Lukas 13:23-30
Wij hebben hier:
I. Een vraag, die onzen Heere Jezus gedaan werd. Wie het was, die de vraag deed, wordt ons niet meegedeeld, of het een vriend was of een vijand, want aan beiden heeft Hij grote vrijheid gegeven om Hem te ondervragen, en Hij heeft op de bedoelingen en bedenkingen van hun hart geantwoord. De vraag was: Zijn er ook weinigen, die zalig worden? -ei oligoi hei soozomenoi, - indien de zaligen weinigen zijn? "Meester, ik heb gehoord dat Gij dit zegt, is het waar?"
1. Het was wellicht een vitzuchtige vraag. Hij stelde haar Hem voor, Hem verzoekende, met de bedoeling Hem een strik te spannen en Zijner vermaardheid afbreuk te doen. Indien Hij zou zeggen dat velen zalig worden, zouden zij Hem van loszinnigheid beschuldigen, als iemand, die de zaligheid al te gemakkelijk maakt, indien weinig, zij zouden Hem ten laste leggen al te stijf en enghartig te zijn. De Joodse leraren zeiden dat geheel Israël ene plaats in de toekomende wereld zal hebben, zou Hij dat durven tegenspreken? Zij, die een verdorven mening als ingezogen hebben, zijn gans bereid om die mening tot maatstaf te stellen, waarnaar zij aller mensen denkbeelden beoordelen, en door niets verraden de mensen meer hun onwetendheid, hun aanmatiging en partijdigheid, dan door hun oordeel over de zaligheid van anderen.
2. Het was wellicht een vraag der nieuwsgierigheid, of der bespiegeling, waarover hij onlangs met zijne metgezellen een twistgesprek heeft gehad, waarna allen overeengekomen waren om Christus er over te raadplegen. Velen zijn meer begerig te weten wie zalig zal worden en wie niet, dan wat zij moeten doen om zalig te worden. Gewoonlijk vraagt men: "Zou die en die behouden zijn?" Maar het is goed, dat wij behouden kunnen worden zonder dat te weten.
3. Wellicht was het een vraag der verwondering. Hij had opgemerkt hoe streng en stipt de wet van Christus was, en hoe slecht de wereld was, en die twee zaken vergelijkende, roept hij: "Hoe weinigen zijn er, die zalig worden!" Wij hebben reden om ons er over te verwonderen, dat van de velen, tot wie het woord der zaligheid gezonden wordt, er zo weinigen zijn voor wie het een woord der behoudenis is.
4. Het was wellicht een onderzoekende vraag: "Indien er weinigen zijn, die zalig worden, wat dan?" Welken invloed zou dit hebben op mij?" Het is voor ons allen van groot belang om ons nut te doen met de grote waarheid van het geringe aantal van hen, die zalig worden.
II. Christus' antwoord op deze vraag, dat ons toont welk gebruik wij van deze waarheid moeten maken. Onze Heiland gaf geen direct antwoord op de vraag, want Hij is gekomen om het geweten der mensen voor te lichten, niet om hun nieuwsgierigheid te bevredigen. Vraag niet: "Hoevelen zullen zalig worden?" Maar, hetzij er velen zijn of weinigen: "Zal ik een hunner wezen?" Niet: "Wat zal er worden van die of die, en wat zal die man doen?" Maar: "Wat zal ik doen, en wat zal er van mij worden?" In het antwoord van Christus hebben wij te letten op:
1. Een opwekkende vermaning en aanwijzing: Strijdt om in te gaan door de enge poort. Dit wordt gezegd niet tot hem alleen, die de vraag gedaan had, maar tot allen, tot ons, het staat in het meervoud: Strijdt gijlieden. Allen, die zalig willen worden, moeten ingaan door de enge poort, moeten een algemene verandering ondergaan, ene verandering, die op niets minder neerkomt dan op wedergeboren te worden, en zij moeten zich aan een strenge tucht onderwerpen. Zij, die door deze enge poort willen ingaan, moeten hiervoor strijden. Het is een moeilijke zaak om in den hemel te komen, een doel, dat niet zonder veel zorg en moeite bereikt wordt, en waarvoor wij ons hebben te benaarstigen. Wij moeten strijden, worstelen met God in den gebede, worstelen zoals Jakob geworsteld heeft, strijden tegen de zonde en tegen Satan. Wij moeten strijden in iedere plicht van den Godsdienst, strijden met ons eigen hart-agoonizesthe -in benauwdheid zijn, strijden als zij, die om den prijs lopen, ons tot het uiterste toe er voor inspannen.
