6. Zalig, reeds in het bezit van het eeuwige leven en heilig, in het bezit van de hoogste volkomenheid, is hij, die deel heeft in de eerste opstanding. Over deze, die daartoe zijn gekomen, heeft namelijk de tweede dood, zoals die bij de algemene opstanding wordt ervaren (
Vers 14;
21:8) geen macht, zodat zij daardoor zouden worden getroffen (
Hoofdstuk 2:11), maar zij zullen in de hoogste mate, zoals dat karakter vanaf het begin aan het uitverkoren volk van God is toegekend en toegedeeld (
Exodus 19:6), a) priesters van God en Christus zijn. De voorspelling in
Jesaja 61:6 is daarom nu aan hen en door hen vervuld en zij zullen in de heerlijkste vervulling van het woord in 2Timotheus 2:12 : "als wij met Hem verdragen, zo zullen wij met Hem heersen", met Hem in Zijn zichtbaar rijk van de heerlijkheid als koningen heersen duizend jaren. Daarna zullen zij ook met Hem de wereld oordelen (
Vers 11,
1 Corinthiërs 6:2 v., waaruit zij, die door de antichristische verdrukkingen getroffen worden, kracht tot verdraagzaamheid van de heiligen (
Hoofdstuk 14:12) mogen putten.
a) 1 Petrus 2:9 Openbaring :6; 5:10
Johannes ziet tronen, d. i. zoals het verband te kennen geeft, rechterstoelen. Die zich daarop plaatsen worden niet nader genoemd; want de nadruk ligt niet in de eerste plaats op de personen, maar op hetgeen zij doen, op het oordeel, dat zij moeten houden. Dit bestaat in het beslissen wie tot leven en regeren met Christus in het duizendjarig rijk zal komen. Als degenen, die hiertoe worden bestemd, ziet de ziener onmiddellijk daarop 1) de zielen van de martelaars, die om de getuigenis van Jezus en om het woord van God met de bijl onthoofd zijn; d. i. omdat hier de meest gewone wijze van ombrengen is genoemd, die gewelddadig zijn gedood; 2) allen, die zich in de tijden van het beest onderscheidden door hun moed om te belijden en vooral in de laatste tijd van de openbaring door generlei verzoeking zich noch tot verering van het dier en zijn beeld, noch tot het aannemen van zijn merkteken lieten bewegen (Hoofdstuk 6:11). Terwijl de overige doden niet levend werden voordat de duizend jaren voorbij zijn, zijn het die beide klassen, die niet alleen voor de ongelovigen, maar ook voor hun minder uitstekende medebroeders tot de opstanding komen, om van Zion uit met Christus de aarde te regeren, die door de satan en diens werktuigen bevrijd was. Zo toch wil het de alles gelijkmakende gerechtigheid van God, dat zij, de onderdrukten, de zachtmoedig lijdenden, op hun tijd het aardrijk bezitten. (Mattheus 5:5). Ja, op diezelfde aarde nog, waardoor zij voor vuilnis werden gehouden, hun koninklijk ambt uitoefenen. Dit is een bijzonder voorrecht, al is het ook maar een voorrang van tijd, niet van graad, omdat toch eenmaal in het hemelse Jeruzalem, als het op de nieuwe aarde neerdaalt, de hele gemeente van de Heere koninklijk-priesterlijke waardigheid zal hebben (Hoofdstuk 21:1; 22:5). Het is de morgenster, die Jezus deze belijders heeft beloofd (Hoofdstuk 2:28) en daarom is er, om te bepalen wie die zal toekomen een beslissing nodig op recht gegrond, die van een gericht. En wie zijn nu degenen, die de Heere tot dit gericht heeft verkoren? Het zwijgen van Johannes is opmerkelijk. Dezelfde tederheid, waarmee hij ook in zijn Evangelie zijn eigen naam, waar het naar eigen roem zou kunnen rieken, voorbijgaat, laat hem ook in onze plaats niet toe om te zeggen: "Wij, de apostelen van Jezus Christus, plaatsen ons daarop" (vgl. Mattheus 19:28). De terechtwijzing door de Heere van de moeder van de zonen van Zebedeus toen deze Hem bad, dat haar twee zonen mochten zitten in Zijn rijk, de een aan Zijn rechter-, de ander aan Zijn linkerzijde, alsmede Zijn daarmee verbonden aanmaning tot ootmoed, had haar vrucht gedragen. Wij hebben hierin een bepaalde zekerheid daarvoor, dat de burgers van het rijk van aardse heerlijkheid, zoals het vóór de duizend jaren wordt opgericht, de twaalf geslachten van Israël zijn naar hun nauwkeurig afgemeten getal (Hoofdstuk 7:4; 14:1), niet de volken van de aarde in het algemeen. Zo velen als er van deze na de val van de antichrist en zijn leger nog aanwezig zijn, maken zij de beheersten uit, maar de heerschappij over hen uitgeoefend, moet ertoe dienen, om ze te christianiseren en geheel van de geest van het Evangelie te doordringen, dat nu veeleer mogelijk is dan vroeger, omdat de goddeloze, tegen de Heere en Zijn Gezalfde strijdende macht van de wereld nu voor altijd vernietigd is en de duivel, die de heidenen verleidt, in de afgrond is gesloten. Wat echter eigen vlees en bloed aangaat, daaraan is een krachtig tegenwicht gegeven doordat een gemeente op Zion aanwezig is, die geheel in de Geest wandelt, waaraan het Evangelie Zijn reeds door het leven op aarde zaligmakende kracht heeft betoond en de opzieners van deze gemeente, de leden van het kerkbestuur maken de apostelen en martelaars uit, die tot de eerste opstanding zijn gekomen. Evenmin als wij vroeger voor het zonderlinge van de gedachte mochten terugschrikken, dat de antichrist één was, die reeds eenmaal in leven was geweest en vervolgens onder Gods toelating door de macht van de duivel weer (als een man, zoals hij het had verlaten) teruggekeerd is, evenmin mogen wij nu de bepaalde uitspraak van deze plaats ontwijken, dat de Heere voor die tijd, dat Hij in de plaats van het antichristische rijk Zijn eigen Christelijk rijk in de wereld invoert, dat onder de regering stelt van hen, die Hij voor hun personen reeds tot volmaking heeft gebracht en die Hij nu tot dit doel in het aardse leven laat terugkeren. Alle vragen, hoe