3. Zo is de bron van de openbaring, die in dit boek vervat is, God de Vader, haar profeet Jezus Christus, haar overbrenger een heilige engel en die haar ontvangt een betrouwbaar apostel. Daarom mag gezegd worden: a) Zalig is hij, die als leraar van de kerk in de Christelijke vergadering voor de gemeente die openbaring leest en haar verklaart; en zalig zijn zij, die als leden van de gemeente horen de woorden van deze profetie, die dit boek bevat en aan beide zijden, die in een goed hart bewaren hetgeen daarin geschreven is; b) want de tijd, waarop de voorspelling zal worden vervuld, is nabij 4). En zij, die door het lezen of horen en bewaren zich hebben laten sterken, bekrachtigen en bevestigen, om de ellende en de verzoeking van de laatste tijd te overwinnen, zullen het loon van getrouwheid verkrijgen.
a) Openbaring 2:7 b) Openbaring 2:10
Bij de voorspelling op de Olijfberg had de Heere gezegd (Markus 13:32): "Van die dag en dat uur weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon dan de Vader; en nog onmiddellijk vóór Zijn hemelvaart had Hij de discipelen op hun vraag: "Heere! zult U in deze tijd aan Israël het koninkrijk oprichten? " geantwoord: "Het komt u niet toe (het is niet uw zaak, het behoort niet tot de toerusting voor uw ambt) te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, maar (wat tot uw werkelijke toerusting noodzakelijk is zal geschieden) u zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, die over u komen zal en u zult Mijn getuigen zijn zowel te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste van de aarde (Handelingen 1:6). De apostelen hadden dan ook inderdaad, nadat zij op het pinksterfeest de gave van de Heilige Geest ontvangen hadden, zonder iets naders over de termijn van het begin van de laatste tijden te weten en mee te delen, hun opdracht vervuld tot het jaar 66 na Christus in die omvang, die hun ten plicht was gesteld. Door de prediking van Paulus en Petrus te Rome was de kerk midden in het hart van de heidenwereld geplant en voor de hele toekomst gesticht, maar daardoor ook de zaadkorrel gelegd, waaruit volgens de raad van God de laatste dingen zich tenslotte moesten ontwikkelen.
Daar ontvangt de laatste van de apostelen, die, (wellicht met uitzondering van Simon Zelotes maar deze nam voor het geheel van de kerk geen zo universele plaats in als eis was) nog op het schouwtoneel aanwezig is, de vroeger nog teruggehouden mededeling over de ontwikkelingsgang van het Godsrijk op aarde, voordat de tijd van de goddelijke openbaring ten einde loopt en de eeuwen van de tijd zonder openbaring beginnen. In deze openbaring wordt ook tijd en uur, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft, op apocalyptische wijze voorspeld d. i. zo, dat de openbaring tevens een verberging is, zolang totdat het aan de kerk wordt gegeven de beelden en gelijkenissen van deze gezichten te verstaan. Als deze periode komt, dan zal men ook met zekerheid uit de getallen, die hier en daar voorkomen, de jaartallen van de vervulling vinden. Het is dus dwaasheid zulke aanwijzingen van de goddelijke Openbaring, die de stempel van juiste en schriftuurlijke uitlegging dragen, met beroep op bovengenoemde uitspraken van Christus alleen daarom te verwerpen, omdat zij ook de getallen verklaren. Zeker heeft de Vader tijd en uur van de wederoprichting van het rijk van Israël en de daarmee samenhangende vervulling van Zijn verborgenheid (Hoofdstuk 10:7) in Zijn eigen macht gehouden; maar dat wil toch niet zeggen, dat Hij de laatste dingen voor onbepaalde tijd verdaagd heeft; integendeel