2. Onderscheidene overwegingen, om aan die vermaning kracht bij te zetten. O dat wij er allen door opgeschrikt en opgewekt mogen worden! Het zijn overwegingen, die wèl kunnen strekken om een antwoord te geven op de vraag: Zijn er ook weinigen, die zalig worden?
a. Bedenk hoe velen er zijn, die zich wel enige moeite geven om zalig te worden, en toch omkomen, omdat zij zich niet genoeg moeite geven, en dan zult gij zeggen dat er weinigen zijn, die zalig worden, en dat het voor ons van het hoogste belang is om te strijden. Velen zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen, zij zoeken, maar zij strijden niet. De reden, waarom sommigen de genade en eer niet verkrijgen, is omdat zij het laten blijven bij een traag zoeken van datgene, hetwelk niet zonder moeizaam streven bereikt kan worden. Zij willen gaarne gelukkig zijn, en hebben een hogen dunk van heiligheid, en doen ook wel een paar goede stappen om zowel gelukkig als heilig te worden. Maar hun overtuigingen zijn zwak, zij denken niet na over hetgeen zij weten en geloven, en bijgevolg zijn hun begeerten flauw en hun pogingen zwak, en er is kracht noch standvastigheid in hun voornemens en besluiten, en zo blijven zij ten achteren, en verliezen den prijs, omdat zij niet voorwaarts streven. Christus verzekert dit op Zijn woord: Ik zeg u, en wij kunnen het op Zijn woord geloven, want Hij kent zowel de raadsbesluiten Gods, als het hart van de kinderen der mensen.
b. Denk aan den dag der onderscheiding, die aanstaande is, en aan de beslissingen van dien dag, en gij zult zeggen dat er weinigen zijn, die zalig worden, en dat het van het uiterste belang voor ons is om te strijden: De heer des huizes zal opstaan en de deur sluiten, vers 25. Christus is de Heer des huizes, die kennis zal nemen van allen, die Zijn huis bezoeken en het aanhangen, Hij zal de komenden en gaanden onderzoeken. Nu schijnt het alsof Hij de deur vrijlaat, maar de dag komt, wanneer Hij zal opstaan en de deur toesluiten. Welke deur? Een deur van onderscheiding. Binnen den tempel der gemeente zijn er thans vleselijke belijders, die in den buitensten voorhof aanbidden, en geestelijke belijders, die binnen den voorhang aanbidden. Tussen deze twee is de deur nu nog open, en zij komen bijeen voor dezelfde uitwendige verrichtingen. Maar als de Heer des huizes zal opgestaan zijn, dan zal de deur tussen hen worden gesloten, zodat zij, die in den buitensten voorhof zijn, buitengesloten kunnen blijven, overgelaten om door de heidenen te worden vertreden. Openbaring 11:2. Wat hun betreft, die vuil zijn, sluit de deur voor hen, en laat hen nog vuil zijn, en laat hen, die binnen zijn, binnen gehouden worden, opdat zij die heilig zijn, nog geheiligd worden. De deur wordt gesloten om "het kostelijke uit te trekken van het snode", en opdat de zondaars niet bestaan in de vergadering der rechtvaardigen. Dan zult gij wederkeren en tussen hen onderscheiden. Een deur der afwijzing en uitsluiting. De deur der genade is langen tijd voor hen opengebleven, maar zij wilden er niet binnentreden, wilden niets verplicht zijn aan de gunst dier deur, zij hoopten langs een anderen weg te kunnen binnen klimmen, in den hemel te komen door eigen verdienste, en daarom zal, als de Heer des huizes zal opgestaan zijn, die deur rechtvaardiglijk door Hem worden gesloten, laat hen niet denken er door binnen te gaan, maar nu hun eigen maatregelen nemen. Zo heeft God, toen Noach veilig in de ark was, de deur gesloten, om allen buiten te sluiten, die gesteund en betrouwd hebben op hun eigen toevluchtsoorden tegen den naderenden vloed.
