Jesaja 53:1-3
Aan het einde van het vorige hoofdstuk had de profeet voorzien en voorspeld de hartelijke aanneming, die het Evangelie van Christus onder de heidenen vinden zou, dat volken en koning het welkom heten zouden, dat zij die Hem niet gezien hadden, evenwel in Hem geloven zouden, en ofschoon zij geen profetie van de genade des Evangelies ontvangen hadden, welke hun verwachting wekken kon, en hen voorbereiden om het te ontvangen, zij het toch op de eerste aankondiging hun volle aandacht en overweging geven zouden. Hier vermeldt hij met verbazing het ongeloof van de Joden, niettegenstaande de vele voorzeggingen van de komst van de Messias in het Oude Testament en de gelegenheid die zij gehad hadden om Hem persoonlijk te leren kennen.
Zie hier:
I. De verachting die zij voor het Evangelie van Christus hadden, vers 1. Er wordt uitdrukkelijk gezegd in Johannes 12:38 dat het ongeloof van de Joden ten tijde van onze Zaligmaker de vervuiling van dit woord was. En het wordt ook toegepast op de geringe vorderingen, welke de prediking van de apostelen onder Joden en heidenen maakte, in Romeinen 10:16.
a. Van de velen die de inhoud des Evangelies horen, zijn er slechts zeer weinigen die hem geloven. Het wordt openlijk en in het openbaar verkondigd, het wordt niet in een hoek gefluisterd of in de scholen opgesloten, maar aan allen bekend gemaakt, en het is zo'n getrouw woord en zo aller aanneming waardig, dat men zou denken: het moest algemeen aangenomen en geloofd worden, maar het tegendeel is waar. Weinigen geloofden de profeten die Zijn komst voorzegden, en toen Hij zelf kwam, geloofden geen van de oversten of Farizeen in Hem, slechts hier en daar een uit het volk. Toen de apostelen Zijn Evangelie over de gehele wereld verkondigden, geloofden in elke plaats enigen maar vergelijkenderwijs zeer weinigen. Het is nog zo: van de velen die belijden het Evangelie te geloven, zijn er slechts zeer weinigen die het van harte omhelzen en zich aan zijn invloed onderwerpen.
b. De mensen geloven daarom de inhoud van het Evangelie niet, omdat de arm des Heeren hun niet is geopenbaard, zij onderscheiden niet de goddelijke macht die met dit woord gepaard gaat en willen daarmee niet in kennis gebracht worden. De arm des Heeren is ontbloot-gelijk in Hoofdstuk 52:10 gezegd is, in de wonderen, die gewrocht werden om de leer van Christus te bevestigen, in de wonderlijke gevolgen van Zijn leer en haar invloed op de gewetens. Ofschoon de stem stil is, is ze krachtig, maar ze merken haar niet op, en ook ondervinden zij in hun eigen harten niet de werking van de Geest, die het woord vruchtbaar maakt. Zij geloven het Evangelie niet, omdat zij, zich verzettende tegen het licht dat zij hadden, de genade Gods verwaarloosd en veracht hebben, waarom Hij die rechtvaardig hun ontzegde en onthield, terwijl zij bij gebreke daarvan niet geloven kunnen.
c. Dit is een zaak, die ons zeer moet aangrijpen, waarover wij ons moeten verwonderen en treuren, en dienaren Gods behoren tot Hem te gaan, en evenals de profeet hier, bij Hem zich daarover te beklagen. Hoe treurig dat zo rijke genade tevergeefs zou ontvangen zijn, dat kostbare zielen verloren zouden gaan langs de boord van het schip, omdat zij niet willen instappen en behouden worden.
II. De smaad, die zij op Christus wierpen ter oorzake van de geringheid van Zijn voorkomen, vers 2, 3. Dit schijnt genoemd te worden als een van de redenen, waarom zij Zijn leer verwierpen, zij waren bevooroordeeld tegen Zijn persoon. Toen Hij op aarde was, wilde menigeen, die Hem hoorde spreken en niet anders kon dan toejuichen hetgeen Hij zei, Hem toch niet enige eer bewijzen of steun verlenen, omdat Hij zo gering van voorkomen was en geen uiterlijke voordelen Hem aanbevolen. Zie hier:
De nederige omstandigheden waaraan Hij onderworpen was en hoe Hij zichzelf vernederd en ontledigd heeft. De wijze waarop Hij in de wereld kwam en de plaats die Hij daar innam, kwamen in geen enkel opzicht overeen met de denkbeelden, welke de Joden zich van de Messias gevormd hadden en de verwachtingen, die zij van Hem koesterden, maar waren juist het tegendeel.