zijn tijd en uur ook een deel van Zijn raadsbesluit. Zij worden Hem volstrekt niet van buiten door tijdsomstandigheden of door de macht van de duisternis opgedrongen, maar in de volheid van Zijn eigen macht, geheel onafhankelijk van buiten en zelfstandig in Hem zelf, heeft Hij ze vastgesteld en nu moet alles wat op aarde plaats heeft, zo in elkaar grijpen en die loop nemen, dat de door hem vastgestelde termijn op het nauwkeurigst wordt vastgehouden. Als nu Jezus Christus vroeger zei, dat Hij zelf als Mensenzoon het raadsbesluit van de Vader nog niet had doorzien, dat dag en uur van het begin van de laatste tijden voor Hem evenzeer als voor mensen en engelen nog een gesloten geheim was, dan treedt de Openbaring, die wij in ons boek voor ons hebben, dadelijk met de eerste woorden op als een door de Vader aan de Zoon gegeven en wel als een meegedeeld aan Jezus Christus met dat doel, dat Hij Zijn dienstknechten zou tonen wat in de Kerk geschieden zou. Ook de engelen in de toekomst, wat betreft de vorm, die zij zal verkrijgen en ten opzichte, van de tijd, waar binnen zij tot haar ontwikkeling komt, geen duister raadsel meer, anders zou Christus zich van hen niet als werktuigen hebben kunnen bedienen, om hetgeen "haast" geschieden moet, voor Zijn uitverkoren discipel Johannes in gezichten voor te stellen, en zelf bij deze gezichten als handelende personen op te treden, anders zouden zij ook niet weten wanneer zij bij de vervulling van bijzondere gezichten, die op het bepaalde uur moet geschieden, als bijvoorbeeld het in Hoofdstuk 12:7-9 medegedeelde, zich moeten opmaken, om datgene te volbrengen, wat hun taak bij deze vervulling is. Daarom heeft Bengel zeer goed gedaan als hij de Apocalyps beschouwde als een feitelijke opheffing, of ten minste beperking van het geldende voor de toekomst van de beide gezegden van Christus, die Hij in de dagen van Zijn vlees en nog vóór de hemelvaart heeft gedaan. Deze uitspraken zijn voor de eigenlijke apostolische tijd bedoeld en gelden onvoorwaardelijk tot de tijd dat het oordeel over Jeruzalem en het Joodse volk zou komen. Omdat geen van de apostelen tijd en uur mocht weten, wat in verband staat met hun roeping over dit volk, die duurt tot het laatste ogenblik van de tijd van de genade aan Israël geschonken, moesten zij ook over tijd en uur van de laatste dingen in het onzekere blijven, want deze nemen hun aanvang met de opheffing van dat gericht en de wederinenting van de natuurlijke takken in de Olijfboom. Maar weer als het oordeel over het Joodse volk met de verwoesting van Jeruzalem en de tempel zou aanvangen, kon de tijd van de duur van dit oordeel niet in die hele onbepaaldheid worden gelaten, waarin die nog in Daniël 9:27 en zelfs in de eschatologische rede van Christus bij Lukas 21:24 staat. Die God, die Zijn volk niet in de Babylonische ballingschap heeft gezonden, zonder de tijd van de straffen nauwkeurig af te meten en Zijn gedachten van de vrede voor een bepaalde tijd en een vastgesteld uur aan te duiden (Jesaja 25:11), die vervolgens ook de treurige tijd na het terugkeren uit Babylon niet een ongenoemde grootheid heeft laten zijn, maar van te voren nauwkeurig heeft betuigd, wanneer Christus zou komen en met Hem het aangename jaar van de Heere (Daniël 9:24), die heeft ook aan de zo donkere nachtelijke hemel van de tegenwoordige ballingschap van Israël lichtende sterren van de profetie gesteld, die het met blindheid geslagen volk wel niet zelf ziet, maar die in de tenten van Sem wonen (Genesis 9:27) moeten in zijn plaats zien en als de tijd komt, dat het uur van