12. En de zesde engel goot zijn schaal uit op de grote rivier, de Eufraat (
Hoofdstuk 9:14); en zijn water is uitgedroogd. Met het uitgieten van de schaal verbande de Heere de inham van de zee en bewoog Hij Zijn hand tegen de rivier door de sterkte van Zijn wind (
Jesaja 11:15 v.), opdat bereid zou worden de weg van de koningen, die van de opgang van de zon komen zullen en door Cyrus zijn voor afgebeeld (
Jesaja 41:2, ;
44:28 Door het droogmaken van de rivier werd eens voor Cyrus (
Jesaja 46:11 Jeremia 51:36) de weg bereid tot Israël's bevrijding uit de Babylonische ballingschap 2Ch 36:20; op gelijke wijze zal tot terugvoering van hen, die van de 12 stammen in de oostelijke landen van Azië nog aanwezig zijn Jer 31:21, als tot bevrijding van de overheersing van de halve maan Deze 35:15, de weg worden gebaand.
Als het nog verstokte en onder alle volken van de aarde verstrooide Israël tegen het einde van deze en het begin van de volgende eeuw tot zijn Heiland zal bekeerd zijn en dat zich in geloof met Hem heeft verbonden, dan zal ook de belofte in Leviticus 26:42 Deuteronomium 30:1, Jesaja 27:12 v. enz. over het weer verkrijgen van het heilige land vervuld worden tot herstel van de gemeente van Zion, waarvan wij in Hoofdstuk 14:1, hebben gelezen. Terwijl nu in Hoofdstuk 12:14 onder de twee vleugels, die aan de vrouw werden gegeven, de vleugels, als van een grote adelaar, opdat zij naar haar plaats vloog, de middelen van God werden voorgesteld, waardoor Hij Zijn volk uitleidt uit die landen en omstandigheden, waarin het tegenwoordig als gevangen zit, wordt op onze plaats aangewezen, wat geschieden moet, opdat het volk in zijn land binnenkomt. Vóór alle dingen wordt dan gehandeld over de bevrijding van dit land van de heerschappij van degenen, door wie de heilige stad 42 maanden lang vertreden wordt (Hoofdstuk 11:2). Op onze plaats is "de grote rivier, de Eufraat" een zinnebeeld van de Mohammedaanse macht (Hoofdstuk 9:14), zoals ook vaker stromen als beelden van machtige rijken worden gebruikt (Jesaja 8:7 Jeremia 2:18). Deze waterstroom nu, nadat die eeuwen lang trots heeft voortgestroomd en vaak in plotseling stijgen de wereld had overstroomd, verdroogt. In zoverre het verdrogen van een rivier allengs geschiedt, is hierdoor het allengs zinken en verdwijnen van de Mohammedaanse macht voorgesteld. Dat komt ook volkomen overeen met de geschiedkundige gang. Alle Mohammedaanse rijken verouden en worden ziek; ook het tegenwoordige hoofdrijk van de Islam, Turkije, aan welks hoofd de opvolger van de Kalifen, het opperhoofd van alle Muzelmannen staat, is het hele opdrogen nabij; zijn geestelijke en materiële hulpbronnen verdrogen. Reeds lang heeft de Turkse Sultan in Europa de naam van de "zieke man" en zijn rijk heeft zijn bestaan te danken aan de onenigheid van de Europese machten over het verdelen van de erfenis. Niet weinige schriftverklaarders verklaren de mogelijkheid van een terugkeren van Israël naar Palestina als zouden de Europese machten, zodra het tot die verdeling van de erfenis komt, ook de Joden met een deel begiftigen en uit humaniteit of politiek hun het land van hun vaderen teruggeven. Verder veronderstellen zij, dat dit weer bezitten, als een duidelijke vervulling van de goddelijke toezegging, op de Joden zo machtige invloed zal hebben, dat zij zich nu tot Christus zullen bekeren. De ene gedachte is echter even verkeerd als de andere, en wij kunnen ons wel ontheven achten van de moeite dit in bijzonderheden aan te wijzen. Daarentegen ligt reeds in Jesaja 49:12 een aanwijzing, op welke wijze de Mohammedaanse heerschappij binnen korte tijd een einde zal nemen. Van het land Sinim af, van het verre Oosten van Azië, waar de volken zich reeds nu krachtig bewegen, zullen de koningen optreden, die "de tijd van de heidenen" (Lukas 21:24) ook in zoverre vervullen, als het nu met diegenen, wie Jeruzalem ter vertreding was prijs gegeven, een einde zal nemen. En van Israël, als het in zijn land is teruggekeerd, nadat het van te voren reeds tot Christus bekeerd is en als de Zions gemeente, in Hoofdstuk 14:1, beschreven, nog een geheel ander zendingsvolk uitmaakt, dan ooit een van de Christelijke partijen het zendingswerk heeft verstaan, zal deze "volheid van de heidenen", die onze arbeid niet kan bemachtigen, zeer snel en gemakkelijk in het rijk van God worden ingeleid, zodat de "koningen van de opgang van de zon" tevens doen denken aan de wijzen van het Oosten (Mattheus 2), die kwamen, om de geboren Koning van de Joden, wiens ster zij in hun vaderland hadden gezien, te aanbidden. Deze toornschaal wordt op de Eufraat uitgegoten en beduidt de val van de machten van de Islam, die aan de Eufraat haar hoofdzetel hebben. De tweede bazuin in de tweede toornschaal wijst op de godsdienst-vervalsingen in de Islam, de zesde bazuin en de zesde toornschaal op de wereldmachten van de Islam. Door de loslating van de engelen bij de Eufraat in voor-Azië werd het ontstaan van de Islam voorgesteld; hier wordt onder het zinnebeeld van de uitdroging van deze stroom zijn einde vermeld. Wie weet niet, dat de Moslim-wereld diep gezonken en onbekwaam is, om iets nieuws en levenwekkends daar te stellen? God laat de zieke man, zoals staatslieden hem noemen, van lieverlede uitteren en een langzame dood sterven.