A. Men verwachtte dat zijn afkomst zeer groot en adellijk zou zijn, Hij zou de zoon van David zijn, uit het geslacht "dat een naam had gelijk aan de naam van de groten van de aarde" 2 Samuël 7:9. Maar Hij was de afstammeling van dit koninklijk en doorluchtig geslacht, toen het omlaag gebracht en gezonken was en Jozef, de zoon van David, zijn veronderstelde vader, was een arme timmerman, misschien een timmerman van visvaartuigen, want de meesten van zijn verwanten waren vissers. Dit wordt bedoeld met de woorden dat hij was als een wortel uit een dorre aarde, Hij werd geboren in een laag en onaanzienlijk gezin, in Galilea uit een geslacht, dat dor en ledig was en in een land van zo slechte bekendheid, dat men vroeg of daar iets goeds vandaan komen kon. Zijn moeder was als maagd dorre grond en toch sproot Hij uit haar voort, die wortel en vrucht beide is, het zaad in steenachtigen grond heeft geen wortel. Maar ofschoon Christus uit dorre aarde opsproot, is Hij beide de wortel en de Zoon Davids, de wortel van de goede olijfboom.
B. Men verwachtte dat Hij in het openbaar zou optreden, in pracht komen, de aandacht trekken, maar inplaats daarvan wies Hij op voor God, niet voor de mensen. God hield Zijn oog op Hem gevestigd, maar de mensen letten niet op Hem. Hij schoot op als een rijsje, stil en onopgemerkt, zonder enig geluid, gelijk het koren opgroeit, "men weet niet hoe," Markus 4:27. Christus schoot op als een tere loot, die, naar men denken zou, gemakkelijk vernietigd worden kon, een nachtvorst kon ze geheel bederven. Het Evangelie van Christus was in de beginne als een mosterdzaad, zo klein en onaanzienlijk, Mattheus 13:31, 32.
C. Men verwachtte dat Hij buitengewoon schoon van gelaat en gestalte zou zijn, waardoor Hij het oog behagen, het hart winnen, de verwachting wekken zou van allen die Hem zagen, maar er was niets dergelijks aan Hem. Niet dat Hij misvormd was, maar Hij had geen gedaante of heerlijkheid, niets buitengewoons waardoor men op het denkbeeld komen kon een vleesgeworden Godheid te ontmoeten. Zij die Hem zagen konden geen schoonheid in Hem ontdekken, waardoor zij Hem zouden begeerd hebben, niets meer dan in duizend andere gelieven, Hooglied 5:9. Mozes was, toen hij geboren werd, uitnemend schoon zo schoon dat het als een gelukkig voorteken beschouwd werd. Handelingen 7:20, Hebreeën 11:23. David was toen hij gezalfd werd "schoon van ogen en schoon van aanzien," 1 Samuël 16:12. Maar onze Heere Jezus had niets dergelijks, dat Hem aanbeval. Maar wellicht ziet dit minder op Zijn persoon dan op zijn wijze van optreden in de wereld, waarin niets van uitwendige heerlijkheid was. Zijn Evangelie wordt gepredikt niet met bewegelijke woorden van menselijke wijsheid maar met alle eenvoud die met het onderwerp overeenkomt.
D. Men verwachtte dat Hij een aangenaam leven leiden zou en het volle genot zou hebben van alle vermakingen van de kinderen van de mensen, en dat die Hem op allerlei wijzen aangeboden zouden worden. Maar het tegenovergestelde was het geval, Hij was een man van smarten en verzocht in ziekte (of vertrouwd met, gewoon aan, ziekte). Dat was niet alleen in het laatste tijdperk van Zijn omwandeling het geval, maar Zijn gehele leven was zo, niet alleen gering, maar ellendig. Een aaneengeschakelde keten van arbeid, leed en smart.
