12. En ik zag, terwijl nu ook de tweede opstanding plaats had (
Vers 13), de doden, klein en groot (
Hoofdstuk 11:18;
13:16), staande voor God; en de boeken, waarin de werken van ieder mens geschreven staan (
Daniël 7:10), werden geopend; en een ander boek werd geopend, a) dat van het leven is en de namen bevat van degenen, die verordineerd waren tot het eeuwige leven (
Hoofdstuk 3:5;
13:8;
17:8 En de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, b) naar hun werken, die daarin nauwkeurig waren opgetekend.
a) Exodus 32:32 Psalm 69:29 Openbaring 1:27 b) Psalm 62:13 Jeremia 17:10; 32:19 Mattheus 16:27 Romeinen 2:6; 14:12. 2 Corinthiërs 5:10 Galaten 6:5 Openbaring :23
"Oordelen" d. i. naar de oorspronkelijke betekenis van het woord schiften en scheiden en ten gevolge daarvan goed en kwaad openbaren en vergelden. De Heere heeft het reeds in de dagen van Zijn vlees gedaan en Hij zet het onophoudelijk voort, waar Hij verheerlijkt aan Gods rechterhand leeft. "Ik ben tot een oordeel in de wereld gekomen. " geheel Zijn geschiedenis is de opheldering van dat raadselachtige woord. Zoals de zon, juist door zich in haar volle glans te vertonen, het licht van de duisternis scheidt en deze als duisternis kenbaar maakt, niet anders Hij, die wij als het Licht van de wereld begroeten. Overal, waar Hij heentrad, splitste zich de mensheid als vanzelf in twee ongelijksoortige delen: kinderen van het licht aan de ene, van de duisternis aan de andere zijde. Hoe werden, naar het woord van de grijze Simeon, de gedachten van menig hart openbaar en wat er zondigs in de Kajafassen en Pilatussen en Herodessen en wat er beter in de Nikodemussen en Petrussen en Zacheüssen omging, hoe trad het door en voor Hem in het licht! Ja, dit was reeds in Zijn dagen het oordeel, dat de mensen de duisternis liever hadden dan het licht en het haatten en zelfs niet konden geloven, omdat zij eer van elkaar namen, zonder hogere eer te zoeken. En wat een vergelding spelde zijn vreselijk "wee u", aan de schijnheilige Farizeeën, aan het onbekeerlijk Jeruzalem, aan de ongelovige wereld! Door die allen verworpen, wordt Hij door de Vader verhoogd, maar ook in dit opzicht wordt Zijn tweede leven aan Zijn eerste leven gelijk en geheel de Christus-regering, onuitputtelijk rijk aan eeuwig onschatbare zegen, zij mag tegelijk een voortdurend Godsgericht heten. Het tweesnijdend zwaard, dat uit de mond van de Koning der koningen uitgaat, tekent onophoudelijk een scherpe grenslijn tussen mensen en mensen. Die grenslijn tussen kinderen en vijanden van het koninkrijk van God wordt aan de andere zijde van het graf steeds verder en scherper getrokken, totdat zij afgrond en kloof is geworden. Reeds hier wordt het openbaar, zo vaak de blijde boodschap gebracht wordt, wat hoogmoed en wereldzin, maar ook wat behoefte en verlangen er schuilt in menig menselijk hart. Reeds hier is een rechtvaardige vergelding over allen, die met woord of daden verklaren: wij willen niet, dat deze over ons Koning zal zijn! U ervaart haar, kind van deze wereld, als uw schuldig geweten u toeroept, dat u het bloed van de Zoon van God heeft versmaad en zoveel u door de Heilige Geest overtuigd bent van zonde, ook dat is een oordeel van God, dat u door de ziel gegaan is! Hoe vreselijk die vergelding kan zijn, ook waar voortdurend het woord van de vergeving verkondigd wordt, u aanschouwt het, Christenen, in elke bezoeking van Boven, in de loop van de eeuwen over de moedwillige verwerpers van het woord van het kruis gebracht. Alle vijanden, die de Heere sinds achttien eeuwen geveld, alle verlosten, die Zijn hand met eer en vreugde gekroond heeft, zij staan reeds voor ons oog, als bewijzen voor de waarheid van het woord: "de Vader heeft Hem macht