dit mogelijk zou zijn, heeft Hij reeds daardoor afgesneden, dat bij Zijn sterven de graven zich openden en vele lichamen van de heiligen, die ontslapen waren, opstonden en na Zijn opstanding uit de graven gingen, om zich in de heilige stad te laten zien (Mattheus 27:52). Deze gebeurtenis is een profetie van die toekomst, waarover wij hier spreken; en nu heeft immers de ten hemel gevaren profeet Elia eens schriftelijk met deze wereld verkeerd (2 Kron. 21:12), Mozes en Elia hebben op de berg van de verheerlijking met Jezus van Zijn uitgang gesproken, die Hij volbrengen zou te Jeruzalem (Lukas 9:30 v.) en de Heere zelf heeft als de Opgestane met Zijn discipelen de maaltijd gehouden (Lukas 24:41, Johannes 21:12). Dat alles zijn dan onderpanden, dat zo'n intreden van de hemelingen en verheerlijkten in de wereld zeer wel denkbaar is. Dat zou de dienst van de heilige engelen, die gedurende de hele tijd van deze Kerk zich geheel aan de ogen heeft onttrokken, volkomen vergoeden en juist het tegendeel teweeg brengen van hetgeen tegenwoordig de wereld is in zedelijk-godsdienstige zin (Lukas 16:8 Johannes 15:18 v. ; 16:8, 20 enz.) en dat de uitdrukking van ons boek (Hoofdstuk 8:13; 13:12 enz.) te kennen geeft: "die op de aarde wonen". En weer zal bij de gemeente, waarmee de hemelingen verkeren, de dood niet meer heersen; want die het geweld van de dood heeft (Hebreeën 2:14) is in de afgrond gesloten en kan in zijn dodenrijk niet eisen de zielen van degenen, die een goddelijk leven leiden als Henoch (Genesis 5:21). Zij verminderen dus ook niet in de 1000 jaren (Jesaja 65:20 Deuteronomium 34:7), maar worden gevormd om de Heere tegemoet opgenomen te worden in de lucht, als Hij na de duizend jaren in Vers 11 nu werkelijk van de hemel verschijnt (1 Thessalonicenzen 4:17). Deze, de Heere, is gedurende het millennium eerst weer op die wijze bij de Zijnen als in de 40 dagen tussen Pasen en hemelvaart. Hij is de Koning van het rijk, maar heeft in de wederopgestanen Zijn rijksbeambten, die in Zijn naam en onder Zijn leiding regeren, zodat de idee van een hiërarchie, zoals die in de Roomse Kerk vaak op zo wederrechtelijke wijze is toegeëigend en voor een tijd ook in haar aanmatiging is geduld, om haar in leven te houden, nu tot een volkomen bevredigende verwezenlijking komt.
Wat is dienvolgens de eigenlijke betekenis van het duizendjarig rijk? En waarom is het een noodzakelijk gedeelte in de geschiedenis van de ontwikkeling van het rijk van God op aarde? Wij zouden het een herstelling van het paradijs-leven van de eerste mensen kunnen noemen, met wie de Heere ook onmiddellijk verkeerde Genesis 3:8, maar een herstelling op veel heerlijker wijze, in Mattheus 19:28 de "wedergeboorte" genoemd. Van Zion uit moet onder de heerschappij van Christus de aarde nu toch nog tot een Eden worden verheerlijkt, zoals dat vroeger van die hof uit moest geschieden (Genesis 2:10 Psalm 46:5 Jesaja 11:9) en zeker zal veel geheel anders worden in de wereld onder de mensen, waarin overal de valse goden zijn omgeworpen en een altaar wordt gebouwd voor de God van de hemel (Hebreeën 3:14), dan het vroeger onder de heerschappij van de wereldse machten is geweest. De mening, dat het bestuur van Christus in tijdelijke, aardse zaken kwalijk te pas komt, moet binnen de tegenwoordige loop van de wereld met feiten worden weerlegd. De woeste volken, die door de beschaafde natiën van Europa en Amerika zijn onderworpen en tot eigen voordeel aangewend, te gronde gericht en zelfs van het laatste overblijfsel van hun goddelijke erfenis beroofd, moeten, nadat hun verdrukkers ten buit van de antichrist zijn geworden en door hem of met hem verdelgd zijn van de aarde, dan nu daardoor schadeloos gesteld, dat zij geplaatst worden onder het heilige volk van de Allerhoogste (Daniël 7:27) en weer in het bezit van hun menselijke rechten worden gesteld, maar ook met het burgerrecht van het hemelrijk worden zalig gemaakt. Eindelijk moet Hij, die het eens versmaadde alle koninkrijken van de wereld en haar heerlijkheid uit de hand van de vorst van deze wereld aan te nemen en daarvoor een zware, langdurige en stille veroveringsstrijd op de weg van lijden en verdragen en met enkel geestelijke wapenen op zich heeft genomen, om de mensheid af te dwingen, van de vorst van de wereld, krachtens zijn overwinnen de wereld en haar heerlijkheid uit de hand van Zijn hemelse Vader verkrijgen. Dit moet plaats hebben voordat de tijd van de wereld eindigt (Psalm 2:8), anders kan van de aarde niet een nieuwe hemel en een nieuwe aarde worden, waarin gerechtigheid woont (2 Petrus 3:13 Jesaja 65:17), maar er moest eerst een geheel andere wereld voor de zaligen worden geschapen. Wij voegen erbij: Jeruzalem moet het middelpunt en de hoofdstad van de wereld beheersende Christus worden, anders kan de heilige stad, die daarna van God uit de hemel op de nieuwe aarde neerdaalt, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is (Hoofdstuk 21:2), niet de naam dragen van het nieuwe Jeruzalem. Eindigde de geschiedenis van het rijk van God in de tijd van zijn aardse ontwikkeling met het profeten moordende Jeruzalem, waarlijk, de zalige eeuwigheid zou niet beginnen met het nieuwe Jeruzalem, maar op deze naam zou voor altijd een anathema (1 Corinthiërs 16:22) liggen; die is echter door hetgeen wij in Hoofdstuk 14:1, hebben gelezen en door hetgeen bij de eerste opstanding plaats heeft, weer geheiligd en hoog verheven boven de namen van alle andere steden, vooral ook boven Rome, dat in de tijd van de geschiedenis van de Kerk zulke vermetele aanmatigingen heeft doen horen.