Gods toorn is afgelopen, moeten zij predikers worden: "Maak u op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heere gaat over u op. " Men zegt toch niet, omdat Bengel in zijn berekening van tijdruimte en tijdpunten in de Apocalyps gefeild heeft, zo heeft hij daarin een duidelijk bewijs geleverd, dat de woorden van Christus nog vaststaan: het komt u niet toe te weten de tijden en gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. Dat is zo'n onlogische gevolgtrekking, dat die zelfs niet eens weerlegd hoeft te worden. Wij plaatsen daartegenover de tijdsbepalingen van de Openbaring, die afgezien van Hoofdstuk 9:5, waar alleen over een bijzondere periode wordt gehandeld, pas met Hoofdstuk 11 aanvangen, de volgende rechtvaardiging: Alle deze verschillende tijdsbepalingen, zoals die bij Hoofdstuk 10:7 in een overzicht naast elkaar zijn geplaatst, hebben hun bijzondere betrekking op het in Hoofdstuk 8:13 aangekondigde drievoudig wee. De drie weeën bevatten in zich niet een plaag als zodanig, maar de bepaalde plagen van het drie keer in de loop van de kerkgeschiedenis tot ontwikkeling en heerschappij komen van het anti-christelijke. De eerste maal heeft dat plaats met het optreden van het anti-christelijk Mohammedanisme (Hoofdstuk 9:12); de tweede maal met het doorbreken van de anti-christelijke tijdgeest (Hoofdstuk 11:14); de derde maal met de openbaring van de mens van de zonde of de persoonlijke antichrist (Hoofdstuk 12:12). Op het eerste "wee" hebben de 42 maanden of 1260 dagen in Hoofdstuk 11:2; 11:3, 12:6 betrekking; op het tweede wee de 3 ½ dag of 1 + 2 + ½ beide in Hoofdstuk 11:9, 11, 12:14; het derde wee heeft een vereniging van beide tijdsbepalingen plaats, omdat het volgens Hoofdstuk 13:5 met het dier uit de zee duurt 42 maanden en volgens Hoofdstuk 12:14 de vrouw voor het aangezicht van de slang gevoed wordt 1 + 2 + ½ tijden. Met alle deze opgaven wordt eigenlijk niets nieuws gezegd, maar alleen de bepaling, in Daniël 7:25 v. uitgesproken, in toepassing gebracht, volgens welke het met de heerschappij en het bestaan van het anti-christelijke niet langer mag duren dan een tijd en twee tijden en een halve tijd. Ook bij de 42 maanden of 1260 dagen is die regel in het oog gehouden, want die zijn = 12 + 26 + 6 maanden en deze = 360 + 720 + 180 dagen. Wat nu de Openbaring oet is dit, dat zij 1) op de 1 + 2 + ½ tijden niet het begrip van jaren, maar ook van de profetie de maatstaf reeds in Daniël 9:24, gevonden, toepasselijk maakt, volgens welken één tijd = 360 jaren is; 2) de tijd van Israël's straf, die reeds volgens Daniël 9:25 v. eveneens 3 ½ tijden is, parallel stelt met de heerschappij van het Mohammedaanse anti-christendom, die daardoor in de geschiedenis aanwijst en tevens daardoor voor het einde van de tijd van de heidenen volgens Lukas 21:24 de termijn verkrijgt, en met deze termijn weer die voor de tijd van het tweede wee; 3) begrenst zij het voortdringen van het Mohammedanisme tot op een zeker punt en verkrijgt zo ook een vast punt voor de tijd van het verschijnen van de persoonlijke antichrist, waarnaar vervolgens de tijd van de verschijning van het rijk van de heerlijkheid wordt afgemeten. Terwijl zij nu echter noch over de tijd van het optreden, noch over het tijdpunt van het voortdringen van het Mohammedanisme chronologisch iets naders vaststelt, moet eerst de geschiedenis de mogelijkheid aan de hand geven, om over tijd en uur van Christus' toekomst helderheid te verkrijgen. Johannes zelf zou in zijn dagen niet in staat zijn geweest, iets daarover te zeggen, maar wel zou de kerk van de 7de eeuw reeds in enig opzicht over de toekomst van de Heere duidelijkheid hebben of kunnen krijgen, als zij verlichte ogen van het verstand had gehad. Maar wij in onze dagen willen niet als in volslagen duisternis rondtasten, want de dag van de Heere mag over de gelovigen niet komen als een dief in de nacht, of als een valstrik, maar alleen over hen, "die op aarde wonen. " (Lukas 21:33. 1 Thessalonicenzen 5:1,