gegeven, om ook gericht te houden. " Maar nu, dat doorlopend het is een voorproef slechts van het jongste wereldgericht. "Ik zag voor de troon de doden, klein en groot", voor het nieuwe leven herrezen. Wat een toneel, dat voor zijn verrukte blikken zich opent! In onafzienbare rijen schaar zich de gedaagden voor de hoge zetel van de Rechters, die over aller lot zal beslissen. Daar staan zij, zonder onderscheid van al wat op aarde hen kenmerkte! Geen purper of kroon siert meer de monarchen van de mensheid; zij vinden zich naast de geringsten van de onderdanen. Geen rijkdom of eer kan de wereldling een afgezonderde plaats in die rijen bezorgen; hij schikt zich naast de schamelste discipel van de Heere. Dwingelanden en slachtoffers, vrijen en dienstbaren, ouders en kinderen, geleerden en ongeleerden, kinderen van de voorspoed en kwekelingen van de beproeving, ontslapenen uit de eerste en ontslapenen uit de laatste eeuw, Johannes ziet ze allen, in bonte mengeling, voor één Rechter verschenen. Laat het zinnebeeldige, laat het zelfs gebrekkige voorstelling wezen, wat predikt zij ons anders, dan een gelijkstelling, waarvan de wedergade nooit is gezien? Gelijkheid o, wij hebben de dagen beleefd, dat dit enkele woord, met de kreet van broederschap en vrijheid verenigd, duizende harten sneller deed kloppen en als een toverklank van Europa's een streek tot aan de andere ruiste. Maar zijn er wel eenmaal jaren nodig geweest om te tonen dat de gedroomde gelijkheid alleen op de akker van de doden, maar niet in de wereld van de levenden bereikt en verwezenlijkt wordt? Zelfs hier, in het huis van het gebed, waar wij voor één God en Vader ons buigen en in één Heere komen roemen, hoe onmetelijk groot is het onderscheid tussen mensen en mensen! Waar de ene het gestoelte van de eer bestijgen mag, zit of staat de ander op een onaanzienlijke plaats en terwijl deze in dons of satijn is gedoken, is de ander in de pij van de behoefte of in de rouw van wees of weduwe gehuld. Verscheidenheid van gaven, verscheidenheid van talenten, verscheidenheid van inzicht, verscheidenheid van leiding tot in de gemeenschap van de Heere, verscheidenheid zelfs van groei, hetzij wij tot de tarwe of het onkruid op de grote akker behoren verscheidenheid van de verscheidenheden, alles verscheidenheid! Nee niet alles, want, zie hier haar grens- en eindpaal. Al die hoogten worden geslecht en al die diepten geëffend, waar wij voor dezelfde Koning verschijnen; al die talenten, hetzij dan vijf of twee of slechts één, zijn voor één Heere te verantwoorden; al die wegen lopen uit op één punt, waar allen elkaar ontmoeten, de rechterstoel van Christus, de Heere. Wat naam en titel wij hier beneden ook droegen, onder de één naam van mensen en zondaren worden allen gedagvaard voor Hem. Denkt eraan, machtigen en groten der aarde, eens staat u daar, verloren onder die kleinen en geringen, die u hier zelfs met geen blik van uw ogen verwaardigd heeft! Reken erop, vergetenen en verachten, zó groot kan de schare niet zijn, dat er voor u, die hier levenslang heeft achtergestaan, geen plekje meer te vinden zou wezen! Hoe ver en lang ik mijn oog over deze schare laat weiden, ik ontdek geen enkele, die niet de Rechter op de wolken zal zien. Wat een gericht, waardoor in één punt van de tijd alle kloven gedempt worden, die hier tussen mensen en mensen bestonden! Een aardse vierschaar moge uit de aard van de zaak zich slechts uitstrekken tot enkele mensen en volken, deze zal ieder gespannen vinden, hetzij hij hier beneden de zengende keerkringslanden of de kille poolstreek bewoonde. Een aardse vierschaar durft enkele bozen niet oproepen, omdat zij te hoog zijn geplaatst, dan dat zelfs de arm van de wet hen in het openbaar kan bereiken: deze dwingt zelfs de machtigste werelddwingers om met gebogen hoofd te verschijnen voor Hem, die hoog is boven de hogen. Een aardse vierschaar kan het dulden, dat men in sommige gevallen zich door een ander vertegenwoordigen laat: voor deze moet men persoonlijk verschijnen, om zich in eigen naam te verantwoorden. Te verantwoorden en voor wat een Rechter! Ja, wèl is het een troostrijke leer, dat Hij, die daar op de troon zit dezelfde is, die als medelijdend Hogepriester bij de Vader voor zondaren spreekt. Immers, de majesteit van de Vader zelf, zij zou ons daar verpletterd doen neerzinken, zoals zij hier reeds onze blikken bedwelmt en moesten mensen ons richten maar welke menselijke arm zou, zonder te verdorren, kunnen grijpen naar de schaal van het gericht? Maar ook de Zoon des mensen in heerlijkheid ziedaar een Rechter, waarvoor die allen, de kleinen en de groten te gader, minder zijn dan niet en dan ijdelheid. Ach, vruchteloos zou één van hun zich voor Hem willen verbergen, want dezelfde blik, waarvoor hemel en aarde wegvluchten, houdt de aangeklaagde terug en overziet al die rijen en er wordt niet één van gemist. Vruchteloos zou men een schuilplaats van bergen en heuvelen vragen; want bergen en heuvelen zijn ook van de Heere en zij weigeren in een verbond met de weerspannige zondaar te treden. Vruchteloos eindelijk, zou men zich van die alomvattende op nog hoger vierschaar beroepen, want de arm van de Rechter, door alwetendheid bestuurd, is met alvermogen gewapend en de Vader zelf bekrachtigt het vonnis, door de Zoon van Zijn liefde geslagen. Zie, Hij komt op de wolken en aller oog zal Hem zien en tussen miljoenen kleinen en miljoenen groten van de aarde is er straks geen onderscheid meer, dan tussen veroordeelden voor en vrijgesprokenen door Hem! "De boeken werden geopend" zo beschrijft Johannes al verder en gebruikt een beeldspraak, waarvan wij bij enig nadenken even snel de schoonheid waarderen, als de juiste betekenis vatten. Vaker in de Schrift wordt ons de oneindige voorgesteld op de wijze van Oosterse rechters en koningen, met een gedenkboek voor Hem open geslagen, waarin de geschiedenis en de daden van de mensen vermeld zijn. Zulke gedenkschriften liggen er ook neer voor Hem, die de Vader zelf heeft geroepen, om over aller lot te beslissen. Van al wat de sterveling op aarde verrichtte u vergunt ons bij de beeldspraak te blijven wordt op de meest nauwkeurige wijze aantekening daarboven gehouden. Zie, ons levensboek, het is hier beneden vaak voor het oog van anderen met meer dan zeven zegels verzegeld. Wel verheft het geweten zich telkens, maar anderen horen het niet, of het ons een "wel u, u goede en getrouwe dienstknecht", of een "u slangen- en adderengebroedsels" in de oren doet klinken. Wel wordt reeds meteen na de dood een vergeldend vonnis over de bewoner van de aarde volvoerd en nog voordat zijn stof naar zijn laatste woning gedragen is, voelt de rijke brasser zich in de plaatsen van de pijniging, en Lazarus zich in Abrahams schoot. Maar dat oordeel, het is nog slechts voorlopig, het is louter persoonlijk, het wordt niet openbaar voor het oog van hemel en aarde, eer de aardse huishouding geheel ten einde is gespoed. Een eerste boek zij dan het boek van onze lotgevallen. Allen hebben wij, naast onze meer of min openlijk bekende een verborgen levensgeschiedenis en op menige bladzijde mag het woord van de Heere ten opschrift staan: "wat Ik doe, weet u nu niet"! Waarom dat dierbaar pand mij ontnomen; waarom dat stil gebed van mijn jeugd nog niet verhoord in mijn ouderdom; waarom dat kruis op mijn schouders, die steen op mijn pad, die doorn in mijn vlees? Ik leef, zonder het antwoord te gissen; ik sterf, zonder het daarom te horen, maar de boeken