Jesaja 49:7-12
In deze verzen hebben wij:
I. De vernedering en de verhoging van de Messias, vers 7. Alzo zegt de Heere, de Verlosser Israëls, zijn Heilige. Hij die altijd zorggedragen heeft voor de Joodse kerk en voor haar al deze verlossingen gewrocht heeft, die typen waren van de grote verlossing, spreekt hier tot hem, die deze verlossing tot stand brengt.
A. Hij neemt kennis van zijn vernedering, waarvan de omstandigheden buitengewoon en ongeëvenaard waren. Hij was van ieder veracht en de onwaardigste onder de mensen, Jesaja 53:2. Veracht te worden door zo'n gering schepsel als de mens, die zelf een worm is, duidt de laagste trap van vernedering en verguizing aan. De mens om wie te redden en te verheerlijken hij gekomen was, verachtte hem en overlaadde hem met schande, zo ondankbaar en verdorven waren zijn vervolgers. De versmaadheid die Hij onderging was niet het minste deel van zich lijden. Zij maakte hem niet alleen verachtelijk, maar afschuwwekkend. Hij werd de verachte ziel, aan wie het volk een gruwel had, zij behandelden hem als de slechtste van de mensen en riepen: Kruist hem, kruist hem! Het volk deed het, de heidenen zowel als de Joden, en de Joden waren hierin erger dan de heidenen, want zijn kruis was deze een ergernis en gene een dwaasheid. Hij was de "knecht dergenen die heersen," beledigd, gegeseld en als een slaaf gekruisigd. Pilatus beroemde zich op zijn macht over hem, Johannes 19:10. Aan dit alles onderwierp hij zich tot onze redding.
B. Hij belooft hem zijn verhoging. Eer werd hem bewezen, zelfs in de diepte van zijn vernedering. Herodes de koning was bevreesd voor hem, zeggende dat hij Johannes de Doper was, edelen, wetgevers, hoofdlieden kwamen en knielden voor hem. Maar dit zou veel meer vervuld worden als ook de koningen het Evangelie aannemen zouden en zijn juk op zich nemen, hem zouden aanbidden en zichzelf vazallen van Christus noemen. Niet dat Christus de rijke hoger acht dan de arme, voor hem staan ze op dezelfde hoogte, maar het is de eer van zijn koninkrijk onder de mensen, wanneer de groten van de aarde voor hem verschijnen en hem hulde brengen. Dit zal de vervulling van Gods belofte zijn, dat Hij hem de heidenen tot zijn erfdeel geven zal, en dat zal geschieden omdat de Heere getrouw is en zijn beloften vervult. Het zal het bewijs zijn dat Christus voor zijn werk een roeping had, en dat God hem had verkoren en zijn keus goedkeurde.
II. De zegeningen, welke hij in voorraad heeft voor allen, wie hij tot verlossing gemaakt is.
1. God zal hem erkennen en bijstaan in zijn werk, vers 8. In de aangename tijd heb Ik u verhoord, dat is, zal Ik u verhoren. Christus heeft in de dagen van zijn leven op aarde sterke roeping en tranen geofferd en werd verhoord, Hebreeën 5:7. Hij wist dat de Vader hem altijd hoorde, Johannes 11:42. Hij hoorde hem voor zichzelf, want ofschoon de drinkbeker hem niet kon voorbijgaan, werd hij instaat gesteld om die te drinken. Hij hoorde hem voor al de zijnen, en daarom trad hij voor hen op met gezag, "Vader, Ik wil," Johannes 17:4. En al ons geluk vloeit voort uit de belangstelling van de Vader in de Zoon, en de zekerheid bij diens tussenkomst dat de Vader hem altijd hoort. Dat maakt de tijd des Evangelies een welaangenamen tijd, een aannemelijker tijd, welkom voor ons, omdat wij door God aangenomen zijn, met Hem verzoend, Hem opgedragen, omdat God de Verlosser voor ons hoort, Hebreeën 7:25. Niet alleen zal Hij hem verhoren maar hem helpen in het volbrengen van zijn werk. De Vader was altijd met hem, aan zijn rechterhand, en verliet hem niet zoals zijn discipelen deden. Door de machten van de duisternis werden hevige aanvallen op de Heere Jezus gemaakt om hem van Zijn werk terug te schrikken, toen hun ure gekomen was, maar God had beloofd hem te zullen bewaren en instaat te stellen om te volharden. "Op die steen waren zeven ogen," Zacheria 3:9 God wilde hem bewaren, ofschoon zijn koninkrijk van alle zijden aangevochten werd. Christus wordt bewaard indien het Christendom bewaard wordt.
