Genesis 15:1
Merk hier op:
I. De tijd, wanneer God dit verbond met Abram gemaakt heeft: Na deze dingen.
1. Na die vermaarde daad van edelmoedige liefde, die Abram gedaan heeft door zijn vrienden en naburen te redden uit hun benauwdheid, en wel zonder prijs of geschenk, daarna, na die daad, heeft God hem aldus genadiglijk bezocht. Zij, die gunst betonen aan mensen zullen gunst vinden bij God.
2:Na de overwinning, die hij behaald had over vier koningen. Opdat Abram zich hierdoor niet zou verheffen, of er te veel mee ingenomen zou zijn, komt God tot hem, om hem te zeggen, dat Hij betere dingen voor hem heeft weggelegd. Een gelovige beschouwing van geestelijke zegeningen is een voortreffelijk middel om er ons voor te bewaren al te grote ingenomenheid te hebben met tijdelijke genietingen. De gaven van de gemene voorzienigheid zijn niet te vergelijken met die van de verbondsliefde.
II. De wijze, waarop God met Abram sprak: het woord van de Heer geschiedde tot Abram, dat is: God openbaarde zich en Zijn wil aan Abram in een gezicht, hetgeen Abram in een wakende toestand veronderstelt, en een zichtbare verschijning van de Shechina, of een merkbaar teken van de tegenwoordigheid van de goddelijke heerlijkheid. De methoden van de goddelijke openbaring zijn geschikt naar onze toestand in een wereld van de zinnen.
III. De genaderijke verzekering, die God hem gaf van Zijn gunst.
1. Hij noemde hem bij zijn naam Abram, hetgeen een grote eer voor hem was en zijn naam groot maakte, en ook een grote bemoediging en hulp was voor zijn geloof. Het goede woord van God zal ons goed doen, als het door de Geest tot ons in het bijzonder wordt gesproken en tot ons hart wordt gebracht. Het woord zegt: O allen gij, Jesaja 56:1. De Geest zegt: O gij, die of die.
2. Hij waarschuwt hen tegen onrustigheid: Vrees niet Abram. Abram zou kunnen vrezen dat de vier koningen, die hij verslagen en op de vlucht gedreven had, zich weer zouden verzamelen om hem aan te vallen tot zijn verderf. "Neen", zegt God, "vrees niet. Vrees hun wraak niet, vrees ook de afgunst niet van uw naburen, Ik zal zorg voor u dragen." Waar een groot geloof is, kan toch ook wel velerlei vrees zijn, 2 Corinthiërs 7:6. God neemt kennis van de vrees van Zijn volk, al is die ook nog zo verborgen, en Hij kent hun zielen Psalm 31:8. Het is de wil van God, dat Zijn volk niet toegeeft aan vrees, wat er ook moge gebeuren. Laat de zondaren in Zion bevreesd zijn, maar vrees gij niet, Abram.
3. Hij geeft hem de verzekering van veiligheid en geluk, dat hij voor eeuwig:
a. Zo veilig zal zijn als God hem maken kan. Ik ben u een schild, altijd bij u, voor u zorgende, zie 1 Kronieken 17:24. Hij is niet slechts God van Israël maar een God voor Israël. De gedachte dat God zelf is, en zal zijn, een schild voor Zijn volk, om hen te beveiligen tegen alle verwoestend kwaad een schild, dat voor hen gereed is, een schild om hen heen, moet volstaan om al hun verwarrende, kwellende vrees tot bedaren te brengen. b. Zo gelukkig als God hem maken kan. Ik zal uw zeer groot loon zijn, niet slechts uw beloner, maar uw loon. Abram had edelmoedig de beloningen geweigerd, die de koning van Sodom hem aangeboden heeft, en nu komt hier God en zegt hem, dat hij daar niets bij zal verliezen. Het loon van gelovige gehoorzaamheid en zelfverloochening is zeer groot, 1 Corinthiërs 2:9. God zelf is de verkoren en beloofde zaligheid van heilige zielen, verkoren in deze wereld, beloofd in een betere wereld. Hij is het deel van hun erve en hun beker.
