11. En aan een ieder van hen werd een getuigenis gegeven, dat de nu begonnen verwoesting van stad en tempel, alhoewel niet de volle wraak voor hun onschuldig en op zo ontzettende wijze vergoten bloed, toch een volkomen redding was van de eer van hun naam, nadat men hen bij hun leven bespot en gelasterd, van het volk van God afgezonderd en als kinderen van de duivel behandeld had (
Mattheus 10:25 Lukas 6:22 Jesaja 66:5). Hun werden namelijk lange witte kleren gegeven, opdat zij voortaan in de geschiedenis van de wereld bekend zouden zijn als degenen, die overwonnen hadden en uit grote verdrukking waren gekomen (
Hoofdstuk 3:11;
7:13 v.). En hun werd ten opzichte van het oordelen en wreken van het bloed, dat zeker niet voor altijd zou uitblijven, gezegd, dat zij nog een kleine tijd, (het woord "kleine" ontbreekt in de beste handschriften en is waarschijnlijk hier uit
Hoofdstuk 20:3 ingevoegd, terwijl oorspronkelijk de tijd onbepaald was gelaten,
Handelingen 19:22) rusten zouden in het genot van de zaligheid, waartoe zij reeds daarboven waren ingegaan. Zij moesten wachten totdat ook hun mededienstknechten uit het huis van God en hun broeders vervuld zouden zijn, totdat het getal van hen, die gedood zouden worden om het woord van God en om de getuigenis, die zij hadden, vol zou zijn geworden. En dan als zij, die gedood zouden worden, zoals als zij de marteldood zouden hebben ondergaan, zou het volle gerichtover het ongelovig gebleven deel van Israël tegelijk met dat over de antichrist en zijn verdere aanhang komen (
Hoofdstuk 19:11,
Jesaja 66:15). Zij zelf echter zouden en daarvan was hun het witte kleed ten onderpand, tegelijk met de toegevoegde mededienstknechten en broeders bij de oprichting van het duizendjarig rijk tot de heerlijkheid van de eerste opstanding komen (
Hoofdstuk 20:4).
Voor onze gewone opvatting heeft het iets bijzonder bevreemdends, dat deze zielen van de gedoden om het woord van God en de getuigenis van Christus om wraak roepen voor hun onschuldig vergoten bloed. Men zou het veel meer overeenkomstig de geest van het Christendom vinden, als zij, in plaats van om wraak, om genade baden voor degenen, die hen doodden. Hierop moet geantwoord worden, dat Stefanus, die de rij opent, sterft met het woord op de lippen: "Heere! reken hun deze zonde niet toe" en Jakobus II, die wij de laatste van de tien bedoelde martelaars kunnen noemen, zo aanhoudend in het smeken voor zijn volk Israël op de knieën moet hebben gelegen, dat deze met eelt begroeid waren, evenals de knieën van de kameel, die zich gedurig neerbuigt. En nog, toen hij van de tinne van de tempel werd neergeworpen en beneden dood geslagen werd, bad hij voor de zonden van zijn volk. Het roepen om ontferming voor de tegenstanders van de Heere is echter slechts zo lang op zijn plaats, als nog ontferming mogelijk en de tijd van het laatste gericht niet is begonnen. Stellen de gelovigen belang in de redding van de zielen, het is hun evenzeer te doen om de roem van de heiligheid en waarachtigheid van hun Heer en om de reiniging van het huis van God van de overtreders. Het is alleen de vraag wanneer de tijd van deze reiniging, de tijd van de verheerlijking van de Heere door Zijn tegenstanders daar is en nu wordt door de inhoud van het vijfde zegel deze vraag op tweeërlei wijze in symbolische, concrete vorm behandeld. Naar de ene zijde zou de vraag bevestigend kunnen worden beantwoord en dus het oordeel over Jeruzalem en het Joodse volk tot een