21. En ook zal Ik, omdat in het meer uitgebreid geworden Jeruzalem (
Hoofdstuk 54:2 v.) de geestelijke tempeldienst een veel groter personeel nodig heeft, dan ooit te voren, uit deze 1) bekeerde heidenen, die daardoor mede het algemeen priesterlijk karakter van Mijn volk hebben verkregen (
Exodus 19:6.
1 Petrus 2:5, enigen tot priesters en tot Levieten nemen 2) die in Mijn groot rijk met Israël dezelfde plaats zullen innemen, die in
Hoofdstuk 61:6 is aangewezen, zegt de HEERE.
1) Tot hiertoe waren de Priesters en de Levieten alleen genomen uit de Joden en waren allen van een stam; maar in de Evangelie tijden zou God er uit de heidenen nemen, om de heilige dingen te bedienen, om het volk te leren en hen te zegenen in den naam des Heren en om de uitdelers van Gods verborgenheden te zijn, gelijk de Priesters en Levieten onder de wet waren.
2) De ambtelijke bediening van het Woord en van de Sacramenten is uit God. Ik zal nemen, zegt hier de Heere. Gelijk God, de Heere, onder de Wet den dienst van het heiligdom door de Priesters had ingesteld, zo zegt God de Heere hier, dat ook Hij zelf in de dagen der N. Bedeling het ambt van Bedienaar van het Woord zal instellen. Dat ambt zal echter niet beperkt blijven tot de Joden, maar ook uitgestrekt worden tot de heidenen. 22. Want gelijk als die a) nieuwe hemel en die nieuwe aarde, die Ik naar Mijn voornemen (Hoofdstuk 65:17) maken zal, voor Mijn aangezicht zullen staan, als Mijne dienaren en lofredenaars Mijner heerlijkheid (1 Koningen 10:8; 17:1. Psalm 19:2), spreekt de HEERE, alzo zal ook ulieder zaad, o Israël! en ulieder naam voor Mij staan. 1)
a) 2 Petrus 3:13. Openbaring 1:1.
1) Aan het einde van zijne Profetieën wijst de Profeet, en de Heere door den Profeet, nog eenmaal op de volkomen heerlijkheid, die komen zal. De nieuwe aarde en de nieuwe hemel waren ja de verlossing uit Babel, en verder de geestelijke redding door Emmanuel, maar ook beeld en profetie van wat eenmaal volkomen zal komen. En gelijk die nieuwe hemel en die nieuwe aarde eeuwig zullen blijven, eeuwig zullen blijven staan en niet meer weggaan, alzo zal ook Israël's zaad en Israël's naam voor des Heren aangezicht blijven staan.
Israël's zaad en Israël's naam is dan ook hier het zaad van het geestelijk Israël en de naam van het geestelijk Israël. De wereld der heidenen gaat voorbij, het vleselijk Israël gaat weg, maar al wie uit Israël en de volkeren door den Knecht des Heren is gered, zal blijven tot in eeuwigheid. De naam Israël heeft een blijvende, heeft een eeuwige betekenis. Gelijk de naam Jakob bleef aan gene zijde van den Jordaan en de naam Israël meeging over den Jordaan, zo zal het ook eenmaal zijn als de tijd der tijden is vervuld.
De naam van de geestelijke, de worstelende, van de hinkende Jakob's blijft hier, de naam van de overwinnende gelovigen gaat mede over dood en graf heen.
Jakob is als het ware de naam van de strijdende Kerk, Israël die van de overwinnende.