Hij was zonde voor ons gemaakt en onderging dus het vonnis, dat over de zonde uitgesproken, was dat wij ons brood in zorg eten zullen al de dagen onzes levens, Genesis 3:17, en daardoor veel van de hardheid en gestrengheid van het vonnis voor ons weggenomen heeft. In vele opzichten was Zijn toestand smartelijk Hij had geen thuis, had niets waarop Hij het hoofd neerleggen kon, leefde van aalmoezen, werd tegengestaan en bedreigd, moest het tegenspreken van de zondaren tegen zich verdragen, Zijn geest was teer en Hij liet de gewaarwordingen van de smart op zich inwerken, nooit lezen wit dat Hij lachte, meermalen dat Hij weende. Lentulus zegt in zijn brief aan de Romeinse senaat aangaande Jezus, dat men Hem nooit heeft zien lachen, Hij was zo doorknaagd en ondermijnd door voortdurend verdriet, dat Hij op de leeftijd van even dertig jaar, het voorkomen had van iemand van vijftig, Johannes 8:57. Hij was met verdriet gemeenzaam, want Hij deelde altijd in het leed van anderen en gevoelde medelijden met hen, en nooit zette Hij Zijn eigen leed voor zich. Nog in Zijn verheerlijking besprak Hij Zijn uitgang te Jeruzalem en bij Zijn zegetocht weende Hij over de stad. Laat ons op Hem zien en rouwdragen.
III. Het geringe denkbeeld, dat men daarom van Hem had, want over het algemeen zijn de mensen geneigd om over personen en dingen te oordelen naar het gezicht van de ogen en naar de uitwendige verschijning, zij zagen aan Hem geen schoonheid, waardoor zij Hem zouden begeerd hebben. Er was zeer veel ware schoonheid in Hem, de schoonheid van de heiligheid en de schoonheid van de goedheid, genoeg om Hem voor alle volken begeerlijk te maken, maar verreweg het grootste gedeelte van degenen, in wier midden Hij leefde en met wie Hij omging zegen niets van deze schoonheid, want zij moest geestelijk onderscheiden worden. Vleselijk gezinde harten zien geen uitnemendheid in Jezus, niets dat hen zou kunnen uitlokken om nader met Hem bekend te worden of belang in Hem te stellen. Ja, Hij wordt niet alleen niet begeerd, maar Hij wordt veracht en verworpen, verlaten en verafschuwd, als een smaad van de mensen, een afgezonderde, iemand wiens gezelschap de mensen mijden en vlieden, voor wie zij geen achting hebben, een worm en geen man. Hij werd veracht als een gering mens, verworpen als een zieke, Hij was de steen die de bouwlieden verwierpen, men wilde niet dat Hij over hen regeren zou. De mensen die zoveel beter behoorden te weten, die genoeg teerheid behoorden te hebben om een man van smarten niet met voeten te treden, de mensen, die Hij kwam zoeken om hen zalig te maken die verwierpen Hem. Wij waren als verbergende het aangezicht voor Hem, wij zagen een anderen kant uit. zijn lijden was voor ons als niets, ofschoon er nooit een smart was gelijk zijn smart. Ja, wij gedroegen ons niet alleen alsof Hij ons niet aanging, maar wij verachtten Hem en hadden afkeer van Hem. Men kan deze woorden ook lezen: Hij herbergde als het ware Zijn aangezicht voor ons, Hij bedoelde de heerlijkheid van Zijn majesteit, Hij trok daar een sluier over heen, en daarom werd Hij veracht en wij achtten Hem niet, omdat wij door die sluier niet heenzien konden. Christus had op zich genomen genoegdoening aan te brengen voor de gerechtigheid Gods die beledigd was door de zonden van de mensen, die Zijn eer aantastten, en God kan op geen andere wijze beledigd worden dan in Zijn eer, en daarom ontledigde Hij zich niet alleen van de heerlijkheid, die het vlees geworden Woord toekwam, maar onderwierp zich ook aan de schande van de grootste misdadigers. En door zo zichzelf te vernederen, verheerlijkte Hij Zijn Vader. Hoeveel reden hebben wij dus om Hem te achten Hem hoog te houden, bedacht te zijn op Zijn eer, Hem te ontvangen, die de mensen verwierpen.