Jesaja 40:1
Wij hebben hier de opdracht en de instructies welke gegeven zijn, niet alleen aan deze profeet maar met hem aan al de profeten des Heeren ja en ook aan alle dienstknechten van Christus om vertroosting uit te roepen voor het volk van God.
1. Dit heeft deze profeet niet alleen gemachtigd, maar hem bevolen om de Godvruchtigen van zijn tijd aan te moedigen, die wel zeer zwaarmoedige gedachten moesten hebben van de dingen, toen zij zagen dat Juda en Jeruzalem door hun vermetele goddeloosheden snel rijpten voor het verderf, en God in Zijn voorzienigheid dit verderf haastig over hen liet komen. Laat hen er zeker van zijn, dat God met dat al toch genade voor hen heeft weggelegd.
2. Het was inzonderheid een aanwijzing voor de profeten, die in de tijd van de ballingschap leefden, toen Jeruzalem in puin lag, zij moesten de gevankelijk weggevoerden aanmoedigen om te hopen op bevrijding te bestemder tijd.
3. Dienaren van het Evangelie, die door de gezegende Geest gebruikt worden als vertroosters en bevorderaars van de blijdschap van de Christenen, worden hier herinnerd aan hetgeen zij te doen hebben. Wij hebben hier:
A. Troostrijke woorden, gericht tot Gods volk in het algemeen, vers 1. De profeten hebben instructies van hun God-want Hij is de Heere "de God van de heilige profeten," Openbaring 22:6, om het volk van God te troosten, en de last is verdubbeld: Troost, troost-niet omdat de profeten er onwillig toe zijn, (neen, het is het aangenaamste deel van hun werk) maar omdat de zielen van Gods volk soms weigeren om vertroost te worden en hun vertroosters de dingen telkens en nogmaals moeten herhalen eer er iets van doordringt tot hen, of vat op hen heeft
Merk hier op:
a. Er is een volk in de wereld dat Gods volk is.
b. Het is de wil van God dat Zijn volk een getroost volk zal zijn, ook zelfs in de zwaarste, moeilijkste tijden.
c. Het is het werk en de plicht van de leraren, om te doen wat zij kunnen tot troost en bemoediging van Gods volk.
d. Woorden om te overtuigen van zonde, zoals wij ze gehad hebben in het eerste gedeelte van dit boek, moeten gevolgd worden door woorden van vertroosting, zoals wij ze hier hebben, want Hij, die ons gescheurd heeft, zal ons genezen.
B. Troostrijke woorden gericht tot Jeruzalem in het bijzonder. "Spreekt naar het hart van Jeruzalem, vers 2. Spreekt hetgeen haar hart zal verkwikken, een hartsterking voor haar zijn zal, en voor allen, die tot haar behoren en het goede voor haar wensen. Fluistert dit niet, maar roept tot haar, roept luide, om de heiligen te wijzen op hun vertroostingen, zowel als om de zondaren te wijzen op hun overtredingen, doet het haar horen."
a. Dat de dagen van haar benauwdheid geteld en volbracht zijn, dat haar strijd vervuld is, de bestemde tijd van haar dienstbaarheid, dat de veldtocht nu ten einde is, en zij zich terug zal trekken in de plaats van de verkwikking. Het menselijk leven is een strijd, Job 7:1, het Christelijk leven is dit nog meer, maar de worsteling zal niet altijd duren, de strijd zal vervuld wezen en dan zullen de goede krijgsknechten niet alleen ingaan in de rust, maar zeker zijn van hun soldij.
b. "Dat de oorzaak van haar benauwdheid is weggenomen, en als die weggenomen is, dan zal het gevolg of de uitwerking ophouden. Zegt haar, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat God met haar verzoend is, en dat zij niet langer behandeld zal worden als een die schuldig is voor Zijn aangezicht." Niets kan gesproken worden, dat troostrijker is dan dit. Zoon, wees welgemoed, uw zonden zijn u vergeven. Benauwdheid en leed worden dan in liefde weggenomen, als de zonde vergeven is.
c. "Dat aan het doel van haar benauwdheid beantwoord is. Zij heeft van de hand des Heeren dubbel ontvangen voor al haar zonden, dubbel ontvangen voor de genezing van haar en haar afgoden, " de aanbidding van welke de zonde was, waarom God een twist met hen had, en waarvan Hij hen wilde genezen door hun gevangenschap in Babel, en die uitwerking heeft zij ook op hen gehad, want zij heeft een ingewortelde afkeer van afgoderij in hen gewerkt, het was een krachtige medicijn om die ongerechtigheid van hen uit te zuiveren. Of, het kan genomen worden als de taal van het Goddelijk mededogen: "Zijn ziel was verdrietig over de arbeid van Israël," Richteren 10, 16, en gelijk een teder vader: "sinds Ik tegen hem gesproken heb, denk Ik nog ernstiglijk aan hem," Jeremia 31:20, en Hij was bereid te zeggen dat Hij hen te veel getuchtigd had. Zeer berouwvol en boetvaardig zijnde, zeggen zij dat God hen minder gestraft had dan hun ongerechtigheid verdiende, maar Hij, zeer barmhartig zijnde, erkende Hij in zekere zin dat Hij hen meer gestraft had dan zij verdienden. Ware boetvaardigen hebben in waarheid in Christus en Zijn genoegdoening van de hand des Heeren dubbel ontvangen voor al hun zonden, want de genoegdoening, die Christus gedaan heeft door Zijn dood was van zo'n oneindige waarde, dat zij meer dan het dubbele was van het laakbare van de zonde, want God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard.