, maar zij zullen als vijanden behandeld worden. Deze tijdingen van het Evangelie zijn samengevat in Markus 16:16. "Die geloofd zal hebben zal zalig worden," daarin wordt het aangename jaar des Heeren beloofd aan allen, die het willen aannemen. En, die niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden, daarin wordt de dag van de wraak onzes Gods afgekondigd, van de wraak die Hij nemen zal op allen die het Evangelie van Jezus Christus niet gehoorzaam zijn, 2 Thessalonicenzen 1:8. 4. Hij zou een trooster zijn, en dat is Hij als profeet, heelmeester en verlosser. Hij wordt gezonden om alle treurigen te troosten en allen die, treurende, bij Hem en niet bij de wereld troost zoeken. Christus verschaft niet alleen troost voor hen, en kondigt dat af, maar Hij past die ook toe op hen, Hij vertroost hen door Zijn Geest. Hij heeft troost genoeg om alle treurenden te troosten wat ook hun smart of droefheid moge zijn. Maar zijn troost wordt verzekerd aan de treurigen Zions, die op godvrezende wijze treuren, die droefheid hebben naar God, want Zijn woning is in Zion, die treuren over Zions onheilen en verwoesting en hun tranen daarover vermengen met een heilig medelijden met al Gods lijdend volk, al zijn zij, zelf niet ogenblikkelijk in moeite. Voor zulke tranen heeft God een fles, Psalm 56:8 voor zulke treurenden heeft Hij troost. De zegeningen van Zion zijn geestelijke zegeningen, en zo zijn de treurigen in Zion heilige treurenden, zij brengen hun klachten tot de troon van de genade (want in Zion stond de genadetroon) en storten die gelijk Hanna voor de Heere uit. Aan dezulken heeft Christus door Zijn Evangelie toegezegd en zal Hij geven door Zijn Geest, vers 3, alle vertroostingen die hen niet alleen ondersteunen, maar hun klachten veranderen in vreugdeliederen. Hij zal hun geven.
a. Sieraad voor as. Terwijl zij in as lagen, zoals de gewoonte was in grote droefheid, zullen zij niet alleen uit het stof opgericht, maar ook versierd worden. De heilige blijmoedigheid van de Christenen is hun schoonheid en een groot sieraad van hun belijdenis. Hier is een fijne woordspeling in het oorspronkelijke: Hij zal hun geven pheer (sieraad) voor epher (as).
Hij zal hun droefheid zo gemakkelijk en vlug in vreugde veranderen, als wij in een woord een letter verplaatsen, want Hij spreekt en het is er.
b. Vreugdeolie, die het aangezicht doet blinken, inplaats van treurigheid, die het voorkomen verandert en onaanzienlijk maakt. Deze vreugdeolie ontvangen de heiligen als deel van de vreugdeolie, waarmee Christus boven Zijn medegenoten gezalfd werd, Hebreeën 1:9.
c. Het gewaad des lofs. Zulke schone kleren als op feest-en dankdagen gedragen werden, inplaats van een benauwde geest, een geest van afgetrokkenheid en ingezonkenheid, openbare vreugde voor verborgen droefheid. De benauwde geest sluit zich in zichzelf op. Zions treurenden wenen in het verborgene, maar de vreugde waarmee zij beloond worden, bekleedt hen als een lofgewaad voor de ogen van anderen. Wanneer God olie van de vreugde geeft, voegt Hij er het gewaad des lofs bij. Deze vertroostingen Gods bereiden het hart en vuren het aan om Gode dank te brengen. Indien wij enige vreugde van God ontvangen, moet Hij er de lof en de heerlijkheid van hebben.
5. Hij zou een planter zijn, de Kerk is Gods lusthof. Daarom zal Hij dit alles voor Zijn volk doen, hun wonden genezen, hen uit de slavernij verlossen, hen in hun treurigheid vertroosten opdat zij genoemd zouden worden eikebomen van de gerechtigheid, een planting des Heeren, opdat zij dat zijn zullen en als zodanig erkend worden, dat zij sieraden van Gods wijngaard mogen zijn, en overvloedig vruchten van de gerechtigheid voortbrengen, gelijk takken van Gods planting, Hoofdstuk 60:21. Al wat Christus voor ons doet strekt om ons tot Gods volk te maken, en ons voor Hem op de een of andere wijze tot nuttige bomen te stellen, geplant in het huis des Heeren en bloeiende in de voorhoven onzes Gods. En dat alles opdat Hij verheerlijkt worde, opdat wij er toe gebracht mogen worden om Hem te verheerlijken door een oprechte toewijding en een voorbeeldig gedrag, -want hierin is de Vader verheerlijkt dat wij veel vrucht dragen- opdat anderen aanleiding mogen krijgen uit Gods gunst, schijnende over Zijn volk, en Zijn genade schijnende in hen, om Hem te prijzen, en opdat Hij voor eeuwig moge heerlijk worden in Zijn heiligen.