Openbaring 11:1-2
Dit profetisch toneel van het meten des tempels is een duidelijke heen wijzing naar hetgeen wij vinden in Ezechiëls visioen, Ezechiël 40:3 en v. v. Maar het is niet zo gemakkelijk om een en ander te verstaan. Het zou den schijn kunnen hebben, dat de bedoeling van het meten des tempels in het eerste geval was de voorbereiding voor zijn herbouw., de bedoeling van deze opmeting schijnt een andere te zijn.
1. Tot zijn bewaring in deze tijden van algemeen gevaar en onheil, die voorzegd waren, Of
2. Tot zijn beproeving, om aan te tonen in hoeverre hij overeenkomt met het voorbeeld, dat eens op den berg getoond was, Of
3. Tot zijn vernieuwing, opdat hetgeen vervallen, onvoldoende of misvormd is, hersteld moge worden volgens het ware model. Merk op:
I. Hoeveel gemeten worden moest.
1. De tempel, de evangelische gemeente in haar geheel, of zij zo gebouwd en ingericht is als de regels van het Evangelie voorschrijven, niet te bekrompen, niet te groot, de ingang niet te wijd en niet te eng.
2. Het altaar. Dat was de plek voor de plechtigste verrichtingen van aanbidding, en kan hier genomen worden voor de godsdienstige verering in het algemeen, en wel of de gemeente de ware altaren heeft, zowel wat hoedanigheid als plaatsing betreft. In hoedanigheid: of zij Christus als haar altaar gebruikt en al haar offers op Hem brengt, en in plaatsing: waar God aangebeden wordt in geest en in waarheid.
3. De aanbidders moeten evenzo gemeten worden, of zij in al hun daden van aanbidding de heerlijkheid Gods ten doel en Zijn Woord tot regel hebben, en of zij tot God komen in de rechte stemming, en of hun wandel is overeenkomstig het Evangelie.
II. Wat niet gemeten moeten worden, en waarom het er buiten gelaten moet worden, vers 2.
1. Wat niet gemeten moet worden. Laat het voorhof uit, dat van buiten den tempel is, en meet dat niet. Sommigen zeggen dat Herodes, onder de bijgebouwen, die hij aan den tempel toevoegde, ook een ander voorhof opnam en dat het voorhof der heidenen noemde. Anderen zeggen dat Adrianus de stad en een buitenhof bouwde, het laatste Elia noemde, en aan de heidenen gaf.
2. Waarom het buiten-voorhof niet gemeten mocht worden. Dat was geen deel van den tempel, overeenkomstig het model van Salomo of dat van Zerubbabel, en daarom wilde God er geen acht op slaan. Hij wilde het niet voor de bewaring opnemen, maar Christus liet het aan de heidenen over, omdat het voor hen bestemd was, om heidense plechtigheden en gebruiken binnen te brengen en in de evangelische gemeente in te voeren. Zij konden het naar welgevallen gebruiken, en zowel dat als de stad zelf werd door hen onder den voet getreden gedurende een bepaalden tijd: twee en veertig maanden. Die tijdsruimte houden sommigen voor den gehelen tijd der regering van den antichrist. Zij, die in het buitenste voorhof aanbidden, zijn of dezulken, die het op ongeoorloofde wijze, of die het schijnheilig doen. En dezen worden door God verworpen en zullen onder Zijn vijanden gerekend worden.
3. Merk omtrent het geheel op:
A. God zal tot. aan het einde der tijden een tempel en een altaar in de wereld hebben.
B. Hij houdt nauwlettend toezicht op dezen tempel en let op elk ding, dat daarin geschiedt.
C. Zij die in het buitenste voorhof aanbidden, zullen verworpen worden, alleen zij, die binnen het voorhangsel Hem dienen, worden aangenomen.
D. De gehele stad, de zichtbare kerk, wordt door de wereld voortdurend met voeten getreden.
E. De droefenissen van de gemeente duren slechts een bepaalden tijd, en wel een korten tijd, en daarna zal zij van al haar moeiten ontslagen worden.