Wanneer de Eufraat ten gevolge van het uitgieten van de schalen uitdroogt, dan blijkt reeds hieruit, dat de Heere dit doet om de eindelijke zegepraal en het heil van de Kerk voor te bereiden en haar vijanden te onderwerpen. Wij zien ook, dat de weg door de Eufraat slechts daarom voor de koningen bereid wordt, opdat zij erdoor mogen gaan naar het oord van hun nederlaag Armageddon. Maar wat is de Eufraat in de geschiedenis van de Kerk? De naam van deze rivier wordt gebruikt voor datgene, waardoor het voortrukken van de God vijandige wereldheerschappij tegen de heilige stad, de Kerk, wordt verhinderd. God zelf neemt, wanneer het Hem behaagt, die hindernissen weg. De kleingelovige siddert, de wereld juicht er over en de verharding van haar hart wordt te groter. Ten tijde van Johannes onder anderen, werden van de zuilen van de Kerk, Petrus en Paulus ter dood gebracht, Johannes zelf naar Patmos verbannen en daardoor de Kerk ogenschijnlijk prijs gegeven aan heidense willekeur. Dat was wel een treurige aanblik voor de gelovigen, en het scheen een luisterrijke zegepraal voor de wereld; het scheen met de Kerk gedaan te wezen en voor haar vijanden stonden de poorten van de heilige stad geopend. Menigeen klaagde daarover met innige smart. Maar wanneer het geloof het bezwijken nabij is en de wereld slechts de laatste slag meer aan de Kerk heeft toe te brengen, dan ziet die wereld op eenmaal de plaats van haar ondergang, Armageddon, voor zich. Dat is van oudsher de geschiedenis van het beest. Zie, de Heere God schijnt voor Farao en zijn leger een effen baan te bereiden, om Israël te achterhalen, te vervolgen, aan te tasten, te vernietigen het uitverkoren volk zweeft boven de rand van zijn onherroepelijke ondergang nog slechts éénmaal de hand uitgestrekt, o Farao! Maar nee! De Egyptenaar wordt van de tin van zijn verwachting neergeworpen en komt om in de Schelfzee. Zo staat elke stap van de wereld, die zich tegen God verzet, onder het bestuur van de Voorzienigheid.
Hierdoor verstaan sommigen de eigenlijk genoemde rivier Euphrates, aan welker beide zijden de Turken, de Perzen en dergelijke natiën tegen het Oosten het gebied hebben gevoerd, zoals in Hoofdstuk 9:14 aangeduid is, die zich nog met elkaar zouden verenigen en de stoel van de antichrist innemen. Anderen verstaan door deze rivier de Euphrates, bij gelijkenis, al de inkomsten, die de antichrist uit de hele Christenheid trekt, waardoor zijn stoel verrijkt wordt en hij zich en zijn troon tegen alle andere geweld beschermt, die door de Christelijke prinsen eens geheel geschorst en uitgedroogd was, zoals al begonnen is, hem onmachtig te maken om zichzelf staande te houden, die prinsen, zoals hier verhaald wordt, van de opgang van de zon komen, omdat zij van Christus, die de opgang is uit de hoogte, daartoe verwekt zullen worden, zoals het oude Babylon door de rivier de Euphrates van te voren beschermd en verrijkt zijnde, door Cyrus uitgedroogd is en de weg geopend heeft tot overvallingen en innemingen van die stad en uitroepingen van haar rijk, zoals Jeremia 51:31 enz. voorspeld is en in Daniël 5:30 vervuld.