eindgericht gemaakt worden. De maat van de zonde is werkelijk vol en de heiligheid en waarachtigheid van God schijnt te eisen, dat aan het halsstarrige en verstokte volk, waaraan ook de zonde niet toegerekend is geworden, dat het de Zoon van God aan het kruis genageld had, waaraan vervolgens nog 40 jaren lang de zaligheid op de krachtigste en dringendste wijze werd aangeboden en dat toch is voortgegaan degenen te doden, die tot hen waren gezonden, nu ook een einde worde gemaakt. Deze gedachte wordt uitgedrukt door het roepen van de zielen onder het altaar. Als zij met hun roepen als het ware tot rust zijn genoopt, wordt de andere gedachte uitgedrukt, dat het goddelijk verlossingsplan met Israël nog niet ten einde is en dat het volk nog voor de toekomst tijd tot bekering is gegeven. De rijkdom van de goddelijke goedheid, Zijn geduld en Zijn lankmoedigheid heeft zich nog een tijd voorbehouden, waarop de Heere ons in Mattheus wijst. Voor hoeveel zielen deze genade tot weder opwekken van Israël uit zijn geestelijke dood vruchten zal dragen, dat vernemen wij later in Hoofdstuk 7:1, Het is daar werkelijk geheel Israël, dat nog eens zalig wordt (Romeinen 11:26), al is het op verre na niet in al zijn bijzondere leden, toch in al zijn afzonderlijke stammen. Deuteronomium 144. 000 staan tot de 10 miljoen ongeveer als 1 tot 70. Verreweg het grootste gedeelte van het volk zal zich dus bezondigen aan het eindoordeel en wel aan dat, hetwelk bij het slot van de geschiedenis van de opvoeding van de uit de heidenwereld geroepen Christenen over de anti-christ en diens aanhang gaat. In de tegenwoordige tijd staan wij in de periode van het rijp worden van de anti-christelijke tijdgeest, waarvan het gevolg is het doden van de twee getuigen (Hoofdstuk 11:7). Zeer veel draagt tot dat rijp worden de liberale, ongelovige Jodenwereld bij en zij zal het dan ook zijn, die bij de verschijning van de persoonlijke anti-christ energiek aan de verheffing van zijn heerschappij en aan zijn onderneming tegen de Zionsgemeente in het heilige land deelneemt, maar zich daardoor ook in het gericht, dat over hen komt, inwikkelt, Dit alles, alsmede de gegeven verklaring van dit vers volgens de afzonderlijke daarin vervatte momenten, zal de lezer pas duidelijk worden in de verdere voortgang van ons boek. Intussen geeft het bij Lukas 13:33 gezegde over Jeruzalem als het altaar, waarop alle profeten en getuigen geofferd worden, zekerheid, dat wij ook bij dit zegel met Jeruzalem te doen hebben (vgl. Klaagt. 4:13).
Bij de verklaring van het elfde vers merken wij aan, dat het vijfde en zesde zegel weliswaar de Christenvervolgingen en de ondergang van het Romeinse rijk beduiden, maar ook, in ruimere zin, typisch, de Christenvervolging onder het beest uit de afgrond, de zesde en zevende wereldmacht (Volksheerschappij en Antichristendom) en de ondergang van deze en aller andere wereldmachten aanwijzen. In deze typische zin volgen het vijfde en zesde zegel ook in tijdsorde op de vier eerste en het vijfde beduidt de toekomstige martelaren onder het beest uit de afgrond en het zesde de val van alle wereldmachten en van de antichrist met de zijnen ten dage van de toorn van het Lams, of van Christus' terugkomst. De val van het Romeinse rijk was in het Nieuwe Verbond het hoofdvoorbeeld van het verdwijnen aller wereldmachten. Pas wanneer wij deze typische zin van de beide zegelen, benevens de werkelijke zin, in het oog houden, kan hun volledige verklaring gevonden worden.
