Jesaja 2:1-5
Het bijzondere opschrift van deze leerrede, vers 1, is hetzelfde als dat van het gehele boek, Hoofdstuk 1:1, alleen wat daar het gezicht wordt genoemd, is hier genoemd het woord, dat Jesaja gezien heeft, of de zaak, die hij gezien heeft, van welker waarheid hij even ten volle overtuigd was in zijn eigen gemoed alsof hij haar met zijn lichamelijke ogen had gezien. Of, dit woord is tot hem gekomen in een gezicht, hij zag iets, toen hij deze boodschap van God ontving. Johannes keerde zich om te zien de stem, die met hem gesproken had, Openbaring 1:12.
Deze leerrede begint met de profetie betreffende de laatste dagen, de dagen van de Messias, als Zijn koninkrijk opgericht zal zijn in de wereld, aan het einde van de Mozaïsche bedeling. In de laatste dagen van het aardse Jeruzalem, even voor de verwoesting ervan, zal dit hemelse Jeruzalem opgericht worden, Hebreeën 12:22, Galaten 4:26. Evangelietijden zijn de laatste dagen. Want
1. Het duurde lang eer zij kwamen, de oud testamentische heiligen hebben er lang op gewacht, hebben er lang naar uitgezien, maar ten slotte zijn zij gekomen.
2. Wij moeten geen andere bedeling van de genade verwachten, dan die wij hebben in het evangelie, Galaten 1:8, 9
3. Wij moeten de wederkomst van Christus verwachten aan het einde van de tijd, zoals de oud- testamentische heiligen Zijn eerste komst verwacht hebben. Dat is de laatste tijd, 1 Johannes 2:18.
I. Hier nu voorzegt de profeet de oprichting van de christelijke kerk en het planten van de christelijke godsdienst in de wereld. Het christendom zal dan de berg zijn van het huis des Heeren, waar dat beleden wordt, zal God Zijn tegenwoordigheid schenken, de hulde van Zijn volk ontvangen, onderricht en zegen schenken zoals Hij vanouds gedaan heeft in de tempel op de berg Zion. De christelijke kerk, tot een gemeenschap gemaakt door de handvest van Christus, zal dan het middelpunt wezen, waar al het geestelijk zaad van Abraham in samenkomt en zich verenigt. Nu wordt hier beloofd:
1. Dat het christendom openlijk gepredikt en beleden zal worden, het zal bereid worden-zegt de kanttekening-op de top van de bergen, in het gezicht en gehoor van allen. Van daar dat Christus' discipelen vergeleken worden bij een stad op een berg, die niet verborgen kan zijn, Mattheus 5:14. Er waren vele ogen op hen gericht. Christus zelf heeft vrijuit tot de wereld gesproken, Johannes 18:20. Wat de apostelen deden was in geen hoek geschied Handelingen 26:26. Het was het ontsteken van een lichtbaken, het oprichten van een standaard. Dat het overal tegengesproken werd, veronderstelt dat er overal van gesproken werd.
2. Dat het vast bevestigd en geworteld zal zijn, dat het gevestigd zal zijn op de top van de eeuwige bergen, gebouwd op een rots, zodat de poorten van de hel haar niet kunnen overwinnen, tenzij zij de bergen kunnen ontwortelen. Hij, die veilig woont, wordt gezegd in de hoogte te wonen, Jesaja 33:16. De Heer heeft het evangelie Zion gegrond.
3. Dat het niet alleen alle tegenstand zal overwinnen, maar ook alle mededinging zal overtreffen, het zal verheven worden boven de heuvels. De wijsheid van God in een verborgenheid zal al de wijsheid van de wereld overschitteren, al haar filosofie en al haar staatkunde. De geestelijke aanbidding, die het zal inleiden, zal de afgoderij van de heidenen neerwerpen, en in vergelijking met het christendom zullen alle godsdienststelsels laag en verachtelijk blijken te zijn. Zie Psalm 68:17. Waarom springt gij op, gij hoge bergen? Dezen berg heeft God begeerd tot Zijn woning
II. Het toebrengen van de heidenen tot hetzelve.
1. De volken zullen tot hetzelve worden toegelaten, zelfs de onbesnedenen, aan wie het verboden was om in de voorhoven van de tempel te Jeruzalem te komen, de middelmuur van het afscheidsel, die hen buiten hield, hen afweerde, zal dan gebroken zijn.
2. Alle heidenen zullen tot hetzelve toevloeien, zullen vrije toegang tot hetzelve hebben, zij zullen van die vrijheid gebruikmaken, en grote menigten zullen het christendom omhelzen. Zij zullen tot hetzelve toevloeien als waterstromen, hetgeen de menigte van de bekeerlingen aanduidt, die door het evangelie gemaakt zullen worden en de spoed en de blijmoedigheid, waarmee zij in de kerk zullen komen. Zij zullen er niet gedwongen in komen, maar er natuurlijkerwijze heenvloeien. Uw volk zal gewillig zijn, zij zullen allen vrijwilligers wezen, Psalm 1-10:3. Tot Christus zal de vergadering des volks wezen Genesis 49:10. Zie Hoofdstuk 60:4, 5.
