Jesaja 59:1-8
De profeet verbetert hier de misvatting van hen, die met God getwist hadden, omdat nog niet de verlossing gegeven was, waarom zij zo dikwijls gevast en gebeden hadden, Hoofdstuk 58:3. Nu toont hij hier aan,
I. Dat God het niet vertraagde, zij hadden geen reden om het Hem te verwijten dat zij nog niet uit de handen hunner vijanden verlost waren Want
1. God was nog even goed als vroeger in staat om te helpen, Zijn hand was niet verkort, dat is: zijn kracht was niet verminderd, belemmerd of verdwenen, hetzij wij al of niet kunnen zien de onbeperktheid van zijn macht en van haar uitwerking. God kan even ver reiken als vroeger en Zijn hand is even sterk als ooit. De redding van de kerk komt van de hand van God, en die is niet zwak geworden of verkort. "Is de hand des Heeren verzwakt?" vroeg de Heere aan Mozes, Numeri 11:23. Neen, dat is zij niet, en Hij gedoogt niet dat wij dat zullen denken. Noch de lengte van tijd, noch de kracht van de vijanden, noch de zwakheid van de werktuigen, kan de macht van God verminderen of belemmeren, het is voor Hem hetzelfde te helpen door velen of door weinigen.
2. God was even bereid en gewillig om in antwoord op het gebed te helpen, Zijn oor is niet zwaar geworden dat het niet zou kunnen horen. Ofschoon Hij zo'n menigte gebeden heeft te horen en te beantwoorden, en ofschoon Hij reeds zo lang gebeden gehoord heeft, is Hij nog even bereid als vroeger om de gebeden te horen. Het gebed des oprechten is Hem nog evenals vroeger een blijdschap en de beloften-waarop in de gebeden gepleit wordt, zijn nog ja en amen, en onveranderlijk vast. er wordt hier meer bedoeld dan uitgesproken, niet alleen is Zijn oor niet zwaar, maar Hij haast zich om te horen, eer zij roepen zal Hij antwoorden, Jesaja 65:24. Indien onze gebeden niet verhoord worden en de verlossing waarnaar wij uitzien, nog niet gegeven wordt, dan is dat niet omdat God traag is om de gebeden te horen, maar omdat wij traag in het bidden zijn, niet omdat Zijn oor zwaar is als wij tot Hem spreken, maar omdat onze oren zwaar zijn als Hij tot ons spreekt.
II. Het was hun eigen traagheid, zij stonden zichzelf in het licht en versperden hun eigen deur. God kwam tot hen in de weg van Zijn barmhartigheid, maar zij verhinderden Hem, uw ongerechtigheden heden houden al die goede dingen verre van u, Jeremia 5:25. Zie hier hoeveel onheil de zonde teweegbrengt.
1. Zij verhindert Gods barmhartigheden om tot ons te komen, zij is een scheidsmuur tussen ons en God. Niettegenstaande de oneindige afstand die van nature tussen God en ons bestaat, was er van de aanvang af gemeenschap tussen die beide, door ongerechtigheid verwijderde de mens zich van God en zo ontstond de scheiding. Hij is uw God, de uw door belijdenis, en daarom is de zonde zoveel kwaadaardiger en misdadiger, daar zij ons van Hem scheidt, zodat Hij Zijn aangezicht voor ons verbergt, hetgeen groot misnoegen aanduidt, Deuteronomium 31:17. De zonde tart Hem om in toorn ons Zijn genadige tegenwoordigheid te onttrekken, de tekenen van Zijn gunst in te houden, geen hulp te schenken, Hij verbergt Zijn aangezicht om niet gezien of aangesproken te worden. Zie hier de zonde in haar schrilste kleuren, bovenmate zondigende, het schepsel aan de gemeenschap met zijn Schepper onttrekkende. En zie de zonde in haar gevolgen, niet alleen verderf brengend, maar ons scheiden van God, dat is van alle goed en verbindende met alle kwaad, Deuteronomium 29:31, hetgeen de wortel van allen vloek is. 2. Zij verhindert onze gebeden om tot God te komen. Zij noodzaakt God om Zijn aangezicht voor ons te verbergen, omdat Hij niet wil horen, gelijk Hij gezegd heeft, Jesaja 1:15. Indien wij onreinheid in ons hart toelaten en daarnaar omzien, zal God onze gebeden niet horen, Psalm 66:19. Wij kunnen niet verwachten dat Hij ons Zijn aangezicht toont indien wij niet ophouden Hem te beledigen.