Niet de geesten van de afgestorven martelaren (deze worden nooit "zielen" genoemd), maar hun zielen volgens het natuurlijk lichamelijk leven, liggen onder het altaar, met andere woorden hun bloed ligt er. In de Openbaring omen twee altaren voor: 1) het gouden reukaltaar; 2) het niet gouden brandofferaltaar; van het laatste wordt hier gesproken. zoals vroeger in het Oude Verbond het bloed van de offerdieren in de tempel te Jeruzalem op het altaar van de brandoffers werd uitgegoten, zo ziet Johannes het bloed van de vermoorde martelaars onder het hemelse brandaltaar. Zoals eens het bloed van de onschuldige Abel tot God om wraak riep van de aardbodem, zo ligt het bloed van de verslagen gelovigen hier op de grond en klaagt de moorddadige vijanden van Jezus aan, totdat Deze wraak genomen heeft. Dat is het bloed van de Christenen, dat vergoten is door de Heidenen, sinds de tijd van de Romeinse keizer Nero tot op de dagen, waarin Johannes deze gezichten zag; het bloed van Petrus, die aan een kruis genageld werd, het bloed van Paulus, die met het zwaard is gedood, het bloed van zo vele martelaars, die hun geloof in de Heere hebben bezegeld met hun dood. Maar Johannes ziet ook het bloed van hen, die met en na dezen zijn omgebracht tot op de ondergang van het Romeinse rijk, ja het bloed van alle getuigen van Christus, dat tot op de huidige dag vergoten is en vergoten zal worden tot op de jongste dag. Deze zee van bloed roept van het brandaltaar om wraak, om wraak van God en deze zij is reeds in de tijdelijke oordelen aan de wereld uitgeoefend; maar de geduchtste is de wraak, die eindelijk, als de laatste, komen zal op de grote dag van het gericht, wanneer de tegenstrevers, vervolgers en moordenaars van Jezus en Zijn Kerk, het beslissend oordeel horen zullen: "ga weg van Mij, u vervloekten, in het eeuwige vuur, dat de duivel en zijn engelen bereid is. " Vermoord zijn de martelaars omwille van het woord van God en van de getuigenis, die zij hadden; want Jezus Christus gaf hun het woord van de waarheid in de hand en zij hielden het vast, zij bewaarden het getrouw, zodat Christus Jezus zelf door hun mond getuigenis gaf van het licht tegen de duisternis, van de gerechtigheid tegen de zonde, van de waarheid tegen de leugen. Aan de Heidenen werd de wraak openbaar over het bloed van de dienaren van de Heere; Hij zal Zich openbaren, maar wij zeggen: "Heere! hoelang zult U toezien? " "Hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? " Als Hij onze Heere is, mogen wij ook vertrouwen, dat Hij Zich over de Zijnen zal ontfermen; en zo is het ook de taal van de verlosten, wier bloed is vergoten voor de naam van de Heere Jezus: "Heere! wij zijn Uw eigendom; wij hebben U gediend, wij zijn U getrouw gebleven tot de opoffering van ons leven toe; U bent de Heilige; U heeft een macht, zoals niemand in de wereld ze bezit; U bent de Algenoegzame, zoals niemand buiten U het is; U bent de Waarachtige openbaar U door de vervulling van de bedreigingen, die U gesproken heeft tegen de overtreders van Uw wil! Bij uw heerschappij en onze getrouwe onderworpenheid; bij uw heiligheid, bij uw waarheid roepen wij U aan; wreek ons bloed, opdat U verheerlijkt mag worden door de hele wereld en uw kerk geëerbiedigd! " Jezus heeft gedurende Zijn omwandeling op aarde de verhoring van deze bede reeds bepaald toegezegd: "Zal God geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastig recht zal doen. " Het is Gods heilige wil en behoort tot de aard van Zijn wezen, wraak te nemen over alle ongerechtigheid; daarom is ook het gebed van Zijn dienaren Hem aangenaam, als het ontspruit uit begeerte naar Zijn verheerlijking en uit gelovig verlangen naar de eindelijke zegepraal van de Kerk. En zoals de Heere aan Zijn kudde de haat van de hele wereld heeft voorspeld in de woorden: "u zult gehaat worden door alle volkeren omwille van Mijn naam wil", zo heeft de Heere ook het oordeel uitgesproken over allen, die van deze aarde zijn. Dezen worden aangeduid in de twee laatste zegels. Nog kan de bede van de bloedgetuigen niet vervuld worden. Zij ontvangen als voorlopig antwoord een blinkend kleed, dat betekent: de zaligheid van de hemel.