worden geopend en in die dag heb ik niets meer te vragen. Het blijkt, die verborgen zuchten, zij waren daar allen geboekt; die stille tranen, zij zijn in Gods fles vergaderd; die wankele schreden op de weg van de beproeving, zij werden afgeteld, zoals de weg zelf door wijsheid en liefde gebaand werd. De sleutel van uw levensraadsel, beproefde discipel van Christus, hij is tussen de bladen van het gedenkboek verscholen, dat daar voor Gods aangezicht openvalt. Tot dusver heeft u geloofd, na deze zult u verstaan en de slotsom van ieders verschillend levensboek is één en dezelfde: "majesteit en heerlijkheid van God! " De boeken worden geopend ook het boek van onze daden, zo verborgen gepleegd, dat zij aan de bespieding ook van de scherpste blikken ontsnappen en dat de nacht zelf een tong zou moeten ontvangen, om te verhalen wat gruwelen in zijn schoot zijn begraven. Maar wat de nacht heeft verborgen, brengt die Dag aan het licht en het is als hebben de stenen stemmen gekregen, om wraak tegen de overtreders te roepen. Dat stille avonduur, waarin u bent heengesneld, lichtzinnig jongeling, zelfs door geen maan- of sterlicht beschenen, om te plukken van de verboden boom; die diepe eenzaamheid, man van bedrog, waarin het weefsel werd opgezet, waarvan uw hand alleen de draden en knopen geteld heeft; dat zorgvuldig overleg, huichelaar en geveinsde, waarmee u uw dekmantel zo lang heeft geplooid, totdat hij op een kleed van de ootmoed geleek het treedt daar in een licht, zevenmaal helderder dan de glans van de middagzon! Er zijn daden, zo lang geleden, dat wij ze uit ons geheugen, niet gebannen hebben, maar onwillekeurig verloren en het niet meer weten, wat een tijdgenoot ons van oude en overoude dagen verhaalt. Maar de geschiedenis van zestig uren en van zestig eeuwen geleden, zij staat daar geboekt met dezelfde ijzervaste nauwkeurigheid. Het lang gestorven verleden leeft daar als een onvergankelijk heden en wat ieder uur van iedere dag, van ieder jaar, van iedere eeuw is verricht en verzuimd, besproken en beraamd, het ligt daar alles naakt en geopend. Nog eens, er zijn daden, zo onbeduidend in schijn, dat wij haar aandenken schier als overtollige ballast voor het trouwst geheugen beschouwen. Maar de rubriek "kleinigheden" bestaat in die gedenkboeken niet en het geringste is er vereeuwigd, in rechtstreeks verband met het grootste, dat er uit voortgevloeid is. Die éne blik, maar die een vuur van boze begeerlijkheid in een onbewaakt gemoed heeft ontstoken; dat éne woord, maar dat als een giftige pijl een dodende wond ver buiten uw oog heeft geopend; die éne misstap van de jeugd, waarover u nu niet meer bloost, maar die anderen meesleepte en door anderen velen verdierf er is eigenlijk nog niets van voorbij. Het leeft, het bleef, het staat daar voor het oog van de Rechter, te samen met het penningkje van de weduwe en de beker koud water en de Nardusflesse van de liefde. Nog eens, de boeken worden geopend bovenal het boek van ons hart. Geen menselijk rechter kon over gedachten de staf van de veroordeling breken, maar de weegschaal van deze weeg geesten. Ons hart, was het in waarheid een tempel van de Heilige Geest, of een domein van de overste van de tegenwoordige wereld? Zat daar de liefde tot God, of zelfzucht en haat op de troon? Was het met diepe ootmoed vervuld, of zwol het van ijdele trots" Beslissende vragen en toch, wie, die zelfs ten aanzien van de meest vertrouwden vriend daarop in allen dele kan antwoorden? Maar de Heere komt en de geheimste schatkamers van de kleine wereld daarbinnen springen de een na de andere open. Stelt het u voor, dat in het boek, hier voor ons opengeslagen, de geschiedenis van uw geheimste overleggingen gedurende een enkelen dag was beschreven