Bij de beschouwing van het duizendjarig rijk moeten wij tevens erkennen, dat alle macht van de zonde, alle vatbaarheid voor de verleiding van de satan in de harten van de mensen met de zegen, die dat rijk der volkeren brengt niet overwonnen is, zodat de mensen, die daaraan blootgesteld en daardoor aangegrepen worden, daardoor ook vanzelf reeds enkel wedergeboren en inwendig heiligen zouden zijn geworden. God weet dat wel, daarom laat Hij de heerlijkheid van het duizendjarig rijk niet meteen overgaan in de heerlijkheid van de nieuwe wereld, maar laat het tussen beide eerst nog eens anders worden, vóórdat de laatste beslissing, geldende voor de hele eeuwigheid, komt.
In het duizendjarig rijk zal de dochter van Zion en de vrouw, op adelaarsvleugels in de woestijn gevoerd, aan de spits van de natiën staan. De dochter van Zion bestaat uit Joden, de zonnevrouw uit Europeërs, voornamelijk Duitse en Germaanse volken. Van hen ging ten tijde van het Oude Verbond, van deze ten tijde van het Nieuwe Verbond het Evangelie uit. Zulke grote koninkrijken als nu zullen er dan niet meer voorkomen, ook geen volksheerschappijen. Een bevindt zich aan de spits van de volken, Eén is Koning. De natiën komen naar Jeruzalem om de Heiland te vereren, die zij ook aan de plaats van hun woning aanbidden. Alle heidenen zullen bekeerd worden en langs spoorbanen en op stoomboten zullen de volken het uitgelezenste naar Jeruzalem brengen voor de Heere (Jesaja 66:19-21). De mensen zijn in het duizendjarig rijk ook nog zondaars en worden evenals nu als zondaars geboren; nog hebben allen het daglicht niet aanschouwd, die naar het goddelijk raadsbesluit van Adam zullen afstammen en ook na de zondeval, omdat God Zijn plannen door de duivel niet laat verstoren, als zondaars van hem afstammen moeten. Het brandt nog immer in de harten van de mensen en in de wereld, maar er zal niemand meer zijn, die olie in het vuur giet, dat nu door de duivel en zijn heirschaar en door zijn dienaars onder de mensen geschiedt; maar men zal integendeel het vuur uitblussen, zodat het veel minder zal branden. Door Christus' terugkomst verlicht en verschrikt, zullen de volken bij de aanvang zich in waarheid bekeren; maar tegen het einde van het duizendjarig rijk zal het kwaad onder de mensen weer toenemen en God zal de duivel nog eenmaal loslaten, opdat Hij de goddelozen, waaronder velen dan bejaarde zondaars zullen zijn, want de lieden bereiken in het duizendjarig rijk weer een hoge ouderdom, tegen de heilige stad aanvoert en opnieuw voor aller oog het heilloze van de zonde en hun helse plannen openbaar wordt en dan zal Hij de aanhang van de boze vernietigen en hem zelf in de vuurpoel werpen bij de valse profeet en de antichrist en alle volken van de aarde, die sinds Adam hebben geleefd, voor het wereldgericht stellen. Hoe zouden ook de gestorven goddelozen deel kunnen hebben aan het zalige leven van de rechtvaardigen? Zij zijn in de hades, in de plaats van de pijniging. En wanneer men nu vraagt, wat met hen gebeurt na het einde van de duizend jaren, dan is het antwoord te vinden in Vers 12, 13, waar wij lezen dat zij worden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven is, naar hun werken; zij worden dan uit hun voorlopige toestand overgebracht in de plaats van de eigenlijke straf en ellende "geworpen in de poel van vuur. " De gezaligden daarentegen gaan in tot de eeuwige vreugde van hun Heere. Hun leven bij de Heere meteen na de dood in het Paradijs is de eerste opstanding, de eerste trap van hun zaligheid; want "zalig zijn de doden, die in de Heere sterven van nu aan. " De tweede trap wordt beklommen in het nieuw Jeruzalem, want "zalig zijn zij, die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft van het Lam. " Ook de Heiland heeft van deze beide trappen van de zaligheid gesproken: van de eersten tot de kwaaddoener aan het kruis, tot Zijn discipelen, bepaald tot Petrus en van de Zijnen in het gebed tot Zijn Vader en van de tweede trap van de zaligheid insgelijks bij herhaling. Johannes noemt beiden hier een "opstanding. " Omdat nu de tweede de eigenlijke opstanding is, zo draagt de eerste trap die naam in oneigenlijke zin. Iets vroeger noemde hij die met een eigenlijke bewoording: "leven. " Overigens is het een zeer algemene, spreekwijze van de Heilige Schrift, elke overgang van ellende tot heil, van vernedering tot verheffing een "opstanding" te noemen. De opwekking van doden ten leven door Elia en Elisa draagt de naam van "opstanding"; en Paulus noemt de bekering en wedergeboorte van de zondaar een "opwekking. " "Zalig" is hij, die zich volkomen gelukkig voelt; maar "heilig" zegt nog veel meer. Wel zijn de gelovigen reeds in dit leven heilig, want zij zijn afgezonderd van de wereld, die achter haar glans en haar bedrieglijk klatergoud de diepste ellende verbergt; wel bevinden zij zich reeds hier in de heerlijke toestand van "kinderen van God", maar hun heiligheid en heerlijkheid openbaart zich eerst volkomen in het Paradijs; want daar zijn zij priesters van God en Christus, zonder vlek of rimpel. De tweede dood heeft geen macht over hen; want zo spreekt de Heere: "die leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid" en: "zo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal de dood niet zien in eeuwigheid".
In werkelijkheid is nu de tijd daar, dat een reine, God welgevallige hulde door de mensen kan worden gebracht in de zaligheid en zuiverheid van een volkomen geestelijke gezindheid en men ziet, dat aan hen, die alzó tot God naderen om Hem te dienen, de hele wereld toebehoort. Zo heersen dan deze priesterkoningen eenvoudig reeds door hetgeen zij zijn. Het is geen uiterlijk werkende macht, maar een kracht is het zeker; een doordringende kracht van aantrekking, overtuiging, overwinning van het hart van anderen en laat ons in het oog houden, dat er geen tegenwerking meer bestaat van duivel of beest. O, wat een overheerlijke ontwikkeling zal dit zijn van het rijk van God op aarde, wanneer al deze hinderpalen en die tegenstand vernietigd zullen zijn, en alle uiterlijke omstandigheden en betrekkingen slechts door Christus en Zijn heiligen geestelijk bestuurd worden! Dan zal het Christendom in geest en waarheid de wereld in alle levensomstandigheden doordringen, de vereniging van priesterdom en koninkrijk en de regeerders zal zich in hun rijk op aarde afspiegelen als vereniging van kerk en staat. Dat is Gods koninkrijk of het koninkrijk van de hemelen, onderscheiden van de enkele Kerk, die tegenwoordig nog bestaande vorm: het hemelrijk is het priesterschap van de gemeente. Dan zal de geestelijke gezindheid overal en ongestoord naar buiten kunnen werken, werelds en geestelijk gebied zullen niet meer gescheiden zijn. Er is geen tegenstelling meer zoals die van de vrouw (de gemeente van de Heere) en het beest (de anti-christelijke macht); dan kan men zich in God over de wereld verheugen! Alle poëzie, alle kunst, alle wetenschap alle gezelligheid zal dan op de aarde Christelijk kunnen zijn; want de koninkrijken van de wereld zijn dan van onze Heere en van Zijn Christi geworden, de Godsregering is in wezenlijkheid de Christusregering in de innigste betekenis van het woord geworden (Openbaring 1:15). Op deze aarde moet het bekend worden en duidelijk aan het licht treden, dat de duivel als geweldenaar zich de heerschappij over de koninkrijken van de aarde heeft aangematigd, de mens, bestemd tot beheerser van de aarde (Genesis 1:26), moet zich nog eenmaal met volle ongedeelde en geheiligde vreugde over deze aarde verheugen; dan zullen allen daarover gevoede idealen tot wezenlijkheid komen. Daarmee zijn nu de wegen van de goddelijke lankmoedigheid en genadeaanbieding voleindigd. Niet alleen de dan nog op aarde levende mensen, maar ook de nog niet opgewekten doden (Openbaring 0:5-12) wordt het, in de verheerlijkte gemeente te zien gegeven, wat een heerlijkheid er voor de mens in Christus Jezus bestaat. Wie nu evenwel nog volhardt in tegenstreven en opstand tegen Christus, die is aan het oordeel voor eeuwig overgegeven; maar wie het heil in Christus dan nog aangrijpt, die zal op de jongste dag en bij de algemene opstanding nog "ingebonden worden in het bundeltje van de levenden. "
De tegenwerpingen tegen de opstanding vóór het duizendjarig rijk zijn vermenigvuldigd geworden en men heeft er vooral veel werk van gemaakt, om daaraan de steun te ontnemen van Openbaring 0:4, 5, door te trachten die tekst zinnebeeldig uit te leggen, alsof er voldoende reden bestond, om die zo te verklaren. "Bij de uitlegging van de Schrift", zegt de verstandige Hooker, "heb ik als een vast beginsel aangenomen, dat wanneer de letterlijke verklaring aannemelijk is, die, welke het meest van de letter afwijkt, gewoonlijk de minst goede is. " "Laat ons", zegt Luther, "in de Schrift geen overdrachtelijke of verbloemde spreekwijze zoeken, tenzij de letterlijke verklaring ons tot een klaarblijkelijke tegenspraak voert. " Dit nu is hier het geval niet. Niet alleen, dat er niets in de tekst gevonden wordt, dat ons verplicht hem figuurlijk op te vatten, maar alles integendeel noodzaakt ons om hem letterlijk te verstaan. Omdat toch hetzelfde woord in dezelfde tekst voor geen twee verschillende uitleggingen vatbaar is, zo moet u, als u hetgeen op de eerste opstanding betrekking heeft, figuurlijk verstaat, ook noodwendig zo verstaan hetgeen de laatste betreft, omdat zij beide van dezelfde aard zijn, iets dat u onvermijdelijk tot het besluit leidt, dat u evenmin wilt, dat Hoofdstuk 20 van de Openbaring een woord zegt van de letterlijke opstanding. Een terecht gewaardeerd schrijver, bisschop Newton, heeft gezegd: "Als de martelaars alleen in een geestelijke zin opstaan, dan zullen de overige doden eveneens in een geestelijke zin opstaan, maar als de overige doden werkelijk opstaan, dan zullen ook de martelaars zo opstaan. In dit punt kan tussen deze twee geen verschil bestaan, en laat ons toezien, dat wij niet door de eerste opstanding voor een zinnebeeldig iets te houden, oorzaak worden, dat anderen evenzo handelen met de tweede en evenals Hymeneus en Filetus van de waarheid afwijken, zeggend dat de opstanding al geschied is en zo sommiger geloof verkeren. Mede denkt daarover evenzo: "Het is mij niet mogelijk", zegt de schrijver, "om de eigenlijke en natuurlijke zin van de Schrift te laten varen, zolang ik daartoe niet genoodzaakt word, hetzij door de betekenis van de tekst, of door duidelijke blijken van verbloemde spreekwijzen, of door de aard van de zaken, die alle letterlijke verklaring onmogelijk maken. Handelen wij anders, dan schokken wij de grondslagen van de goddelijke openbaring en stellen onze eigen meningen in de plaats van de Schrift. Hoofdstuk 20 van de Openbaring chter komt mij voor, het duidelijkste en eenvoudigste te zijn van al de verhalen, die dit boek behelst. Ontbloot van zinnebeelden en ontdaan van profetische figuren geeft het slechts een klein getal van die verbloemde uitdrukkingen, die door het gebruik gelijk staan met gewone spreekwijzen, of die reeds uit andere gedeelten van het boek bekend, daar verschijnen eveneens als de eigennamen in de geschiedenis, bijvoorbeeld "de oude slang, het beest" enz. Het is van belang de twee afdelingen van de Middelaars heerlijkheid van de Heere te onderscheiden. Het is evenzeer van belang om de band, die ze verenigt, te erkennen en in het oog te houden. Men moet de toekomstige gelukzaligheid van de verheerlijkte gemeente niet scheiden van de toekomstige gelukzaligheid van de aarde onder de regering van de Christus, maar veeleer zien op de innige band, die er bestaat tussen beiden", zegt Herschel. Het is niet minder noodzakelijk om in te zien, dat de aardse kring van het Middelaars-koninkrijk vooral het onderwerp van de profetie is en dat men daarvan een juist begrip moet hebben. Men maakt zich van de toekomstige eeuw maar al te zeer een hersenschimmig denkbeeld. De duizendjarige bedeling zal voorzeker een heerlijke bedeling zijn, vergeleken bij al de andere, die haar zullen zijn voorafgegaan; maar daarom zal zij niettemin altijd een aardse bedeling zijn een tussenbedeling tussen die, die nog duurt en de eeuwige heerlijkheid en die juist bestemd is, om de overgang van de een tot de andere uit te maken. De maatschappij zal ongetwijfeld blijven bestaan onder dezelfde algemene voorwaarden; alleenlijk zal de Christus in persoon tegenwoordig zijn, Zijn heerlijke tegenwoordigheid openbaren, Zijn macht ten toon spreiden en satan er niet meer zijn; daarna zal de Geest van God overvloedig uitgestort worden over deze arme aarde, die dan in een waar Karmel zal veranderd worden; maar (Jesaja 32:15) de menselijke ziel zal altijd voor zonden vatbaar blijven, het lichaam zal altijd sterfelijk zijn, het vlees zal voortgaan met tegen de geest te strijden. een volkomen geheiligde ziel, een verheerlijkt lichaam, een zuivere en onvermengde gelukzaligheid, dat alles moet ongetwijfeld verwezenlijkt worden zelfs gedurende het duizendjarig rijk, maar voor de gemeente en niet voor Israël en de volken, maar in een veel verhevener stand van zaken, in een geheel nieuwe, geheel goddelijke kring, in het hemels Jeruzalem; daarna het duizendjarig rijk, op de nieuwe aarde, die God scheppen zal voor al Zijn verlosten en waarop het nieuwe Jeruzalem uit de hemel zal neerdalen (Openbaring 1:1-8).
Dat de apostel Johannes, in welke nader te bepalen zin dan ook, een wezenlijke Chiliast is, dat is, een duizendjarig Christusrijk leert, is eigenlijk voor geen tegenspraak vatbaar. Daartoe is de letter zelf te duidelijk, te vaak herhaald, te ruim ontwikkeld. Hetzij wij het met sommigen, waaronder Hengstenberg, verstaan van een duizendtal jaren, dat zijn aanvang genomen zal hebben met het jaar van de kroning van Karel de Grote tot keizer van het nieuwe Westerse rijk (800) en (zonder dat de Kerk van Christus er iets van vermoed heeft!) met het jaar 1806 reeds zijn voleinding heeft gehad, hetzij, met anderen, van een nog toekomstige, hetzij dan letterlijk of zuiver ideëel bedoelde toestand voor Kerk en mensheid op te vatten, een duizendjarig rijk kan niet ontkend worden door Johannes met de grootst mogelijke stelligheid ten besluite van zijn profetische gezichten geleerd te zijn. Maar ook het letterlijke, of liever werkelijke van deze duizendjarige Christusregering op aarde volgt noodzakelijk uit de samenhang en geheel de wijze van voorstelling bij de Nieuw-Testamentische ziener. Zo waarachtig toch de overwinning over het beest en het binden van de satan (19:19-21, 20:1), hoewel in symbolische taal beschreven een werkelijk te volbrengen gebeurtenis in de toekomst te kennen geeft, zo wezenlijk moet noodwendig ook de regering van de Christus, met Zijn heiligen in het apocalyptisch woord bedoeld zijn, of alle praktische betekenis van deze profetie gaat verloren in een ijdele klank, in een vrije beschouwing van een nooit bereikt of te bereiken ideaal. De aard van de profetie en haar vervulling in de Heilige Schrift was vanouds juist het tegenovergestelde van dat vervliegen en verdampen van feitelijke toestanden in louter ideeën. De wet en weg van de goddelijke bedelingen strekt juist tot de verwezenlijking van de hoge Godsgedachte, tot het zichtbaar belichaamd worden van een geestelijk beginsel. Ook het duizendjarig rijk daarom, door Johannes in de geest gezien en beschreven, is uit de aard van de goddelijke profetie een denkbeeld van God, met betrekking tot de gemeente, tot de mensheid, tot deze aarde, dat zijn verwezenlijking tegemoet gaat; en geenszins een aan tijd noch plaats recht verbonden ideaal. Voor deze letterlijke of reële opvatting pleit verder niet weinig de nadrukkelijke herhaling van de uitdrukking tot zesmaal toe in de beperkte ruimte van enige weinige kapittelverzen bij de apostelziener (20:2-7). Is het denkbaar dat een tijdvak, met zo telkens en stellig herhaalde nadruk te kennen gegeven, in de taal van de ziener van de Apocalyps niets meer of anders zou bedoelen dan zeer in het algemeen een ideale toestand van de Christelijke Kerk? Loopt het, bij die plechtige en krachtige herhaling van het tijdvak en zijn (zij het dan ook letterlijke of symbolische) duur, niet veeleer in het oog, dat die duizend jaren van de Christus hetwelk is Messias-regering bij Johannes niet anders kunnen bedoelen, dan juist dat tijdvak van vrede, Godskennis, heerlijkheid, door alle Godsprofeten vanouds voorspeld voor alle volken van de aarde onder de scepter van de