In dit rusten bestaat tot aan de grote morgen van de opstanding op de jongste dag de zaligheid en heerlijkheid van de volmaakt rechtvaardigen. Zij hongeren en dorsten niet meer, noch de zon valt niet op hen, noch enige hitte en God zal alle tranen van hun ogen afwissen. Hoe heerlijk is de aanvang van het loon, dat God aan de Zijnen geeft in dat uitrusten van de moeiten en de verdrietelijkheden van deze aardse pelgrimsreis; een uitrusten voor de troon van het Lam, in de liefde, in de schoot en aan het hart van Jezus! En u, Paulus! wel had u recht te begeren om ontbonden te worden en met Christus te zijn en het sterven te houden voor gewin! Hier leven en zweven wij in aanhoudende onrust, strijd is het in en om ons; geen ogenblik verpozing van kommer, van moeite en zonde; maar ginds zal het beter zijn. Rust blijft er over voor het volk van God; zalige rust, niet te beseffen door de kinderen van het vlees; rust voor de troon van God. O Heere! mijn nieren verlangen in het binnenste van mij! Verlosser! neem ons in die rust op! Die rust duurt enige tijd; de duur daarvan bepaalt God niet nader en deze is een verborgenheid. Maar eenmaal zal het gebeuren, dat er geen tijd meer is, want "in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, dan zal de verborgenheid van God vervuld worden, zoals Hij Zijn dienstknechten, de profeten, verkondigd heeft" en dan zal het "rusten" vervangen worden door de volheid van de heerlijkheid van God en een eeuwige zegepaal over de vijanden van Zijn rijk, zoals de heilige mannen van de Heere dat hebben beloofd.
Johannes was in de Geest en in die staat zag hij in een gezicht zielen, die geen voorwerp zijn van het lichamelijk oog, hij zag zielen, onder het altaar, dat is Christus Hebreeën 13:10 die voorgebeeld was door het gouden reukaltaar, dat in het heilige stond, voor de ark van het verbond, die in het heilige der heiligen stond, ten opzichte daarvan wordt Christus een altaar genoemd; zoals in de Openbaring aak de benamingen geschieden van de schaduwachtige godsdienst in het Oude Testament. De zielen waren door Christus verlost en werden door Zijn overschaduwing zoetelijk verkwikt in de gemeenschap met Hem, en in de volmaakte genieting van God, het waren zielen van hen, die gedood waren, van de martelaren, die om de belijdenis van de Heere Jezus vervolgd en wreed ter dood gebracht waren. Een martelaar voor Jezus te zijn, is het heerlijkste, dat men op de wereld kan zijn en heeft tot beloning de kroon van de heerlijkheid. Het hoorbare wordt hier bijgevoegd, waarin aan te merken is, het verzoek van de zielen en het antwoord aan haar. Het verzoek: En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser! oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan degenen, die op de aarde wonen? Zij spreken God aan met de benamingen, die op hun verzoek passen, als: Heilige, die de goddeloosheid, zoals de vervolgers pleegden, haat en niet verdragen kan. Waarachtige, die beloofd heeft Zijn kerk te bewaren en de vervolgers te straffen. Heerser, die alleen de Opperste is en het gebied heeft over hemel en aarde en als een rechtvaardig Rechter een ieder vergeldt naar zijn werken. Zij klagen over de langdurigheid van de verdrukkingen van de kerk en het langdurige uitstel van straf te oefenen over de verdrukkers en verzoeken het oordeel over de vervolgers, wetend, dat zij schuldig bevonden zouden worden en eisen wraak over het vergoten bloed van de heiligen door de inwoners van de wereld, de goddeloze, wereldse