en wij lazen haar, hoorbaar voor allen, langzaam en duidelijk op wie zou van schaamte niet wegzinken? En nu, de geschiedenis, niet van één, maar van al de dagen van het leven, tot in haar fijnste schakeringen, geopenbaard zonder dat iets te bedekken, te verbloemen, te veranderen is. De hand op het hart, is het u wèl bij de voorstelling, dat ook uw boek wordt geopend? Beslissende scheiding doet ons Johannes verwachten, als hij veelbetekenend schrijft: "een ander boek werd genomen, dat van het leven is. " U weet, wat door dit boek wordt bedoeld, waarop zo vaak in de Schrift wordt gezinspeeld. Voor het aangezicht van de Rechter is ook de naamrol van hen, die uitverkoren naar de raad en de voorkennis van God, door geloof en liefde innig met de Heere zijn verbonden. Ook dat boek wordt ontsloten, maar wie schetst mij nu het ontzettend onderscheid, dat de gelijkstelling van zo-even vervangt? O zalig ogenblik, verborgen dienaar van de Heere, als u de naam, die u hier vergeten dacht, hoort oplezen van die blinkende bladen! O vreselijk uur, kind van deze wereld, als u luistert en luistert en de ene naam na de ander hoort uitspreken, zonder dat nog bij de allerlaatste de beurt aan u is gekomen! Ach, nu wordt het openbaar, wat hier het geweten voorspelde, zonder dat u het immer geloofd heeft; uw naam hier op aarde vergood, is ook met de aarde vergaan! Niet in het levensboek, maar slechts in dat van het gericht stond hij opgeschreven en in dit Laatste doet ieder blad, iedere regel, iedere letter tegen u steeds luider aanklachten horen. Wat ontzettende schifting, die daar nu aanvangt in die onafzienbare rijen! Ter rechter- en ter linkerzijde vindt ieder de plaats, die zijn eeuwig lot hem voorspelt. Hier het liefelijk: "komt u, gezegenden, beërft het koninkrijk, u vóór de grondlegging van de wereld bereid". Daar het vreselijk: Ga weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat, oorspronkelijk niet u, maar "de duivel en zijn engelen bereid was. " Hier het hemelse Sion ontsloten, waar alle tranen van de ogen afzekert worden; daar de poel van vuur en sulfer, waarvan de gloed door alle tranen van wanhoop niet getemperd of uitgeblust wordt. Hier duizend jaren van zaligheid tot één dag te samen gesmolten; daar één dag van rampzaligheid tot een lengte van duizend jaren gerekt. En werden zulke duizendmaal duizend jaren nog slechts ten slotte door miljoenen anderen van eeuwige vreugde vervangen! Maar nee, al krimpt ons ook het hart van siddering bij deze woorden te samen, wij mogen in de buitenste duisternis geen lichtstraal voor uw ogen doen rijzen, of wij zouden vrezen een dwaallicht voor uw voet te ontsteken. Het jongst gericht, door Johannes getekend, is kennelijk het eindpunt van alles, wat tot de bedeling van de genade behoorde, na hetwelk iedereen in eeuwigheid blijft, wat hij in de tijd is geworden en wel op trapswijze voortgang in zijn sfeer, maar niet op overgang van woonstede mag hopen.
De boeken werden geopend. Er is bij God een boek op menselijke wijze gesproken, van Gods voorzienigheid wegens Zijn onveranderlijk besluit (Psalm 139:16 Maleachi 3:16). Een boek, waarin allen, die in de Kerk zijn, zijn aangetekend (Ezechiel 3:5 Lukas 10:20 Filippenzen 4:3). Een boek van Gods alwetendheid, waarin alle gedachten, woorden en daden van de mensen zo duidelijk zijn, alsof zij in een boek opgetekend waren. Dit laatste boek wordt hier geopend en aan een ieder wordt daaruit getoond, wat hij gedaan en gelaten heeft. Zo werd ook het andere boek, waarin al de namen van de uitverkorenen opgeschreven zijn ten eeuwigen leven, geopend, en hun namen werden daaruit opgelezen en zij werden zo van de Heere Jezus voor de Zijnen, voor door Zijn bloed gekochten, in het openbaar beleden.