Het opschrift, dat ons boek tegenwoordig heeft: de Openbaring an Johannes, de theoloog, is niet het oorspronkelijke, maar de eigenlijke titel, zoals die uit de pen van Johannes is gevloeid, geven de drie eerste verzen. Volgens deze is het boek een Openbaring an Jezus Christus zelf, die Hij van de Vader heeft ontvangen en Zijn dienstknechten heeft meegedeeld, waarbij de engel de dienst van een bode verricht en de apostel voor hem de schrijver is. Toch is het tegenwoordig opschrift in deze laatste zin bedoeld, dat namelijk Johannes alleen als concipient bij de Openbaring n aanmerking komt. Hij wordt als "theoloog" voorgesteld, niet in de tegenwoordige betekenis van het woord, nu men daaronder een Godgeleerde in het algemeen verstaat, maar in de bijzondere betekenis, dat hij diegene onder de apostelen is, die in Jezus niet slechts de Christus erkent, maar Hem in het bijzonder in Zijn betrekking tot de Vader, of als het woord (logos), dat in de beginne bij God en zelf God (theos) was, zich voorstelt en daarvan, zowel in zijn Evangelie als ook in de Brieven getuigenis heeft afgelegd (Johannes 1:1, 1 Johannes 5:7 Ook in onze plaats nam men volgens Hoofdstuk 19:13 de uitdrukking "woord van God" in deze persoonlijke betekenis en zag in de ziener van de Openbaring adelijk weer de getuige van Christus, als degene, wiens naam is "Gods Woord". Daardoor, zo meende men, karakteriseerde men het best zijn persoon in zijn diepste wezen en stelde men hem voor als de discipel, die het meest geschikt was om de Openbaring e ontvangen. Door dit boek, zo merkt Steffan op, wordt de hele Heilige Schrift tot een wonderschoon harmonisch geheel samen gesloten. Aan het slot zien wij in een nieuwe hemel en op een nieuwe aarde, zodat het slot met het begin van de bijbel overeenstemt: "In de beginne schiep God hemel en aarde. " De Heere God heeft hemel en aarde goed geschapen en heerlijk vertoont zij zich aan het einde van de bijbel in dit boek aan het hopende gemoed. De zonde, die haar heeft verwoest, is door Jezus weggedaan; de ontwikkeling, door de schuld van de mensen gestremd, is toch voltooid. Dat het het laatste boek is, zegt ons, dat men het lezen van de Bijbel niet met de Openbaring oet beginnen, maar wel besluiten.
1)"Haast", want de aanvang van hetgeen dit boek van het komen van de Heere openbaart, van de grote reeks van toekomende gebeurtenissen, ligt aan het einde van de eeuw van de apostelen. Dat het einddoel van de profetieën niet nabij is, volgt ook onder anderen uit Hoofdstuk 20:4 Sinds de Heere aan het kruis alles volbracht heeft wordt de door Hem gestichte gemeente van dat tijdstip af gewezen op Zijn terugkomst en alle wisseling van aardse toestanden, elke openbaring van Zijn genade en gerechtigheid in deze is een voorbode van Zijn laatste verschijnen. Zo de voorvallende geschiedenis te beschouwen, dat wil dit boek ons leren. De goddeloze knecht spreekt: "mijn heer komt nog lang niet. " De getrouwe jonger hoort met heilige schroom (2 Corinthiërs 5:11) en vol hoopvolle verwachting (Mattheus 15:1 vv.) de aankondiging van de toekomst van de Heere, waarvan de Schrift hem altoos slechts enige sporen vertoont.