beloofde Koning en Verlosser uit Israël? Met andere woorden, dat Messiaanse rijk op aarde, waarvan de verwachting op zichzelf toch wel nooit aan de Joden door Jezus of Zijn apostelen verweten of ontnomen is, mits alleen als gevolg en vrucht van een Messias-lijden erkend en vastgehouden? Wat met gloeiende verven in allerlei bijzonderheden de Oud-Testamentische profetie gedurende jaar duizenden van geslacht tot geslacht verkondigd en voor geschilderd heeft, zonder bepaling van jaren of eeuwen, datzelfde nogmaals en voor alle volgende geslachten in de gemeente naar Christus' naam genoemd, maar met verrassende bijvoeging van de tijdsduur te herhalen, ziedaar het doel voor Johannes weggelegd aan het slot van zijn apostolisch-profetische loopbaan. Door dat getal nu bepaald van duizend jaren moge een bepaald afgepast tijdvak van tien eeuwen, of wel een onbepaalde lengte van eeuwen te verstaan zijn, het wezen van de zaak ligt niet in het aantal jaren, maar in het geheel enige, heerlijke en nog aanstaande van dat bij eeuwen te rekenen tijdvak, waaraan op een bepaald ogenblik na ontzaglijke worstelingen, met de wederverschijning van de Heere, een begin en met de loslating opnieuw van de vijand voor een kleine tijd (20:7) een einde zal worden gemaakt. In elk geval is (20:1 en) het duizendjarig rijk bij Johannes dat sabbathische jaar duizend, dat (volgens de bekende Joodse overlevering) op zes jaar duizenden van arbeid en lijden in de orde van de goddelijke bedeling moet volgen. In dat Johanneïsche jaar duizend is dan nu de plaats verordend voor al die rijkdom van beloften, waarvan van Israël profeten overvloeien en die in hun goddelijke verheven schilderingen niet alleen Palestina maar geheel deze aarde, niet het volk van Israël alleen, maar alle volken van de wereld omvatten; maar dan ook, omgekeerd tevens van al die heerlijkheid en zegen en vrede en Godskennis op aarde en Palestina als middelpunt en de zichtbare tegenwoordigheid van de Messias met de ontelbare schaar van Zijn verlosten als onmiddellijke oorzaak verkondigen. Dan en dan voor het eerst in al Zijn volheid en rijkdom, wordt het bewaarheid, dat "God Koning zijn zal over de hele aarde, dat de Heere zal zijn één en Zijn naam één; " dat "Hij, de Messias, Zoon van David, regeren zal van zee tot zee en van de rivier tot aan de einden van de aarde", dat "de aarde zal zijn vol van kennis van de Heere, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken, te dien dage wanneer de heidenen zullen vragen naar de wortel van Isaï, die staan zal tot een banier van de volken en wiens rust heerlijk zal zijn; " (Jesaja 11:9, 10) "dat de berg van het huis van de Heere zal vastgesteld worden op de top van de bergen, en dat Hij zal verheven worden boven de heuvelen en alle heidenen tot die zullen toevloeien en vele volken zullen heengaan en zeggen: Kom, laat ons opgaan tot het huis van de God Jakob, opdat Hij ons leert van Zijn wegen en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan en het woord van de Heere uit Jeruzalem en Hij zal richten onder de heidenen en bestraffen vele volken en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen; het een volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen en zij zullen geen oorlog meer leren. " (Jesaja 2:2-4). Dat zullen dan de tijden van de volle en wezenlijke vervulling zijn van die schitterende voorspelling aan het huis van Jakob, het stamhuis van David: "een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouder en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader van de Eeuwigheid, Vredevorst. Van de grootheid van deze heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en in Zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en dat te sterken met gerichte en met gerechtigheid van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Heere van de heirschaar zal zulks doen" (Jesaja 9:5, 6). Dan zal vervuld worden, onder en met zo velen, dat woord weer van een andere profeet van Israël uit de dagen van de Babylonische vreemdelingschap (Ezechiel 37:21-28): "Zo zegt de Heere Heere: Zie, Ik zal de kinderen van Israël halen uit het midden van de Heidenen, waarheen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom en brengen hen in hun land. En Ik zal ze maken tot een enig volk in het land, op de bergen van Israël en zij zullen allen te samen een enige Koning tot Koning hebben en zij zullen niet meer tot twee volken zijn, noch voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn. En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden en met hun verfoeiselen en met al hun overtredingen: en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, waarin zij gezondigd hebben en zal ze reinigen. Zo zullen zij Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn. En Mijn knecht David zal Koning over hen zijn: en zij zullen allen te samen één Herder hebben en zij zullen in Mijn rechten wandelen en Mijn inzettingen bewaren en die doen. En zij zullen wonen in het land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen en hun kindskinderen tot in eeuwigheid en Mijn knecht David zal hun vorst zijn in eeuwigheid. En Ik zal een verbond van vrede met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal de inzetten en zal ze vermenigvuldigen en Ik zal Mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid. En Mijn tabernakel zal bij hen zijn (Openbaring 1:3) en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de heidenen zullen weten dat Ik de Heere ben, die Israël heiligt, als Mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn in eeuwigheid.