III. De wederzijdse hulp en aanmoediging, die deze menigte van bekeerlingen elkaar zullen geven. Hun vrome genegenheden en besluiten zullen hand in hand gaan, zodat zij als een volle stroom zullen aankomen. Gelijk de Joden, als zij van alle delen des lands driemaal in het jaar ter aanbidding opgingen naar Jeruzalem, onderweg hun vrienden bezochten en hen opwekten om met hen te gaan, zo zullen velen van de heidenen hun vrienden en betrekkingen vriendelijk uitnodigen om met hen de christelijke godsdienst te omhelzen, vers 3. Komt laat ons opgaan tot de berg des Heeren al gaat het ook bergopwaarts en tegen het hart, het is toch de berg des Heeren en Hij zal onze ziel helpen in het opgaan tot Hem. Zij, die zelf in verbond en gemeenschap met God treden, moeten zovelen als zij kunnen medebrengen, het betaamt christenen elkaar op te wekken tot goede werken en de gemeenschap van de heiligen te bevorderen door elkaar er toe uit te nodigen, niet: "ga gij op tot de berg des Heeren, en bid voor ons, en wij zullen tehuis blijven," noch: "Wij zullen gaan, en doe gij wat gij wilt," maar: "Komt, laat ons opgaan, laat ons gaan in vereniging met elkaar, opdat wij elkaars handen sterken en elkanders eer ophouden." Niet: "wij zullen er eens over denken en er over beraadslagen, en later gaan," maar, "komt, laat ons gaan, laat ons terstond gaan," Psalm 122:1. Velen zullen dit zeggen, zij, tot wie het gezegd werd, zullen het aan anderen zeggen. De evangeliekerk wordt hier niet alleen de berg des Heeren genoemd, maar ook het huis van de God Jakobs, want daarin wordt Gods verbond met Jakob en zijn biddend zaad in stand gehouden en heeft het zijne vervulling, want tot ons heeft Hij thans evenmin als ooit tot hen gezegd: Zoekt Mij tevergeefs, Hoofdstuk 45:19. Zie hier nu:
1. Wat zij zich beloven in dit opgaan tot de berg des Heeren. Daar zal Hij ons leren van Zijn wegen. Gods wegen moeten geleerd worden in Zijn kerk, in gemeenschap met Zijn volk en in het gebruik van de ingestelde genademiddelen, de wegen van de plicht, waarin Hij wil dat wij zullen wandelen, de wegen van de genade, in welke Hij wandelt en tot ons komt. Het is God, die Zijn volk onderwijst door Zijn woord en Geest. Het is de moeite wel waard om op te gaan tot Zijn heilige berg, om er Zijn wegen te leren, want zij, die gewillig zijn om zich die moeite te geven, zullen bevinden dat het geen vergeefse moeite is. Dan zullen wij kennen, indien wij voortgaan de Heer te kennen.
2. Wat zij voor zichzelf en voor elkaar beloven. "Als Hij ons Zijn wegen zal leren, dan zullen wij in Zijn paden wandelen, als Hij ons onze plicht leert kennen, dan zullen wij door Zijn genade er ons met ons geweten op toeleggen om hem te volbrengen. Zij, die met dit nederig besluit acht geven op Gods Woord, zullen niet weggezonden worden zonder dat zij hun les geleerd hebben."
IV. Het middel, waardoor dit tot stand zal worden gebracht. Uit Zion zal de wet uitgaan de nieuwtestamentische wet, de wet van Christus, zoals vanouds de wet van Mozes van de berg Sinaï, en des Heeren woord uit Jeruzalem. Christus zelf begon in Galilea, Mattheus 4:23. Maar toen Hij aan Zijn apostelen de opdracht gaf om het evangelie te prediken aan alle volken, zei Hij hun te beginnen in Jeruzalem, Lukas 24, 47, zie Romeinen 15:19. Hoewel de meeste van hen in Galilea tehuis behoorden, moesten zij toch te Jeruzalem blijven, om daar de belofte van de Geest te verwachten Handelingen 1:4. En in de tempel op de berg Zion predikten zij het evangelie, Handelingen 5:20. Deze eer werd aan Jeruzalem toegestaan, zelfs nadat Christus er gekruisigd was om de wille van wat het geweest is. En het was door dit evangelie, dat zijn oorsprong had in Jeruzalem dat de evangeliekerk gevestigd werd op de top van de bergen. Dit was de scepter van de Goddelijke sterkte, die uit Zion gezonden werd, Psalm 110:2.