2) Johannes! Ik noem die naam naast die van Mozes; en, inderdaad! ik ben niet de eerste, die het deed. De overeenkomst tussen beiden, de ene als geschiedschrijver van de eerste, de anderen als geschiedschrijver van de tweede schepping, die wij Christendom noemen: ja, wat meer is, de gelijkluidende aanhef van beider scheppingsverhaal: In de beginne schiep God hemel en aarde! In de beginne was het Woord, waardoor alle dingen zijn gemaakt, heeft ook anderen op het denkbeeld gebracht, om beide namen naast elkaar te plaatsen. Maar passen zij in dit opzicht bijeen, hoe ver daarentegen staan zij in andere opzichten van elkaar! Bijna even ver als beider werk, Wet en Evangelie, van elkaar staan. In Mozes al de strengheid van de Wet, in Johannes al de zachtmoedigheid van het Evangelie. Mozes in menselijke evenredigheden de God van Sinaï, zoals Johannes de grote God en Mensenzoon van de berg van de zaligheid en de berg van het offer gelijkt. Men heeft het Evangelie van Johannes het hart van Christus genoemd: geen wonder! Johannes had aan dat hart gelegen en zoals het zachte was het beeld overneemt, waarmee het in aanraking wordt gebracht, zo had zijn door het vuur van de liefde zacht en week gemaakt hart het beeld in zich overgedrukt, dat hem dat goddelijk Christushart deed kennen. Evenwel het was niet alleen door het tedere en liefdevolle van zijn gemoed, dat Johannes de boezemdiscipel van de Heere werd. Was hij de apostel van de liefde, hij was tevens de adelaar onder de Evangelisten en Profeten. Zoals de adelaar de zon in het aangezicht streeft en tegelijk met zijn blik de diepten van de aarde peilt, was er ook onder de kinderen van de mensen geen, wiens oog hoger opzag en dieper neerschouwde dan het oog van Johannes. Sloeg hij het neer de diepste diepten van Godskennis openden zich voor hem, hief hij het op de hoogste hoogten van Gods en hemelaanschouwing gingen hem open: zag het voor zich uit de verste verschieten van toekomst-verwachtingen bleven hem niet verborgen. Ziener was de naam, die bij uitnemendheid op hem paste; want in het zien, in de aanschouwing, in de bespiegeling lag vooral zijn kracht, zoals de voornaamste kracht van Petrus in het handelen, de kracht van Paulus in het door woord en daad verkondigen lag. Maar zo was hij dan voor anderen een uitverkoren vat, om de openbaring van de verborgen dingen van de Heere voor de gemeenten en de wereld te dragen; de apostel-profeet onder de apostelen: in de krachtigste zin van het woords de Ziener van het Nieuwe Verbond.
3) Johannes wil zeggen: Geliefden, wanneer u dit boek, door mij geschreven, leest, dan moet u niet aan mij, een onbeduidende persoon, denken; ik wijs u veelmeer alleen op het Woord van de Vader, dat ik uit de mond van de Zoon heb ontvangen. Deze is de getrouwe getuige, wiens getuigenis ik niet gehoord, maar gezien heb in gezichten, niet met het oog van het lichaam, maar van de geest.
4) Hoor de echo weer aan het slot van het Boek (Hoofdstuk 22:7): Zalig is hij, die de woorden van de profetie van dit boek bewaart, zoals Maria de woorden van Bethlehems engelen en herders en twaalf jaren later die van het kind Jezus. Ook van Daniël is het opgetekend, hoe hij het ontvangen profetisch woord in zijn hart bewaarde (Daniël 7:28). De tijd is nabij. Het profetisch woord vanouds maakt haast. Het wachtwoord van geheel dit boek is van de Heiland herhaald: Ik kom spoedig. Bij de aanvang (Vers 1) werd gesproken van dingen, die haast geschieden zouden. Vijfhonderd jaar vroeger schreef Haggai (Haggai 2:7): Nog eens, een weinig tijd en Ik zal de hemelen en de aarde en de zee en het droge doen beven. Dit: weinig tijd, omvatte intussen eeuwen; ja, volgens de brief aan de Hebreeën nog een geheel nieuwe (de Nieuw-Testamentische) opvolging van eeuwen, als hij het woord van de Profeet verklaart van de dagen van het nog bestaande onbeweeglijk koninkrijk. In de Apocalyps is weer ook dat woord: de tijd is nabij, zowel aanvang als slotwoord (verg. 22:10).
Hier geeft de apostel ook de verzekering, dat het boek van de Openbaring eenszins een gesloten en verzegeld boek voor de gemeente van de Heere moet zijn, maar dat wij ons geluk veeleer behoren te bevorderen door het te horen en te lezen als de ontdekkingen, die God zelf heeft gegeven voor Zijn kerk, opdat men onder zinnebeeldige voordracht weten zou, wat daarna in de gemeente van de Heere zou plaats hebben. Geen eigendunkelijke verklaring, maar een eenvoudige en geleidelijke opvatting voegt ons, in de gewone zin van de profetische Schriften.