Jesaja 35:1-4
In deze verzen hebben wij:
I. Het dorre, woeste land bloeiende. In het vorige hoofdstuk hadden wij een volkrijk en vruchtbaar land, dat in een akelige woestijn was veranderd, nu hebben wij in plaats hiervan een woestijn in een goed land veranderd. Toen het land van Juda bevrijd was van het Assyrische leger, begonnen die delen van het land welke door de verwoestingen, die zij er in hadden aangericht, tot een wildernis waren gemaakt, zich te herstellen, en zo hadden zij opnieuw een aangenaam aanzien, ze bloeiden weer als de roos. Toen de heidense volken, die gedurende lange tijd als een woestijn zijn geweest en Gode geen vrucht hebben voortgebracht, het Evangelie hebben aangenomen, is met het Evangelie ook blijdschap tot hen gekomen, Psalm 67:4-5, 96:11, 12. Toen Christus gepredikt werd in Samaria, "werd er grote blijdschap in de stad," Handelingen 8:8. zij, die in duisternis waren gezeten, zagen een groot en vreugdevol licht. En toen bloeiden zij en gaven hoop op een overvloedige oogst van vruchten, want dat was het, dat de predikers van het Evangelie op het oog hadden, Johannes 15:16 heen te gaan en vrucht te dragen, Romeinen 1:13, Coloss. 1:6. Hoewel bloesems geen vruchten zijn, en dikwijls tenietgaan, zijn zij er toch voor om vruchten voort te brengen. Bekerende genade doet de ziel, die een wildernis was, zich verheugen, ja met verheuging en juichen, en overvloedig bloeien. Aan deze bloeiende woestijn zal al de heerlijkheid van de Libanon gegeven worden, welke bestond in de sterkte en statigheid van zijn cederen, met het sieraad van Karmel en Saron, welke bestond in koren en vee. Alles wat van waarde is in een inzetting, is in het Evangelie gebracht. Al de schoonheid van de Joodse kerk was toegelaten in de Christelijke kerk, en kwam uit in volkomenheid, zoals de apostel uitvoerig aantoont in zijn brief aan de Hebreën, al wat uitnemend en wenselijk was in de Mozaïsche bedeling, is overgebracht in de Evangelische inzettingen.
II. De heerlijkheid Gods uitblinkende. Zij zullen zien de heerlijkheid des Heeren, God zal zich meer dan ooit openbaren in Zijn genade en liefde voor het mensdom (want dat is Zijn heerlijkheid, Zijn sieraad), en Hij zal hun ogen geven om haar te zien en harten om er door getroffen te zijn. Dit is het, dat de woestijn zal doen bloeien. Hoe meer wij door het geloof van de heerlijkheid des Heeren zien en van het sieraad van onze God, hoe meer vreugdevol en hoe meer vruchtbaar wij zullen zijn.
III. De zwakken en vreesachtigen bemoedigd vers 3, 4. Gods profeten en dienstknechten zijn er inzonderheid mee belast, om krachtens hun ambt, de slappe handen te versterken, hen te vertroosten, die zich nog niet konden herstellen van de angst, waarin zij verkeerd hadden vanwege het Assyrische leger, met de verzekering dat God nu in genade tot hen zou wederkeren. Dat is het doel van het Evangelie:
1. Hen te versterken, die zwak zijn, en hen te bevestigen: de slappe handen, die niet in staat zijn om te werken of om te strijden, en nauwelijks opgeheven kunnen worden in het gebed, en de struikelende knieën, die noch kunnen staan noch kunnen lopen, en ongeschikt zijn voor de loop, die ons voorgesteld is. Het Evangelie voorziet ons van versterkende overwegingen, en toont ons waar kracht is weggelegd voor ons. Onder ware Christenen zijn er velen, die slappe handen hebben en struikelende knieen, die nog slechts kinderen zijn in Christus, maar het is onze plicht om onze broederen te versterken, Lukas 22:32, niet alleen de zwakken te verdragen, maar te doen wat wij kunnen om hen te bevestigen en te steunen, Romeinen 15:1, Thessalonicenzen 5:14. Het is ook onze plicht om onszelf te versterken, "de trage handen en de slappe knieen weer op te richten", Hebreeën 12:12, gebruik makende van de kracht, die God ons gegeven heeft, en haar oefenende.
2. Hen te bemoedigen, die vreesachtig zijn en moedeloos zijn geworden. Zegt tot hen, die vreesachtig van hart zijn, vers 4, z) die vreesachtig zijn door hun eigen zwakheid en de kracht van hun vijanden, tot hen die haastig zijn-dat is hier de betekenis van het woord-die op het eerste alarm gaan vluchten, en de zaak maar als verloren opgeven, die in hun haasten zeggen:" Wij zijn afgesneden, wij zijn verloren", Psalm 31:23, er is genoeg in het Evangelie om deze vrees tot zwijgen te brengen, het zegt tot hen, en laat hen het tot zichzelf en tot elkaar zeggen: Weest sterk en vreest niet. Vrees verzwakt, hoe meer wij er tegen strijden, hoe sterker wij zullen zijn, beide voor doen en voor lijden, en tot onze aanmoediging om te strijden heeft Hij, die tot ons zegt: Weest sterk, hulp voor ons besteld bij een held.
IV. De verzekering gegeven van de nadering van een Verlosser: "Ziet, ulieder God zal ter wrake komen. God zal voor u verschijnen tegen uw vijanden, zal vergelding doen voor de schade, die zij aangericht hebben, en voor de verliezen, die gij geleden hebt." In de volheid des tijds zal, de Messias komen om wrake te doen aan de machten van de duisternis, hen te beroven en openlijk tentoon te stellen, en de treurenden in Zion te belonen met een overvloedige vertroosting. Hij zal komen en ulieden verlossen, met de hoop hierop hebben de OudTestamentische heiligen hun zwakke handen versterkt. Hij zal weerkomen aan het einde van de tijd, weerkomen in vlammend vuur om verdrukking te vergelden aan hen, die Zijn volk verdrukt hebben, en rust aan hen, die verdrukt werden, zo'n rust, als niet slechts een einde zal maken aan al hun moeite en verdriet maar er de volkomen vergoeding voor zal zijn. 2 Thessalonicenzen 1:6, 7. Zij, wier hart beeft voor de arke Gods en die in kommer zijn over Zijn kerk in de wereld, kunnen zich hiermede geruststellen: God zal het werk in Zijn eigen handen nemen. Uw God zal komen, die uw zaak bepleit en uw belangen erkent, God zelf, die alleen God is.