V. De oprichting van het koninkrijk van de Verlosser in de wereld. Hij zal richten onder de heidenen, Hij, wiens woord uitgaat uit Zion zal door dat woord niet alleen de zielen aan zich onderwerpen, maar over hen heersen, vers 4. Hij zal in wijsheid en gerechtigheid de zaken van de wereld regelen en besturen tot welzijn van Zijn kerk, en hen bestraffen en tenonder houden, die Zijn belangen tegenstaan. Door Zijn Geest, werkende in het geweten van mensen, zal Hij hen oordelen en bestraffend zal Hij hen oordelen en tenonder houden, die Zijn belangen tegenstaan. Zijn koninkrijk is geestelijk, en niet van deze wereld.
VI. De grote vrede, die het gevolg, de uitwerking zal wezen van het succes van het evangelie in de wereld, vers 4. Zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, hun oorlogsmaterialen zullen in landbouwgereedschappen veranderd worden, zoals in het tegenovergestelde geval, als de oorlog wordt uitgeroepen, de spaden tot zwaarden geslagen worden, Joël 3:10, het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, zoals zij het thans doen, en zij zullen geen oorlog meer leren, want zij zullen geen oorlog meer nodig hebben. Hierdoor wordt alle oorlog onder christenen niet volstrekt onwettig of ongeoorloofd gemaakt, en het is ook geen profetie dat er in de dagen van de Messias geen oorlog meer zijn zal de Joden voeren dit aan als een bewijs, dat Jezus niet de Messias is, daar deze belofte niet vervuld is geworden. Maar
1. Zij werd ten dele vervuld in het vreedzame van de tijd, waarin Christus werd geboren, toen de oorlogen grotendeels hadden opgehouden, getuige de beschrijving, Lukas 2:1.
2. De bedoeling en strekking van het evangelie zijn om vrede te maken of te bevorderen, en alle vijandschap te doden. Het heeft de krachtigste verplichtingen en beweegredenen in zich voor de vrede, zodat men redelijkerwijs kon verwachten dat het deze uitwerking zou hebben, en het zou die ook gehad hebben indien de lusten van de mensen, vanwaar ootlogen en vechterijen komen, het niet verhinderd hadden. 3. Joden en heidenen waren verzoend en tot elkaar gebracht door het evangelie, en er waren niet meer zulke oorlogen tussen hen als er geweest zijn, want zij werden tot één kudde onder één herder, Efeziers 2:15.
4. Het evangelie van Christus neigt de mensen tot vrede, het verzacht hun gemoed, en de liefde van Christus, uitgestort in het hart, dringt de mensen om elkaar lief te hebben.
5. De eerste christenen waren vermaard om hun broederlijke liefde, zelfs hun tegenstanders hebben dit opgemerkt.
6. Wij hebben reden te hopen dat deze belofte nog meer ten volle vervuld zal worden in de laatste tijden van de christelijke kerk, als de Geest overvloediger van boven uitgestort zal worden. Dan zal er op aarde vrede wezen. Wie zal leven als God dit doen zal? Maar doen zal Hij het, als de bestemde tijd er voorgekomen is, want God is geen mens, dat Hij zou liegen.
Eindelijk. Hier is een praktische gevolgtrekking, die van dat alles wordt afgeleid, vers 5. Komt, gij huis Jakobs, en laat ons wandelen in het licht des Heeren. Met het huis Jakobs wordt bedoeld, hetzij:
1. Israël naar het vlees. Laat hen hierdoor opgewekt worden tot een heilige wedijver Romeinen 11:14. "Ziende, dat de heidenen aldus bereid en besloten zijn voor God, aldus vol van ijver zijn om op te gaan naar het huis des Heeren", zo laat ons zelf opwekken om ook te gaan. "Laat er nooit gezegd worden dat de zondaars uit de heidenen betere vrienden waren van de heilige berg dan het huis van Jakob." Zo behoort de ijver van sommigen velen op te wekken. Of:
2. Het geestelijk Israël, allen, die tot de God Jakobs zijn gebracht. Zal er in evangelietijden zo'n grote kennis wezen, vers 3, en zo'n grote vrede? vers 4. En zullen wij delen in deze voorrechten? Komt, laat ons dan dienovereenkomstig leven. Wat anderen ook mogen doen, komt, o komt, laat ons wandelen in het licht des Heeren.
a. Laat ons wandelen met omzichtigheid in het licht des Heeren in het licht van deze kennis. Zal God ons Zijn wegen leren? Zal Hij ons Zijn heerlijkheid doen zien in het aangezicht van Jezus Christus? Zo laat ons dan wandelen als kinderen des lichts, Efeziers 5:8, 1 Thessalonicenzen 5:8, Romeinen 13:12.
b. Laat ons goedsmoeds wandelen in het licht van deze vrede. Zal er geen oorlog meer wezen? Zo laat ons dan onze weg reizen met blijdschap, en laat deze blijdschap eindigen in God, en onze sterkte wezen, Nehemia 8:10. Aldus zullen wij wandelen in het licht van de stralen van de zon van de gerechtigheid.