Of in de laatste tijd van de wereld een heerlijke staat van de Kerk te verwachten is? Dit is het voelen van zeer vele uitnemende godgeleerden van alle tijden en van verre de meesten in onze dagen en het is mij zo duidelijk uit het Woord van God, dat ik daaraan geheel geen twijfel heb. Zie dit in dit hoofdstuk, als de antichrist geheel vernietigd zal zijn en eer Gog en Magog zullen opstaan, zal de duivel zo gebonden zijn, dat hij geen strijdende partij tegen de Kerk zal kunnen voortbrengen (Vers 1-3). Dan zullen de heiligen met Christus als priesters en koningen heersen (Vers 4, 6). Onder de zevende bazuin zullen de koninkrijken van de wereld in Christus geloven en zich onder Christus tot Zijn dienst buigen (Openbaring 1:15) "de koninkrijken van de wereld zijn geworden van onze Heere en van Zijn Christus. " Dit geeft te kennen een buitengewone toevloed van allerlei natiën tot Christus en Zijn dienst, dat niet anders kan dan deze Kerk heerlijk maken. Die heerlijke staat van de Kerk blijkt uit de beschrijving van de goederen en hoedanigheden, die zij in die dagen hebben zal. Die bijzondere zegeningen zijn: de antichrist, die de Kerk zoveel kwaad gedaan heeft, zal geheel vernietigd zijn en blijven. De duivel zal gebonden zijn, zodat hij geen openbare, tegen de Kerk strijdende partij zal kunnen opmaken, zoals hij eerst door de Romeinse keizers en daarna door de antichrist gedaan heeft en nog doet. De Turk, de erfvijand van de Kerk, zal geheel verbroken worden om de weg te banen tot het samenbrengen en bekeren van de Joden en door hen tot bekering van de Oosterse volken (Hoofdstuk 16:12). De hele Joodse natie zal onze Heere Jezus erkennen als de ware en enige en hun beloofde Messias; zij zullen zich tot Hem bekeren, Hem bijzonder liefhebben, eren en verheerlijken. Er zal zijn een bijzondere ijver onder de heidenen om Christus te kennen en in Hem te geloven. De kennis van de Heere Jezus, de liefde tot Hem, de ijver voor Hem, de heiligheid van het leven, de heerlijkheid zal zo groot zijn in de Joodse natie, dat de heidenen tot hen zullen toevloeien en tot het geloof in Christus. "Als hun verwerping de verzoening is van de wereld, wat zal de aanneming anders wezen dan het leven uit de doden? " (Romeinen 11:15). Als Juda en Israël een vloek zouden geweest zijn onder de heidenen en zij weer tot zegening zouden zijn, dan zal het geschieden, dat "tien mannen uit allerlei tongen van de heidenen grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van één Joodse man, zeggende: wij zullen met jullie gaan, want wij hebben gehoord, dat God met jullie is. " (Zacharia 8:23). "Maar in het laatste van de dagen zal het geschieden, dat de berg van het huis van de Heere vastgesteld zal zijn op de top van de bergen; en hij zal verheven zijn boven de heuvelen en de volken zullen tot Hem toevloeien. En vele heidenen zullen heengaan en zeggen: kom, laat ons opgaan tot de berg van de Heere en tot het huis van de God Jakob, opdat Hij ons leert van Zijn wegen en wij in Zijn paden wandelen" (Micha 4:1, 2) Er zal zijn een uitnemende vreedzaamheid en kennis van de goddelijke verborgenheden (Jesaja 11:9). "Men zal nergens leed doen op de hele berg van Mijn heiligheid, want de aarde zal vol van kennis van de Heere zijn, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken" (Jesaja 60:17). "Ik zal uw opzieners vreedzaam maken en uw drijvers rechtvaardig" (Jesaja 60:18). "Uw muren zult u heil heten en uw poorten lof" (Jesaja 60:19). "Maar de Heere zal u wezen tot een eeuwig licht. " Er zal zijn een uitnemende heiligheid (Jesaja 60:21). "Uw volk zullen allen te samen rechtvaardigen zijn" (Zacharia 14:21). "Er zal geen Kanaäniet (openbaar goddeloze) meer zijn in het huis van de Heere van de heirschaar op die dag (Zacharia 14:20). "Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: de heiligheid van de Heere (Zacharia 14:21). "Ja, al de potten in Jeruzalem zullen de Heere der heirschaar heilig zijn enz. " Hetwelk uitdrukkingen zijn, die grote heiligheid in al hun bedrijf te kennen geven (Zacharia 12:8). "Die onder hen struikelen zou, zal op die dag zijn als David en het huis David's zal zijn als goden, als de engel van de Heere voor hun aangezicht. De Heere zelf zal Zich bijzonder in hen tegenwoordig vertonen" (Zacharia 2:4). "Jeruzalem zal dorpsgewijze bewoond worden vanwege de veelheid van de mensen en beesten, die in het midden van haar wezen zal" (Vers 5). "En Ik zal hun wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom" (om hun in plaats van sterke wallen te zijn, die ze niet nodig zullen hebben). En Ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van hen" (Zefanja 3:17). "De Heere uw God is in het midden van u, een Held, die verlossen zal. Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap. Hij zal zwijgen in Zijn liefde, Hij zal Zich over u verheugen met gejuich" (Jesaja 60:19). "De Heere zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uw sierlijkheid. " De Heere Jezus zal Koning zijn, de Kerk haar eigen kerkstaat hebben en geen overlast lijden van enige overheid (Zacharia 14:9). "De Heere zal tot Koning over de hele aarde zijn; op die dag zal de Heere één zijn en Zijn naam één. " (Daniël 2:44) "Maar in de dagen van die koningen zal de God van de hemel een koninkrijk verwekken, dat in van de eeuwigheid niet verstoord zal worden en dat koninkrijk zal aan geen andere volken overgelaten worden; het zal al die koninkrijken vermalen en teniet doen; maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan. " (Daniël 7:27): "Maar het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de hele hemel zal gegeven worden de volken van de hoge plaatsen, welk rijk een eeuwig rijk zal zijn en alle heerschappijen zullen Hem eren en gehoorzamen. " Er zal zijn een bijzondere vruchtbaarheid van de aarde en overvloed van levensmiddelen tot onderhoud van de gegoeden en mededeling aan de armen, die er altijd zullen zijn, maar dan rijkelijk zullen worden onderhouden (Ezechiel 34:26 zal deze en de plaatsen rondom Mijn heuvel stellen tot een zegen; en Ik zal de plasregen doen neerdalen op zijn tijd; plasregens van zegen zullen er zijn" (Ezechiel 34:27). "En het geboomte van het veld zal zijn vrucht geven en het land zal zijn inkomst geven en zij zullen zeker zijn in hun land. " (Amos 9:13): "Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat de ploeger de maaier en de druiventreder de zaadzaaier genaken zal en de bergen zullen van zoete wijn druipen en al de heuvelen zullen smelten. " Al deze teksten