mensen; niet dat zij wraaklust hebben in de hemel; maar de eer van Gods rechtvaardigheid, de eer van de Heere Jezus, het Hoofd van de kerk, die in het verdrukken van Zijn volk gesmaad en gelasterd werd en de verachting van de waarheid van God en van Zijn gemeente, verwekken hun begeerten om te bidden om verlossing van de kerk en van straf over hun vijanden. Het antwoord geschiedt door daden en woorden. De daden zijn: En aan een ieder werden lange witte kleren gegeven. Toen zij op aarde leefden, waren zij bekleed met Christus' gerechtigheid en met heiligheid van het leven; maar nu zij in de hemel zijn, zijn zij bekleed met heerlijkheid. Alle gelovigen zullen wel verheerlijkt worden, maar de martelaren zullen eeuwig in heerlijkheid uitmunten en als getrouwe strijders voor Christus en Zijn zaak gekend worden. De woorden: En hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders vervuld zouden zijn, die gedood zouden worden, zoals zij, God spreekt hen vriendelijk toe, alsof Hij zei: rust, verkwik, verblijd u in het genot van de zaligheid, waarin u bent, uw verzoek is Mij aangenaam, maar Ik heb nog meer getuigen voor Mij uitgezien, die zullen Mij ook verheerlijken met een marteldood, deze zijn niet alleen uw mededienstknechten maar zelfs uw broeders, daar is niet lang toe, de tijd is nabij. De nog toekomende martelaren worden niet bepaald en zijn niet alleen die, die nog door de Heidenen gedood zouden worden voordat Constantijn de Grote in het volle bezit van het rijk gekomen was, als wanneer hij de vervolgingen deed ophouden, maar onder die zijn ook begrepen al de martelaren, die gedood zouden worden door de antichrist, die dronken zou worden van het bloed van de heiligen. En of God nu en dan wel wraak oefent over de vervolgers van de kerk, zo zal nochtans de volkomen wraak pas geschieden, als de Heere Jezus zal komen ten oordeel, waartoe wel een lange tijd scheen te zijn; maar ten opzichte van de eeuwigheid is hij maar een kleine tijd. De zielen van de martelaren worden gezegd onder het altaar te zijn, welk zinnebeeld is ontleend aan het bloed van de offerdieren, die op het brandaltaar geofferd moesten worden, dat aan de voet van het altaar pleegt uitgegoten te worden (Leviticus 4:7); in het bloed was de ziel. Men moet niet verklaren alsof de zielen van de martelaren, van hun lichamen ontbonden, wraak vorderen over de vijanden van de waarheid; wat hier gezegd wordt moet overgebracht worden tot de zaak zelf. De bloedstortingen tegen de belijders van de waarheid zouden zo fel zijn, dat zij vanzelf om de goddelijke wraak zouden roepen, evenals het onschuldig bloed van Abel gezegd wordt tot God te roepen (Genesis 4:10 Hebreeën 12:14). Het beleid van Zijn raadsbesluiten liet echter niet toe, dat Hij de vijanden zou bezoeken. Hij beveelt lijdzaamheid totdat ook de medebroeders (Waldenzen, Albigenzen, Boheemsche broeders enz.) omgebracht zouden zijn. God zou intussen maken, dat de zaak van de martelaren, die om de ware godsdienst waren gedood, openlijk gerechtvaardigd zou worden, hetwelk wordt afgebeeld door de lange witte kleren, waarmee zij door Jezus Christus begiftigd, in de kerk zouden blinken.
De zielen van de gelovigen, inzonderheid van lijdende gelovigen, zijn in een allergelukzaligste staat na de dood, te weten onder het altaar, in het paradijs, in Abrahams schoot bij Christus Jezus. God heeft een bijzondere zorg voor de zielen van al Zijn heiligen; zij zijn Hem dierbaar, hun loon is groot in de hemelen.