1 Thessalonicenzen 4:13-18
In deze woorden vertroost de apostel de Thessalonicenzen, die treurden over den dood van hun familieleden en vrienden, die in den Heere ontslapen waren. Zijn voornemen is om hen te bewaren voor buitensporige smart of ongeëvenredigde droefheid daarover. Alle droefheid over den dood van vrienden is ver van laakbaar, wij mogen in elk geval wenen over ons zelven al bewenen wij hun lot niet, wij mogen ons eigen verlies betreuren al is dat ook voor hen gewin. Maar toch moet onze droefheid niet ongematigd zijn, want:
I. Dat zou zijn alsof wij geen hoop hadden, vers 13. Het zou zijn alsof wij heidenen waren, die geen hoop hebben op een beter leven na dit leven, terwijl wij, als Christenen, de meest-vaste hoop hebben, de hoop op een eeuwig leven, hetwelk God, die niet liegen kan, ons beloofd heeft. En die moet al onze vreugde en al onze droefheid over enig aards ding matigen. Deze hoop is meer dan voldoende om op te wegen tegen al onze smarten en ellenden van den tegenwoordigen tijd.
II. Het zou een bewijs zijn van onwetendheid betreffende den toestand van de afgestorvenen, vers 13. Er zijn sommige dingen betreffende de ontslapenen, waaromtrent wij niet anders dan onwetend kunnen zijn, want het land, waarheen zij gingen, is een land van duisternis, waaromtrent wij weinig weten en waarmee wij geen gemeenschap hebben. In den dood gaan, is gaan, wij weten niet waarheen en voortleven, wij weten niet hoe. De dood is een onbekend ding en omtrent den staat van den dood, of liever den staat na den dood, zijn wij grotendeels in het duister. Maar toch zijn er enkele dingen, bepaaldelijk betreffende hen, die in den Heere ontslapen zijn, waaromtrent wij niet behoeven en niet behoren onwetend te zijn. En indien deze dingen goed verstaan en behoorlijk beschouwd worden, zijn zij voldoende om onze smart omtrent hen te lenigen.
1. Zij zijn ontslapen in Jezus. Zij zijn ontslapen, vers 13. Zij zijn in Christus in slaap gevallen, 1 Corinthiërs 15:18. De dood heeft hen niet vernietigd, hij is voor hen slechts een slaap. Hij is hun rust, hun ongestoorde rust. Zij zijn uit deze moeitevolle wereld vertrokken, om van al hun arbeid en zorgen te rusten, en zij slapen in Jezus, vers 14. Zij zijn met Hem verenigd, zij slapen in Zijn armen, onder Zijn bijzondere zorg en bescherming. Hun zielen zijn in Zijne tegenwoordigheid, hun stof is onder Zijn bewaring en macht, zodat zij niet verloren zijn, zij hebben door den dood niets verloren maar veel gewonnen, en hun weggaan uit deze wereld was overplaatsing in een betere.
2. Zij zullen uit den dood opgewekt worden en opwaken uit hun slaap, want God zal hen weder brengen met Hem, vers 14. Zij zijn nu bij God en daar beter dan zij hier waren, en wanneer God komt zal Hij hen weder brengen met Hem. De leer van de wederopstanding en van de wederkomst van Christus is het grote behoedmiddel tegen de vrees voor den dood en tegen onmatige droefheid over den dood van onze Christelijke vrienden. En van deze leer hebben wij volle zekerheid, omdat wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, vers 14. Het wordt als zeker aangenomen, dat alle Christenen dat weten en geloven. De dood en de opstanding van Christus zijn de grondwaarheden van het Christelijk geloof en geven ons hoop op een zalige opstanding, want Christus, opgewekt van de doden, is de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn, en daarom zijn ook niet verloren degenen, die in Hem ontslapen zijn, 1 Corinthiërs 15:18, 20. Zijne verrijzenis is de volkomen bevestiging van al wat in het Evangelie gezegd is, en van al wat de Heere zelf gezegd heeft, en Hij heeft het leven en de onverderflijkheid aan het licht gebracht. 3. Hun staat en toestand zal bij de wederkomst van Christus heerlijk en gelukkig zijn. Dit zegt de apostel den Thessalonicenzen door het woord des Heeren, vers 15, door goddelijke openbaring van den Heere Jezus. Want ofschoon de opstanding der doden en een staat van toekomstig geluk ook deel uitmaken van het geloof der Oud-Testamentische heiligen, zijn deze in en door het Evangelie toch veel duidelijker geopenbaard. Door dit woord des Heeren weten wij:
A. Dat de Heere Jezus van den hemel zal neerkomen in al de heerlijkheid en majesteit van de betere wereld, vers 16. Want de Heere zelf zal met een geroep nederdalen van den hemel. Hij voer naar den hemel op na Zijne opstanding en ging door de hemelen door tot in den derden hemel, die Hem moest ontvangen tot de wederoprichting aller dingen, en dan zal Hij wederkomen en verschijnen in Zijne heerlijkheid. Hij zal van den hemel nederdalen in onze lucht, vers 17. De verschijning zal zijn met kracht en heerlijkheid, met een geroep, het geroep van een koning, met de macht en het gezag van een groot koning en overwinnaar, met de stem des archangels, en een ontelbaar heir van engelen die Hem volgen. Wellicht zal een hunner, als aanvoerder van deze heirscharen des Heeren, het teken van Zijne nadering geven, en de heerlijke verschijning van dezen groten Verlosser en Rechter aankondigen en bekendmaken met het blazen van de bazuin Gods. Want de bazuin zal slaan, en dat zal allen doen ontwaken, die in het stof der aarde slapen, en de gehele wereld oproepen om voor den Rechter te verschijnen.