spreken niet van de wederkering uit de gevangenis van Babel, ook niet van de tijd van het Nieuwe Testament in het begin, maar van de tijd van de bekering van de Joden in de laatste dagen en wat de Heere dan aan Zijn Kerk doen zal, zoals de omstandigheden van de teksten tonen en de verstandige lezer zal kunnen zien. Neem dit alles bij elkaar en u zult de sluitreden vinden. De antichrist en de Turk, de twee hoofdvijanden, zullen vernietigd zijn, de duivel zal gebonden zijn de tijd van duizend jaren en in de tijd van zijn binding zullen de Joden bekeerd en een buitengewone uitbreiding van de Kerk onder de heidenen zijn. De Kerk zal uitmunten in vreedzaamheid, kennis van God en heiligheid. God zal Zijn tegenwoordigheid in Zijn Kerk op een bijzondere wijze vertonen. Jezus alleen zal Koning zijn en niemand zal onderstaan, de Kerk te overheersen, maar zij zal onder haar eigen kerkstaat gelaten worden en er zal een uitnemende vruchtbaarheid zijn. Waaruit niets anders dan tot een heerlijke staat van de Kerk kan besloten worden. Of de Heere Jezus in het begin van het duizendjarig rijk persoonlijk naar Zijn menselijke natuur van de hemel zal komen en die duizend jaren lichamelijk, zichtbaar heersen? Nee! Het zijn te aardse gedachten. Christus kan zowel regeren in de hemel zijnde, alsof Hij naar het lichaam op aarde was. Is daarin zaligheid voor de mensen op aarde, zo zouden de verheerlijkten in de hemel de tegenwoordigheid van Christus, waarin ook hun zaligheid bestaat, moeten missen. Weinigen zouden op aarde Christus' tegenwoordigheid genieten, omdat Christus maar op één plaats kan zijn en de Kerk zeer wijd uitgestrekt zal zijn. En het is tegen de Bijbel, die zegt: "als Hij op aarde was, dan zou Hij zelfs geen Priester zijn (Hebreeën 8:4). Dan hadden de gelovigen geen voorspraak in de hemel. De Schrift meldt van geen andere lichamelijke komst, dan de komst ten oordeel, in de wolken, met de stem van de archangel, wanneer alle doden opgewekt zullen worden. Of de martelaren dan naar het lichaam zullen opstaan, duizend jaren leven zonder sterven en hier op aarde de heerschappij hebben? Nee! Het zijn te aardse gedachten, die een minder geestelijk mens makkelijk vervoeren en tot meer aardse gedachten afleiden, hoewel onder voorwending van geestelijkheid. De Schrift kent geen lichamelijke opstanding dan op de jongste dag (Johannes 6:39, 40, 44. 1 Thessalonicenzen 4:14-17). Zij zullen heersen in hun zaak, waarom zij gestorven zijn, die zal boven drijven, zoals Elia werd gezegd, te zullen komen, dat te verstaan is van de geest en de kracht van Elia (Lukas 1:17). Het loon zal de martelaren in de tegenwoordigheid van de wereld gegeven worden, als de gelovigen zullen opstaan (2 Timotheus 4:8). "Voorts is mij weggelegd de kroon van de rechtvaardigheid, die mij de Heere, de rechtvaardige Rechter op die dag geven zal en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning liefgehad hebben. " (2 Thessalonicenzen 1:6, 7): "Zo het recht is bij God, verdrukking te vergelden, die u verdrukken en u, die verdrukt wordt, verkwikking met ons in de openbaring van de Heere Jezus van de hemel met de engelen van Zijn kracht. " En behalve dat, de heilige martelaren zullen geen vermaak hebben over anderen lichamelijk te heersen, de heerlijke hemel te verlaten en weer op aarde onder zondige mensen te verkeren. Diezelfde, die hier gezegd worden te heersen, zullen veel kwelling en grote vervolgingen van Gog en Magog moeten uitstaan, dat van de verheerlijkte martelaren niet gezegd kan worden. Of de Kerk in die tijd zal bestaan alleen uit ware gelovigen, zonder vermenging met onbekeerden? Er zullen dan nog vele onbekeerden in de Kerk zijn; maar het getal van de ware bekeerden zal ongelofelijk groot zijn; geest en leven zullen de Kerk vervullen, de godzaligen zullen dan de overhand en het bestuur van de Kerk in handen hebben, de anderen zullen zich geveinsd onderwerpen en als iemand ergernissen geeft, die zal in de Kerk niet geduld worden, maar zal door de kerkelijke tucht of verbeterd of uitgesloten worden. Als de Kerk in die tijd op het heerlijkst zal geweest zijn, zal zij allengs afnemen, de godzaligen zullen verminderen en de onbekeerden vermeerderen, zodat deze op het laatst weer ver de meesten zullen zijn, zoals in de opstand van Gog en Magog zal blijken, waarin de onbekeerden in de Kerk zullen samenspannen met de goddeloze natiën buiten de Kerk, zoals er dan nog verscheidenen zullen zijn; de Kerk zal de hele aarde niet beslaan.
Zij leefden het leven van de heerlijkheid (Lukas 20:38 Romeinen 2:7; 6:23), dat het ware leven is, hetzij men let op de nauwe gemeenschap met God, de Fontein van alle leven, hetzij op de volmaakte en onophoudelijke werkzaamheid in het goede, hetzij op de nevensgaande voorspoed en de blijdschap, hetzij op de daarvan gescheiden dood. Er wordt hier gesproken van zielen, dit is dus geen geestelijk leven op aarde, dat tot het lichaam behoort, terwijl een lichamelijke opstanding, door de Chiliasten gedroomd, nog meer van de letter afwijkt. Zij heersen met Christus, niet werelds noch uiterlijk, maar geestelijk en heerlijk; zij zijn bij Christus in de hemel, die daar zit op van Zijn Vaders troon en met Wie de zielen in hun dood verenigd worden (Lukas 23:43. 2 Corinthiërs 5:1, 8 Filippenzen 1:23). Het wordt niet gezegd, dat met de duizend jaren het geluk een einde zal nemen; wel het binden van de satan. Men moet dus de duizend jaren met de eeuwigheid verenigd achten. Uitdrukkelijk worden echter de 1000 jaren genoemd, opdat niemand menen zou, dat de zaligheid van de zielen werd uitgesteld tot de laatste dag en de hele vernietiging van de satan. Terecht heet die de eerste opstanding, het voorspel en onderpand van de tweede, van het leven van de hele mens, op dit leven volgende, waardoor hij op de jongste dag wegens de herstelling van het lichaam geheel aan het verderf onttrokken wordt. De heerlijke naam van eerste opstanding, waarop een tweede volgt, verheft niet weinig dit geluk.
De Heilige Geest leert ons, dat in de profetie van Ezechiël (Ezechiel 37:1) een geestelijke zin ligt opgesloten, die geestelijk moet worden overgebracht tot die grote verlossing, die God aan de Kerk van het Nieuwe Testament eindelijk eens zou toebrengen na een lange verdrukking en een strijd met het rijk van de goddeloosheid en bijgelovigheid, wanneer de Heere Zijn beloften zou vervullen en tonen getrouw te zijn. Er zal eens een dag komen, die de Heere maken zal, wanneer Hij dit grote werk van Zijn rechterhand voleindigen zal.