c. Bedenk hoevelen, die er zeer gerust op waren dat zij zalig zullen worden, in den dag der toetsing verworpen zullen worden, zodat die gerustheid vals was en hen heeft misleid, en gij zult zeggen, dat er weinigen zijn, die zalig worden, en dat het voor ons allen zaak is om te strijden. Bedenk hoe verzekerd zij er van waren toegelaten te zullen worden, en hoe ver hun hoop hen had gevoerd, zelfs tot aan de poort des hemels. Daar staan zij, en kloppen, kloppen, alsof zij daar volmacht toe hadden, kloppen, alsof zij tot het huis behoorden, zeggende: "Heere, Heere, doe ons open! want wij geloven recht te hebben om binnen te komen, laat ons binnen, laat ons toe onder de zaligen, want wij hebben ons bij hen gevoegd." Velen gaan verloren door hun ongegronde hoop op den hemel, een hoop, die zij nooit in twijfel trokken, en die tot de gevolgtrekking komen dat hun staat recht is, omdat zij er nooit aan getwijfeld hebben. Zij noemen Christus Heere, alsof zij Zijne dienstknechten waren, ja, ten teken van hun aandringen, verdubbelen zij den naam, en zeggen: Heere, Heere. Zij verlangen thans in te gaan door die deur, welke zij tevoren veronachtzaamd hebben, en zouden thans gaarne onder die ernstige Christenen willen komen, die zij tevoren hebben veracht. Welken grond zij hadden voor hun betrouwen. Laat ons zien waar zij op pleiten, vers 26.
Ten eerste. Zij zijn Christus' gasten geweest, hebben vertrouwelijken omgang met Hem gehad en gedeeld in Zijne gunsten. Wij hebben in Uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, aan Uw tafel. Judas heeft brood gegeten met Christus, heeft met Hem de hand in den schotel ingedoopt. Onder den dekmantel hunner uitwendige belijdenis ontvangen de geveinsden het Avondmaal des Heeren, en hierin delen zij in het brood der kinderen, alsof zij kinderen waren. Ten tweede. Zij zijn Christus' hoorders geweest, hebben onderwijs van Hem ontvangen, waren wèl bekend met Zijne leer en Zijne wet: "Gij hebt in onze straten geleerd -een onderscheidende gunst, die aan weinigen was te beurt gevallen, en voorzeker als een onderpand mocht beschouwd worden van onderscheidende gunst voor nu, immers: Zoudt Gij ons wèl onderwijzen, maar niet zalig maken?" Hoe hun vertrouwen bedrogen zal uitkomen, en al hun pleitgronden als beuzelachtig verworpen zullen worden. Christus zal tot hen zeggen, Ik ken u niet, vanwaar gij zijt, vers 25. En wederom, vers 27, Ik zeg u, Ik ken u niet, wijkt van Mij. Hij ontkent de waarheid niet van hetgeen waarop zij pleiten, zij hadden in Zijne tegenwoordigheid gegeten en gedronken, maar niet zodra hadden zij van Zijn brood gegeten, of zij hebben de verzenen tegen Hem verheven. Hij had in hun straten geleerd, maar zij hebben Zijn onderwijs versmaad en wilden er zich niet aan onderwerpen, Daarom is het, dat Hij: Ten eerste hen verloochent:" Ik ken u niet, gij behoort niet tot Mijn gezin." De Heere kent degenen, die Zijne zijn, maar die dit niet zijn, kent Hij niet, Hij heeft niets met hen van doen.
Ik ken u niet vanwaar gij zijt. Gij behoort Mij niet, gij zijt niet van boven, gij zijt geen spruiten van Mijn huis, geen ranken van Mijn wijnstok.
Ten tweede. Hij bant hen: wijkt van Mij. Het is de hel der hel om van Christus te wijken, het hoofdbestanddeel in de rampzaligheid der verdoemden. "Gaat weg van Mijne deur, hier is niets voor u, neen, niet eens een droppel water." Ten derde. Hij beschrijft hun hoedanigheid, die de reden is van dit vonnis: Gij zijt werkers der ongerechtigheid. Dat is hun verderf, dat zij onder voorgeven van vroomheid hun verborgen zonden hebben aangehouden, en des duivels vuile werk hebben gedaan, terwijl zij Christus' livrei droegen. Hoe ontzettend hun straf zal wezen, vers 28. Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, de hoogste graad van smart en toorn. En hetgeen er de oorzaak van is en er toe bijdraagt, is het gezicht der gelukzaligheid van hen, die verlost en behouden zijn. Gij zult de patriarchen en profeten in het koninkrijk Gods zien, en zelf uitgeworpen zijn. Merk hier op: Ten eerste. Dat de Oud Testamentische heiligen in het koninkrijk Gods zijn, dezen hebben nut en voordeel gehad van den Messias, die gestorven zijn voor Zijne komst, want zij hebben van verre Zijn dag gezien en zijn er door vertroost geworden.
Ten tweede. Dat Nieuw Testamentische zondaren buiten geworpen zullen worden uit het koninkrijk Gods. Dit geeft te kennen dat zij zich zullen binnendringen, vertrouwen zullen toegelaten te worden, maar tevergeefs, zij zullen met schande buiten geworpen worden, daar zij part noch deel aan de zaak hebben.
Ten derde. Dat het gezicht op de heerlijkheid der heiligen een grote verzwaring zal zijn van de rampzaligheid der zondaren, zij zullen in zoverre het koninkrijk Gods zien, dat zij er de profeten in zullen zien, die zij gehaat en veracht hebben, en zich zelven, hoewel zij er zich zo zeker van waanden, uitgeworpen. Dat is het, waarover zij knarsetanden, Psalm 112:10..
d. Bedenk wie het zijn, die zalig zullen worden, niettegenstaande zij komen van oosten en westen, en dat de laatsten de eersten zullen zijn, vers 29, 30 Uit hetgeen Christus zei blijkt, dat weinigen zalig zullen worden van hen, van wie dit zo waarschijnlijk werd geacht, daar zij er zo goed voor op weg schenen te zijn. Maar toch moet gij niet zeggen, dat het Evangelie dan tevergeefs gepredikt is: want, hoewel Israël niet wordt vergaderd, zal Christus toch worden verheerlijkt. Uit alle delen der heidenwereld zullen er velen komen, die in deze wereld toegelaten zullen worden in het koninkrijk der genade, en in de andere wereld in het koninkrijk der heerlijkheid. Het is dus duidelijk dat wij, als wij in den hemel komen, velen zullen ontmoeten, die wij niet gedacht hebben daar te zullen vinden, en velen zullen missen, die wij stellig gedacht hebben er te zullen zien. Zij, die aanzitten in het koninkrijk Gods, zijn dezulken, die zich moeite hebben gegeven om er te komen, want zij kwamen van verre-van het oosten en het westen, van het noorden en het zuiden. Zij zijn door velerlei klimaat heengegaan, hebben zich door vele moeilijkheden en ontmoedigingen een weg gebaand. Dit toont aan, dat zij, die dat koninkrijk willen binnengaan, moeten strijden, zoals de koningin van Scheba, die van de einden der aarde is gekomen om te horen de wijsheid van Salomo. Zij, die thans in den dienst van God en Godsdienst reizen, zullen weldra in het koninkrijk Gods neerzitten om te rusten. Velen, die goed op weg schenen te zijn naar den hemel, zijn achtergebleven, en anderen, die zo ten achteren schenen te zijn, gans uit den weg schenen geworpen, zullen den prijs winnen en wegdragen, en daarom is het zaak voor ons te strijden om in te gaan. Laat ons, gelijk Paulus dit begeert voor de Joden, door den ijver der heidenen tot een heilige jaloersheid verwekt worden, Romeinen 11:14. Zal ik mij door jongeren laten voorbijstreven? Zal ik, die het eerst den loop ben begonnen en het meest nabij was, den hemel missen, als anderen, voor wie dit zoveel minder waarschijnlijk scheen, den hemel binnengaan? Indien men er komt door te strijden, waarom zou ik dan niet strijden?