1. En ik zag in de rechterhand van degene, die op de troon zat, van God de Vader, wie alle macht toekomt in de hemel en op de aarde, om de wereld te regeren en de toekomst te beschikken, a) een boek, een lang perkament, over eenstaf samengerold, geschreven van binnen en van buiten. Het was beschreven niet alleen op de inwendige vlakte, die naar de staf gekeerd was, maar ook, omdat de rijke inhoud daar geen ruimte genoeg had gevonden, aan de zijde, die zich naar buiten bevond. En het was verzegeld aan het ondereinde van de rol, langs de hele staf met zeven zegels, zodat pas na het openen van al deze zegels het boek kon worden ontrold.
a) Ezechiel 2:10
Deze rol heeft de Heere eigenlijk niet in de hand, maar, zoals er staat, op de hand. Zij ligt op Zijn open rechterhand, terwijl Hij haar zoals het ware aanbiedt en wacht, of iemand waardig zal zijn die te nemen en te openen. Dat het echter bij dit openen niet zozeer te doen is om bekendmaken van de inhoud, als wel om volvoering van de daarin vervatte raadsbesluiten, daarop wijst de hand, in het bijzonder de hand, die tot handelen geoefend is, de rechter, die het boek voorhoudt. Een boek is de verzameling van aaneengeschakelde gedachten, de somma van hetgeen iemand bij zichzelf overlegd en besloten en wat hij vervolgens op schrift heeft gesteld, omdat het daarbij blijven moet en anderen zich daarnaar moeten richten. Dit boek bevat de gedachten en raadsbesluiten van God, die Hij reeds sinds lang op schrift heeft gesteld door het profetische woord van het Oude Testament en waarbij het ook moet blijven alles, wat verder op aarde in het rijk van de genade gebeurt, moet zich daarnaar regelen en er kan niets geschieden, wat niet vervulling van het voorspelde zou zijn. Dat dit zo is en wij niet, zoals de uitleggers willen, aan een pas geschreven boek met een geheel nieuwe inhoud, die nog eerst zou moeten worden bekend gemaakt, moeten denken, volgt bepaald deels uit de vorm van het boek, welke die van de heilige boeken van Israël is (Lukas 4:17) en de schrift in die zin, zoals het woord in Mattheus 22:29 Lukas 24:27 Johannes 2:22; 5:39; 7:15, 28 gebruikt wordt, voorstelt, deels uit de omstandigheid, dat na de opening van het zevende zegel in Hoofdstuk 8:1 ook niet op een enkele plaats staat, dat de ziener in het boek zou hebben gelezen, of dat door iemand daaruit iets zou zijn gelezen. Johannes weent vervolgens (Vers 4), dat niemand waardig werd gevonden het boek te openen en te lezen, noch er in te zien. Dat het hem er niet om te doen is, om de nog onbekende inhoud te vernemen, maar om iets anders, zullen wij bij de plaats zelf moeten duidelijk maken. Hij kan natuurlijk alleen de buitenzijde zien; maar daarop, dat ook deze, de achterzijde, beschreven is, komt het boven alles aan. Dat de binnenzijde beschreven is spreekt vanzelf; is datzelfde het geval met de buitenzijde, dan is aan de ene zijde de inhoud zo rijk, zo groot van omvang geweest, dat de ene, gewoonlijk gebruikte zijde niet voldoende was om die op te nemen; aan de andere zijde is echter het boek nu ook vol geschreven, er kan niets meer bijkomen, men zou een nieuwe perkamenten rol moeten beginnen, als men de inhoud wilde vermeerderen en dat moet niet geschieden, zoals vooraf het sluiten met zeven zegels te kennen geeft. Inderdaad is dan ook het schrift reeds in de tijd, dat Johannes de Openbaring ntvangt, in materieel opzicht gesloten. God voortijds, vele keer en op velerlei wijze gesproken hebbend tot de vaderen, heeft in deze laatste dagen gesproken door de Zoon. Iets dat hier boven gaat, dat in de schriften van het Oude Testament reeds staat en door de mond van Jezus Christus in de dagen van Zijn vlees de bevestiging en nadere bepaling heeft verkregen, verder door Zijn werk vervuld is geworden, kan de ziener niet worden meegedeeld, dat weet hij en ziet hij afgebeeld voor zich in de rol van het boek, die in- en uitwendig beschreven is met zevenvoudige zegels gesloten. Maar dit slot van zegels heeft daarom nog zijn andere betekenis, de hoofdzaak is daarbij nog iets anders. Onder zegels kan men iets leggen met het doel, dat van buiten af niemand er bij komt en het ongemerkt wegneemt, om het in zijn bezit te nemen, of er kennis van te nemen (Deuteronomium 32:33 Jeremia 32:10 v. Daniël 12:9). Dat dit doel niet bestaat en het boek daarom gesloten is, opdat niemand, die het niet waardig is, het zou opendoen en zijn zegels breken, daarin leest en de inhoud leert kennen, blijkt uit de juiste bepaling van deze inhoud, die niet bestaat in nieuwe verborgenheden, groter dan die, die in het profetische woord reeds geopenbaard zijn (Romeinen 16:25 v. 1 Corinthiërs 4:1), zoals overal slechts van een voltooiing van de verborgenheid van God (Hoofdstuk 10:7), niet van een verdere onthulling ervan sprake is en zelfs de voorstelling van de laatste dingen, die daar geschieden, slechts als de wederopvatting en nauwere ontvouwing van Oud-Testamentische profetie optreedt (Hoofdstuk 18:2 v. ; 19:13, 15, 17; 20:8 v. ; 21:1, Wij moeten dus het andere doel beschouwen, waarom iets onder zegels wordt gelegd; en dat is volgens Job 9:7 Daniël 9:24 (de sterren verzegelen, dat zij geen licht geven en de zonde verzegelen, dat zij niet verdoemen) dit, dat wat achter het slot wordt gedaan, zijn kracht en werking niet doe gelden. Bedenken wij, bij welk keerpunt in de geschiedenis van het rijk van God Johannes de Openbaring ntvangt, namelijk in de tijd, als het oordeel van God over Jeruzalem en de tempel en over dat volk, waaraan alle beloften geschonken zijn en waarom zich Mozes en alle profeten als om hun middenpunt bewegen, worden volbracht, dan begrijpen wij wel, wat de zeven zegels, die het boek sluiten, moeten betekenen. De oordelen, die nu zullen losbarsten, hebben, zo daarbij alleen de gerechtigheid van Hem, die op de troon zit, moest beslissen, zo'n kracht en werking, dat de gezichten en voorspellingen van de Schrift volkomen en voor altijd in die zin verzegeld zouden zijn, dat zij nooit tot hun laatste en zalige voltooiing konden komen. Zij houden die onder volledige afsluiting, zodat het met deze gedaan is en niemand in de hemel of op aarde of onder de aarde kan die afsluiting verbreken; het is uit met het verbond, dat God met Israël heeft gemaakt en daarom ook met de raadsbesluiten van Gods genade voor de overige mensheid; de Schrift, in zoverre die van de laatste dingen, van een volvoering van het geheim van God handelt, kan nu niet meer worden vervuld. Dit is zeker een gedachte, die vreemd geworden is; men heeft zich gewend, bij het bespreken van de leer van de laatste dingen, van Israël en zijn betekenis voor het rijk van God zo goed als geheel af te zien en de kerk, uit de heidenen vergaderd, zonder meer en met volkomen gelijke rechten in de plaats van het uitverkoren volk van God te stellen, waarvoor alle beloften voor de toekomst zijn, zodat de Joden, zo velen van hen nog zalig worden, niet zonder ons volmaakt zouden worden. Volgens de hele profetie van de Schrift, als men ze slechts wilde nemen zoals zij luidt, en haar woorden niet zo veel een andere zin opdrong, als men ze opvatte zoals men ze onbevooroordeeld opvatten moet, is het integendeel omgekeerd. Wij Christenen uit de heidenen kunnen niet volmaakt worden zonder de Joden en de toekomstige stad, waarop wij wachten, kan geen andere zijn dan een nieuw Jeruzalem (Hoofdstuk : 21:2). Moest de geschiedenis van het rijk van God bij Israël, waarin alle geslachten op aarde gezegend moeten worden en waarvan alle heil tot aan het einde van de wereld komt, met een Jeruzalem eindigen, dat alle profeten gedood heeft, die worden gezonden, dat ook Christus zelf aan het kruis heeft genageld en aan alle boden zich heeft vergrepen en nu tot straf voor zijn zonde voor altijd verloren is, dan was er geen rijk der heerlijkheid meer; want de Schrift kan toch niet gebroken worden, zij is van het begin tot het einde van die aard, dat men telkens beloften vindt, die Israël aangaan en waaraan het overige van de mensheid alleen in en met Israël deel heeft. Deze te verzwakken door ze anders te willen verklaren, of de woorden in een andere vorm te willen gieten, dan zoals God ze heeft gegeven, dat heeft zich tot hiertoe reeds veelvuldig gewroken en zal zich verder wreken, als men niet leert, plaatsen zoals die in Romeinen 11:11-36 met grotere ernst dan tot heden ter harte te nemen.
Het boek, dat in de hand van de Oppermonarch gezien werd, was niet gelijk aan de onze, die, uit losse vellen bestaande, met elkaar tot een geheel verenigd worden, maar een boekrol, zoals de ouden gebruikten, die ineengerold en weer een voor een ontrold kon worden. Wij zouden om deze reden liefst lezen, dat dit boek, uit zeven vellen bestaande, van binnen met prentenverbeeldingen, zoals het vervolg leren zal, beschreven en van buiten elk met een zegel en dus met zeven zegels toegesloten was.
Dit boek was in de rechterhand van God de Vader, die het alles in Zijn eeuwige raad besloten had, wat daarin stond. Hij zou het ook alles uitvoeren, zodat dit boek is het boek van de besluiten van God; niet van alle, maar van die besluiten, die God over de kerk van die tijd af besloten had en dat zover, als Hij ze aan de kerk wilde openbaren; niet alleen wat over de zegels geschieden zou, maar ook onder de bazuinen en onder de fiolen, want het laatste zegel geeft de bazuinen uit; en uit de laatste bazuin komen de fiolen voort en volgen zo eigenlijk na elkaar, zodat het laatste zowel als het eerste in dit boek geschreven is. Dit boek, deze rol, was niet alleen aan de ene zijde van binnen beschreven, maar ook van buiten; het hield alles in, daar kon niets uitgedaan en niets bijgedaan worden, daar was geen plaats meer over, het was volgeschreven, het was opgerold, gebonden en met zeven zegels verzegeld, waardoor het met het goddelijk gezag was bevestigd en tot die tijd toe verborgen gehouden en hield zeven verborgenheden in.