Om nu God te rechtvaardigen in het verbergen van Zijn aangezicht voor hen en het voortgaan in Zijn tegenstand tegen hen, noemt de profeet in de volgende verzen zeer breedvoerig hoe groot en menigvuldig hun overtredingen zijn, gelijk hun opgedragen was, Hoofdstuk 58:1. Toon Mijn volk zijn ongerechtigheden. En het is een zwarte lijst, die hier tegen hen overlegd wordt, vol bijzonderheden, waarvan elke op zichzelf genoeg was om scheiding te maken tussen hen en een heilig, rechtvaardig God. Laat ons trachten deze zonden onder enige hoofden te rangschikken.
1. Wij moeten beginnen met hun gedachten, want daar beginnen de zonden en nemen zij haar oorsprong. Hun gedachten zijn gedachten van de ongerechtigheid, vers 7. Hun voorstellingen zijn dat, enkel en voortdurend slecht, hun ontwerpen en plannen zijn dat, zij bedenken onophoudelijk een of ander misdrijf, en de bevrediging van hun boze lusten, vers 4. Van moeite zijn ze zwanger, in verbeelding, voornemen, raad en besluit, die krijgen gestalte en zij baren ongerechtigheid, brengen die tot stand zodra ze rijp zijn. Ofschoon zij over hun zonden wellicht in ongerechtigheid zijn door de tegenstand van de voorzienigheid en de verwijten van hun eigen geweten, zien zij, zodra de goddeloze plannen volvoerd zijn, er met evenveel trots op neer als een moeder op het kind, dat zij ter wereld gebracht heeft. Dit wordt vers 5 genoemd het uitbroeden van basiliskus eieren en het weven van spinnewebben. Ziehier hoe de gedachten en werken van goddeloze mensen besteed worden, en waaraan zij hun scherpzinnigheid ten koste leggen.
A. Het beste van hun daden is slecht en broos, hun gedachten zijn zo ijdel als spinnewebben. De arme zwakke spin heeft er veel moeite aan, en als de webben gereed zijn, zijn zij zwakke, onbeduidende dingen, een ontering van de plaats waar ze geweven zijn, en met een bezemstreek worden ze vernietigd. Zo zijn de gedachten waarmee wereldse mensen zich bezig houden, zij bouwen luchtkastelen en vermaken zich met denkbeeldige genoegens, gelijk de spin met de handen grijpt, Spreuken 30:28, maar zich niet houden kan.
B. Maar al te dikwijls is hetgeen zij bedenken kwaadaardig en slecht, zij broeden eieren van de krokodil of de adder uit, die vergiftig zijn en vergiftige schepselen voortbrengen, zo zijn de gedachten van de goddelozen, wier lust het is kwaad te doen. Hij die van hun eieren eet, dat is, die enige gemeenschap aan hun handelingen heeft, moet sterven, dat is, hij verkeert in gevaar dat hem enig leed zal overkomen. Het ei begint te breken, gij verwacht een of ander nuttig vogeltje, en zie, er barst een adder uit, welks nabijheid u in het grootste gevaar brengt. Gezegend hij die zo min mogelijk met zulke boze mensen te doen heeft. Zelfs het spinneweb, geweven met het doel om vliegen te vangen en daarvan een prooi te maken, zal hun geen genoegen geven, want dat kan geen kwaad doen.
2. Uit die overvloed van boosheid in hun hart spreekt hun mond, en nog spreekt hij niet altijd al de boosheid uit die er in is, Naar het eigenlijke boosaardigste van hun kwade voornemens wordt bedekt en vergoelijkt door hetgeen zij zeggen, vers 3 :Uw lippen spreken valsheid en uw tong dicht onrecht. Gij wendt vriendelijkheid voor met het kwaadaardigste voornemen in het hart, of door laster en valse getuigenis werpt gij smaad op de goede naam van anderen die gij haat, en zo sticht gij ongemerkt werkelijk kwaad, en misschien door valse getuigen tegen hen te verwekken, berooft gij hen van eigendom en leven. Ene valse tong is scherp als pijlen en gloeiend als jeneverkolen, uw tong dicht onrecht, wanneer zij de laster tegen uw nabuur niet openlijk uitspreken uit vrees van gelogenstraft te worden doet zij het in geheim. Achterklappers zijn dikwijls Luisteraars.