2. God zal hem machtigen om de zegeningen van de door hem gewrochte verlossing aan Zijn kerk te schenken. Gods bewaring en hulp strekte om de dag van Zijn Evangelie een dag van zaligheid te maken. Zo vat de apostel het ook op: "Zie, nu is het de dag van de zaligheid," nu het woord van de verzoening in Christus verkondigd wordt, 2 Corinthiers 6:2.
A. Hij zal zijn de waarborg voor het verbond des vredes tussen God en de mens Ik zal u geven tot een verbond des volks. Dit hadden wij tevoren in Hoofdstuk 42:6, en het wordt hier herhaald als getrouw en aller aanneming en overweging volkomen waardig. Hij is gegeven tot een verbond, dat is tot een onderpand van alle zegeningen des verbonds: in hem was God de wereld met zichzelf verzoenende, en Hij die ons Zijn eigen Zoon schonk, zal ons met hem alle dingen geven. Hij is gegeven tot een verbond, niet alleen tot een Middelaar van het verbond, de gezegende tussentreder, die de hand op beide partijen gelegd heeft, maar hij is alles in alles in het verbond. Al de waarde van het verbond ligt hierin opgesloten dat wij de zijnen zijn, en al de voorrechten en zegeningen van het verbond zijn hierin begrepen dat hij de onze is.
B. Hij zal de gebreken in de kerk herstellen en haar op een rots bouwen. Het zal het aardrijk oprichten, of liever, het land, het land van Juda, type van de kerk. Hij zat de verwoeste plaatsen doen beërven. De steden van Juda werden na de terugkeer uit de gevangenschap weer beërfd, en evenzo werd de kerk, die in de laatste jaren van ontaarding van het Joodse volk gelegen had als een verwoest land, opnieuw beërfd door de gevolgen van de verkondiging des Evangelies.
C. Hij zal de zielen van de mensen bevrijden uit de slavernij van schuld en verderf en hen brengen tot de heerlijke vrijheid van de kinderen Gods. Hij zal zeggen tot de gevangenen, die gebonden waren door de gerechtigheid Gods en gebonden onder de macht van Satan: Gaat uit! vers 9. Vergevende genade is een vrijlating van onder de vloek van de wet, en vernieuwende genade is een ontslaan uit de heerschappij van de zonde, beide zijn van Christus en takken van de grote verlossing. Hij zegt: "Gaat uit!" De Zoon maakte ons vrij en dan zijn wij waarlijk vrij. Hij zegt tot hen die in de duisternis zijn: "Komt tevoorschijn!" Ziet uzelf, en dat niet alleen, maar laat u zien, ter heerlijkheid Gods en tot uw eigen vertroosting. Wanneer hij de melaatsen uit hun afzondering verloste zei hij: Ga heen, vertoon uzelf de priester. Indien wij het licht zien, moeten wij ons licht laten schijnen.
D. Hij zal zorgen voor een behoorlijke doorgang naar het land van hun rust en gezegende vestiging voor degenen, die hij in vrijheid stelt, vers 9, 10, 11. Dit heeft betrekking op de voorziening, die gemaakt werd voor de Joden, die uit de gevangenschap terugkeerden en die onder de bijzondere zorg van de goddelijke voorzienigheid stonden als gunstelingen des hemels, en nu op buitengewone wijze. Maar het is ook toepasselijk op de leiding van de goddelijke genade met het geestelijk Israël, die van hun loslating uit de slavernij op weg zijn naar de rust van het hemelse Kanaän.