B. Want de doden zullen opgewekt worden.
Die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan, vers 16, alvorens zij, die levend overgebleven zijn, bij de wederkomst des Heeren veranderd worden, en daardoor zullen dus zij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet voorkomen degenen, die ontslapen zijn, vers 15. De eerste zorg van den Verlosser in dien dag zal Zijn heiligen betreffen. Hij zal de gestorven heiligen opwekken alvorens de levend overgeblevenen de grote verandering ondergaan, zodat zij, die niet ontslapen zijn, geen groter voorrecht zullen hebben dan zij, die in Jezus ontslapen zijn.
C. Zij, die levend overbleven, zullen dan veranderd worden. Zij zullen tezamen met de anderen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet in de lucht, vers 17. Bij, of onmiddellijk voor, deze opneming in de wolken zullen zij, die levend overbleven, een machtige verandering ondergaan, die gelijk zal staan met sterven. Deze verandering is zo geheimzinnig, dat wij haar niet begrijpen kunnen, wij weten er weinig of niets van, 1 Corinthiërs 15:51. Alleen in het algemeen: dit sterflijke moet onsterflijkheid aandoen, en deze lichamen moeten geschikt gemaakt worden om het koninkrijk Gods te beërven, waartoe vlees en bloed niet instaat zijn. De verandering zal geschieden in een ogenblik, in een punt des tijds, 1 Corinthiërs 15:52, tegelijk met of niet lang na de verrijzenis van hen, die in Jezus ontslapen zijn. Zij, die opstonden en zij, die veranderd werden, zullen elkaar ontmoeten in de wolken en aldaar verenigd worden met hunnen Heere, om Zijn komst mede te vieren, de kroon der heerlijkheid te ontvangen, welke Hij geven zal aan hen die in Hem geloven, en deel te nemen aan Zijne rechtspraak, goedkeurende en toejuichende het vonnis, dat Hij zal vellen over den vorst der duisternis en over al de godlozen, die veroordeeld zullen worden tot verwoesting met den duivel en zijne engelen.
D. Den zegen van de heiligen in dien dag. Alzo zullen wij altijd met den Heere wezen, vers 17. Het zal een deel van hun geluk uitmaken, dat al de heiligen elkaar zullen ontmoeten en altijd met elkaar zijn, maar de voornaamste zaligheid van den hemel is deze: te zijn met den Heere, Hem te zien, met Hem te leven, zich in Hem te verblijden, eeuwiglijk. Dit moet de heiligen vertroosten over den dood hunner vrienden, dat, ofschoon de dood een scheiding gemaakt heeft, hun zielen en lichamen weer verenigd zullen worden, wij met hen verenigd zullen worden, wij en zij met al de heiligen voor altijd met den Heere zijn zullen, zonder ooit enige scheiding meer te duchten te hebben. En de apostel wil dat wij elkaar vertroosten met deze woorden, vers 18. Wij moeten ons benaarstigen elkaar in tijden van droefheid te steunen: niet elkanders geestkracht neerslaan, niet elkanders handen slap maken, maar elkaar vertroosten. En dat kan geschieden door nauwlettende overweging en bespreking van de goede lessen, die geleerd kunnen worden van de leer der opstanding van de doden, de wederkomst van Christus en de heerlijkheid van de heiligen in dien dag.