3. Hun handelingen waren alle van dezelfde aard als hun gedachten en woorden. Zij stonden schuldig aan het vergieten van onschuldig bloed, een misdaad van de ergste aard, hun handen waren met bloed bevlekt. Bloed bevlekt en laat een onuitwisbare smet op het geweten, waarvan niets dan het bloed van Christus kan reinigen. En dit deden zij niet bij verrassing of door een of andere omstandigheid gedwongen, maar hun voeten liepen tot het kwade, vers 7, van nature en gretig, door aandrift van hun kwaadaardigheid haastten zij zich om onschuldig broed te vergieten, alsof zij bevreesd waren om enige gelegenheid tot het plegen van wrede daden te verliezen, Spreuken 1:16, Jeremia 22:17. "Vernieling en ellendigheid waren in hun wegen." Waar zij gingen brachten zij onheil aan, de richting van hun weg was het stichten van ellende en verwoesting zonder enig gemoedsbezwaar. Niet alleen dorstten zij naar bloed, maar zij bevlekten hun vingers met ongerechtigheid ook van andere aard, vers 3, zij verdreven de mensen uit hun bezitting en eigenden zich alles toe waarop zij de hand leggen konden. Ze vertrouwden op ijdelheid, vers 4, zij rekenden op hun kunsten en sluikse manieren om zich te verrijken, maar die zullen blijken voor henzelf ijdelheid te zien en hen te bedriegen terwijl zij anderen bedrogen. Hun werken, waaraan zij zich zoveel moeite getroosten en waarop zij hun harten zo zetten, zijn alle werken van de ongerechtigheid, hun gehele levensgedrag is een aaneenschakeling van verdrukking en bedriegerij, en in hun handen is een maaksel des wrevels, overeenkomstig de wrevelige overleggingen in hun hoofden, en de gedachten aan geweld in hun harten.
4. Er worden geen maatregelen genomen om deze onrechtvaardigheden te herstellen en deze gebreken te verbeteren vers 4. : Er is niemand die voor de gerechtigheid roept, niemand beklaagt zich over deze geweldpleging aan de heilige wetten van de gerechtigheid, of tracht hen, die onrecht lijden te helpen, of om de wetten tegen zulke misdaden te doen uitvoeren. En deze laaghartige praktijken zijn de schande, en zullen de ondergang zijn van het volk. wanneer het recht niet gehandhaafd wordt, legt dat schande op de overheid, die geroepen is om gerechtigheid uit te oefenen, maar ook op het volk dat zich daartegen verzetten moet De gewone leden van de maatschappij moeten bijdragen tot het algemeen welzijn door geheime goddeloosheid openbaar te maken, en hun, die daartoe de macht hebben, gelegenheid te geven die te straffen, maar het staat slecht met een volk wanneer de vorsten onrechtvaardig regeren en het volk dat gaarne heeft. De waarheid wordt tegengestaan en er is niemand, die zich voor haar in het gericht begeeft, noch iemand die de roeping en de moed gevoelt om een eerlijke zaak te verdedigen. De weg des vredes wordt even weinig geacht als de weg van de waarheid, zij kennen die niet, dat is, zij hebben er nooit werk van gemaakt om de dingen te leren kennen die de vrede bevorderen, geen moeite wordt genomen om vredebreuk te voorkomen of te straffen en geschillen tussen geburen uit de weg te ruimen. Zij zijn geheel en al vreemd tegenover alles wat rustig en vredelievend is en bevorderen alles wat twist en verdeeldheid veroorzaakt. Er is geen recht in hun gangen, dat is, zij tonen in hun handelingen geen gevoel voor recht, dat is iets waarmee zij geen rekening houden, maar zij weten het gemakkelijk te verbreken, indien dat met hun boze plannen overeenkomt.
5. In al deze dingen zijn zij dwaas, zeer dwaas en handelen tegen hun eigen belang en tegen rede en gerechtigheid. Zij die ongerechtigheid bedenken vertrouwen op ijdelheid, en zullen zeker bedrogen uitkomen, vers 4. Hun webben, die ze, met zoveel kunst en vlijt weven, deugen niet tot kleding en zullen hun niet dienen tot bedekking of hun werken tot versiering, vers 6. Zij mogen anderen door hun ontwerpen schade doen, maar voor henzelf zijn die van generlei nut of voordeel. Er wordt door de zonde niets gewonnen, en dat zal blijken zodra winst en verlies tegen elkaar vergeleken worden. Hun paden van ongerechtigheid zijn verkeerd, dat is verdraaid, vers 8, zij zijn dat voor henzelf en voor allen die er op wandelen. Ofschoon zij zeggen dat zij er vrede op zullen hebben, bedriegen zij zichzelf, want zij zullen de vrede niet kennen, zoals in de volgende verzen aangetoond wordt.