a. In al hun behoeften is voorzien, zij worden kosteloos van goed en voldoend voedsel voorzien. Zij zullen op de wegen weiden en op alle hoge plaatsen zal hun weide wezen, als schapen, gelijk God vroeger Jozef leidde als een kudde. Indien het God behaagt zal elke hoge weg een goede weide voor zijn schapen zijn. Hun weide zal niet alleen in de valleien maar op alle hoge plaatsen zijn, die gewoonlijk droog en woest zijn. Waar God Zijn volk ook brengt, daar zal Hij zorgen dat hun niets ontbreekt wat goed voor hen is, Psalm 34:10. En zo goed zullen zij van alles voorzien zijn dat zij niet zullen hongeren of dorsten, ze zullen alles op zijn tijd hebben zodat zij nooit gebrek zullen lijden.
b. Zij zullen bewaard worden voor en beschermd tegen elk ding, dat hun ongemak zou kunnen veroorzaken, "de hitte en de zon zal hen niet steken," want God geeft Zijn kudde rust op de middag, Hooglied 1:7. Geen kwaad zal hun overkomen, die zich onder de bescherming van de goddelijke voorzienigheid stellen, zij zullen in staat gesteld worden om de last en de hitte des daags te dragen.
c. Zij zullen Gods genadige leiding genieten, Hij heeft hun barmhartigheid bewezen door hen uit hun gevangenschap te verlossen, en nu zal Hij hen leiden gelijk Hij hun vaderen door de woestijn geleidde, met een wolk- en vuurkolom, zelfs bij waterfonteinen, welke voor hen gereed zullen zijn, zal Hij hen op hun tocht brengen dat is: God zal hen met alle nodige en nuttige gemakken voorzien, niet met poelen van regenwater gelijk in het dal van Baca (het moerbeziëndal) maar met water uit de rots, dat Israël volgde. Zij, die onder goddelijke leiding zijn en die nauwgezet volgen, mogen op goede gronden op goddelijke hulp en bijstand rekenen. De wereld brengt haar volgelingen bij gebroken waterbakken of bij beken die des zomers uitdrogen, maar God leidt de Zijnen naar fonteinen van levend water. En zij, die door God geleid worden, vinden een effen weg en alle bezwaren uit de weggeruimd, vers 11, Ik zal al mijne bergen tot een weg maken. Hij, die in vroegere tijden door de zee een weg baande, zal nu met evenveel gemak de bergen tot een weg maken, ofschoon deze onbeklimbaar schijnen te zijn. De hoge weg zal tot een vlakte gemaakt worden. De wegen, waarop God Zijn volk leidt, zal Hij zelf onder opzicht nemen, gelijk vroeger de wegen naar de vrijsteden. De effening van de wegen uit Babel, gelijk voorzegd was, Hoofdstuk 40:2, 3, werd daar toegepast op het werk des Evangelies, en dat kan deze tekst ook worden. Ofschoon er moeilijkheden zijn op de weg naar de hemel, die wij in eigen kracht niet kunnen teboven komen, zal de genade Gods ons genoeg zijn om ze te overwinnen, en elke berg tot een weg te maken, Hoofdstuk 35:8.
E. Hij zal hen allen uit alle plaatsen samenbrengen opdat zij als één lichaam kunnen terugkeren, zodat zij elkaar kunnen aanmoedigen en des te meer op hen de aandacht gevestigd wordt. Zij waren verspreid in verschillende gedeelten van het landschap van Babel, naar het hun vijanden behaagde, ten einde hen te verhinderen zich met elkaar te verenigen. Maar Gods tijd genaakt om hen als een geheel weer thuis te brengen, een geest zal hen allen bezielen op hoe grote afstand zij ook van elkaar verwijderd mogen zijn, en zelfs zij, die toevlucht gezocht hebben in andere landen, zullen hen ontmoeten in het land van Juda, vers 12. De ene groep zal komen van het noorden, de andere van het westen, een derde uit het land van Sinim, dat denkelijk een provincie van Babel was, die nergens anders in de Schrift genoemd wordt. Sommigen houden het echter voor het land van een van de voornaamste steden in Egypte, genaamd Sin, waarvan wij lezen in Ezechiël 30, 15, 16. Deze belofte verkreeg haar verdere vervulling in de groten toevloed van bekeerden tot de kerk van de Evangelies en zal haar volle vervulling krijgen wanneer Gods uitverkorenen zullen komen van het oosten en het westen om aan te zitten met de patriarchen in het koninkrijk Gods, Mattheus 8-11.