De zesde bazuin bracht de Turk voor, als wanneer hij macht kreeg en een groot deel van de Christendom overstroomde en verwoestte; de zesde schaal breekt hem weer, hetgeen door het opdrogen van de rivier de Eufraat, zijn gebied, te kennen gegeven wordt, ziende op het innemen van Babel door het afleiden van de rivier, de sterkte van de stad. Het einde, waartoe de Turk verbroken zal worden, is de bekering van de Joden, die door de afgoderij van het Pausdom en geweldenarij van de Turk tot nog toe verhinderd geworden is; de Joden worden hier koningen genoemd (Exodus 19:6). Een koninklijk priesterdom (Jesaja 24:21-23 a) De koning van de aardbodem (Mattheus 8:12). De kinderen van het Koninkrijk. De Joden zijn over de hele aarde verspreid, maar bijzonder zijn zij menigvuldig in de Oosterse landen. Dat de Joden bekeerd zullen worden, is boven op zijn plaats bewezen en tegelijk de terugkomst in hun land aangetoond. Dat in de Openbaring iet gesproken zou worden van deze grote zaak, is niet te geloven. Dat hier en in Hoofdstuk 19, waar deze zaak, in deze schaal kort voorgesteld, breder wordt vertoond, van hun bekering gesproken wordt, is het voelen van velen en van de voornaamste schrijvers over de Openbaring. Dat de verwoesting van de antichrist en van de Turk, onder wiens gebied zij allermenigvuldigst zijn, goede gelegenheid daartoe zal geven, is makkelijk te verstaan. Dus achten wij, dat door deze koningen van het Oosten de Joden verstaan worden en dat hun herstel na die tijd te verwachten is. En zij, bekeerd zijnde, zullen een middel van de bekering zijn van de daarover wonende koningen en volkeren.
Van de draak en van de twee beesten is hiervoor gesproken, waarbij het beeld van het beest van te voren ook is gevoegd. In de plaats van het tweede beest wordt hier de valse profeet gesteld, waaruit blijkt, dat deze valse profeet ook het beeld van de beesten is, dat is, de antichrist met zijn hele rijk, voor zoveel hij de valse leer door hem zelf en andere van zijn dienaren voorstaat en al zijn geestelijke prelaten, consistories, hoven, conventen, conciliën en personen daartoe gebruikt, om die valse leer te verbreiden, zoals in het volgende Hoofdstuk zal blijken. Door hem worden dan gezamenlijk deze onreine geesten gezonden, omdat zij al haar listigheid en aanzien samen brengen en samenspannen, om Gods Kerk en Zijn waarheid uit te roeien en als uit één mond hier in te spreken en door een geest te worden gedreven.
Wij vinden hier een voorbeeld van de nabij zijnde ondergang van het antichristische Rome, evenals het uitdrogen van de wateren van de Eufraat vroeger het uur van Babels ondergang was. Geen verklaring van de Eufraat is zo geschikt, als van volkeren, die van alle kanten naar Rome toevloeiden en versterkten, dat men niet makkelijk tot verwoesting kon komen. Het uitdrogen van de wateren zal dan het aftrekken van die volken betekenen, dat zij niet meer derwaarts vloeien, noch hun rijkdommen toevoegen, waardoor dan een gemakkelijke weg aan de vijanden van die goddeloze stad zal worden geopend om haar in te nemen, evenals eertijds aan Darius en Cyrus met hun talrijke en sterke legers.
Men zal door de Eufraat moeten verstaan een machtig en volkrijk koninkrijk in Europa, dat als de Eufraatstroom kan worden gehouden voor een voorschans en borstwering van het rijk van het beest, dat geen ander kan zijn dan Frankrijk. De koningen van Frankrijk hebben de paus tot die hoogheid verheven, waarin hij zich nu vertoont en, als zij hem in die waardigheid niet gehandhaafd en verdedigd hadden, het was gedaan geweest met dat rijksgebied van bijgelovigheid en afgoderij. Maar dat koninkrijk zal opgedroogd worden, d. i. God zal door Zijn voorzienigheid maken, dat dit grootmachtig rijk allengs van kracht en vermogen beroofd wordt, opdat de koningen en vorsten van de aarde daarom minder tegenstand vinden ten tijde van die strijd, die om de godsdienst zal worden gevoerd en een weg banen tot volvoering van de kerkhervorming, dat grote werk, waarvan hier gesproken wordt.
Onder de rivier de Eufraat moet worden verstaan het volk daar woonachtig, de Turken en onder de koningen van het Oosten de Joden, die, tot God bekeerd zijnde en tot het geloof in Christus, koningen zijn. Dat hier Joden bedoeld worden, blijkt uit Vers 22. De wederoprichting van Christus' Koninkrijk onder hen en zo'n heerlijke regering ziet op de tijd, wanneer die het allerheerlijkst zijn zal en dus op de tijd van hun bekering.