Wij hebben hier de verzekering, gegeven aan Abram, dat hij een talrijk nakomelingschap zal hebben. Wij hebben te letten op:
I. Abram's herhaalde klacht, vers 2, 3. Die klacht was de aanleiding tot de belofte. De grote beproeving, die Abram zwaar drukte was dat hij geen kind had, en deze zijn klacht stortte hij uit voor het aangezicht van de Heer en gaf zijn benauwdheid voor Zijn aangezicht te kennen, Psalm 142:3. Hoewel wij nooit mogen klagen over God, is het ons wel veroorloofd te klagen bij God, uitvoerig te zijn in het noemen van ons verdriet. Het is voor een gedrukt gemoed een verlichting om zich te kunnen uitspreken bij een trouw en medelijdend vriend, zulk een vriend is God, wiens oor immer tot ons geneigd is. Zijn klacht is viervoudig:
1. Dat hij geen kind heeft, vers 3. Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, niet alleen geen zoon, maar geen zaad Indien hij een dochter had, zou uit haar de beloofde Messias kunnen voortkomen, die het Zaad van de vrouw zou wezen maar hij had zoon noch dochter. Hij schijnt de nadruk te leggen op dit aan mij. Zijn naburen hadden vele kinderen, zijn dienstknechten hadden kinderen, die in zijn huis geboren zijn, "maar", klaagt hij, "mij hebt Gij er geen gegeven", en toch had God hem gezegd, dat hij boven allen bevoorrecht zal zijn. Zij, die als kinderloos aangeschreven zijn, moeten inzien, dat het God is, die hen aldus heeft aangeschreven. Dikwijls onthoudt God aan Zijn eigen kinderen de tijdelijke lieflijkheid en vertroosting, welke Hij overvloedig schenkt aan hen, die vreemdelingen voor Hem zijn.
2. Dat er geen waarschijnlijkheid bestond, dat hij er ooit hebben zou, te kennen gegeven in dit: daar ik zonder kinderen heen ga, of, "ik ga kinderloos, ik kom op jaren, ik ga met rasse schreden bergafwaarts, ja ik ga henen uit de wereld, ik ga den weg van alle vlees." Ik sterf kinderloos is de lezing der LXX. Ik verlaat de wereld, en laat geen kind na."
3. Dat voor het ogenblik zijn dienstknechten hem in de plaats waren van zonen, en dit waarschijnlijk ook voor het vervolg zijn zouden. Zolang hij leefde was Eliezer de Damascener de bezorger van zijn huis, aan hem droeg hij de zorg op voor zijn gezin en zijn bezitting, die wel getrouw was, doch als een dienstknecht, niet als een zoon. Als hij, Abram, sterft, zal de zoon van zijn huis zijn erfgenaam zijn, en heerschap voeren over alles waarvoor hij gearbeid had, Prediker 2:18, 19, 21. God had hem reeds gezegd, dat Hij hem tot een groot volk zou maken, Hoofdstuk 12:2, en zijn zaad als het stof van de aarde zal wezen, Hoofdst.13:16, maar Hij had hem in onzekerheid gelaten, of het zijn zaad zou wezen, dat uit hem geboren zou worden, of zijn aangenomen zaad, door een zoon van zijn lenden, of slechts door een zoon van zijn huis. "Heer", zegt Abram, indien het slechts een aangenomen zoon is, dan moet het een van mijn dienstknechten zijn, hetgeen een oneer zal wezen voor het beloofde Zaad, dat uit hem zal voortkomen." Terwijl beloofde zegeningen uitgesteld worden, zijn ons ongeduld en ons ongeloof geneigd tot de gevolgtrekking te komen, dat zij hun ontzegd zijn. 4. Dat het ontbreken van een zoon zo groot een droefheid voor hem was, dat er al het lieflijke en troostrijke door weggenomen werd van hetgeen hij bezat. "Heer, wat zult Gij mij geven? Het is alles zo goed als niets voor mij, indien ik geen zoon heb." Indien wij nu veronderstellen:
a. Dat Abram alleen een tijdelijke vertroosting op het oog had, dan was deze klacht zondig. God had in Zijn voorzienigheid hem enige goede dingen gegeven, en nog meer door Zijn belofte, en toch acht Abram dit voor niets, omdat hij geen zoon heeft. Zeer weinig betaamde het de vader van de gelovigen te zeggen: Wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga? onmiddellijk nadat God hem gezegd had: Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Diegenen hebben geen rechte waardering van de voordelen, welke voortvloeien uit hun verbondsbetrekking tot God en hun deel aan Hem, die ze geen genoegzame vergoeding achten voor het ontbreken van alle tijdelijke genietingen of vertroostingen, hoe ook genaamd. Maar:
b. Als wij veronderstellen, dat Abram hierin het oog had op het beloofde Zaad, dan was het aandringen van zijn begeerte zeer loffelijk, alles was hem als niets, indien hij geen onderpand had van die grote zegen en een verzekering van zijn betrekking tot de Messias. God had hem reeds aangemoedigd die te verwachten. Hij heeft rijkdom, hij heeft een overwinning behaald in de krijg, hij heeft eer en aanzien, maar zolang hij in het duister wordt gelaten omtrent het voornaamste, is dit alles hem als niets. Eer wij enig troostrijk bewijs hebben van ons deel aan Christus en het nieuwe verbond, moeten wij in niets anders rust of voldoening vinden. "Dit en dat heb ik, maar wat zal het mij baten, als ik Christus loos heenga?', Toch was de klacht ook zondig in zoverre op de bodem er van enig mistrouwen lag in de belofte, en een moe zijn van het wachten op Gods tijd. Ware gelovigen vinden het soms moeilijk om Gods beloften in overeenstemming te brengen met Zijn voorzienigheid, daar zij soms zo geheel in strijd schijnen met elkaar.
II. Gods genaderijk antwoord op deze klacht. Op het eerste gedeelte van deze klacht geeft God geen onmiddellijk antwoord, vers 2, omdat daar wel ietwat gemelijkheid in was, maar toen hij met wat meer kalmte voortging, vers 3, heeft God hem vriendelijk geantwoord. Als wij dringend aanhouden in het gebed, maar toch met ootmoed en onderworpenheid aan Gods wil bidden, zullen wij niet tevergeefs zoeken.
1. God gaf hem de uitdrukkelijke belofte van een zoon, vers 4. Deze, die in uw huis geboren is, zal uw erfgenaam niet Zijn, zoals gij vreest, maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn. God maakt erfgenamen, Hij zegt: "Deze zal niet, en deze zal wel, wat de mensen ook mogen bestemmen of legateren van hun bezittingen, Gods raad zal bestaan.
b. God is dikwijls beter voor ons dan onze vrees het ons doet verwachten, en geeft de zegen, waaraan wij lang gewanhoopt hebben.
2. Om hem door de verrassing nog sterker aan te doen, voerde Hij hem naar buiten, en toonde hem de sterren, (dit visioen had vroeg in de morgen plaats, vóór het aanbreken van de dag) en zei hem: zo zal uw zaad zijn, vers 5.
a. Zo talrijk, voor het ongewapende oog schijnen de sterren ontelbaar te wezen. Abram vreesde, dat hij in het geheel geen kind zou hebben, maar God zegt hem, dat zijn nakomelingen, die uit zijn lenden zullen voortkomen, zo velen zullen wezen, dat zij niet geteld kunnen worden. b. Zo heerlijk, In glans op de sterren gelijkende, want van hen is de heerlijkheid, Romeinen 9:4. Abram's zaad naar het vlees was als het stof van de aarde Hoofdstuk 13:16, maar zijn geestelijk zaad is als de sterren aan de hemel, niet slechts talloos, maar heerlijk en zeer dierbaar.
III. Abram's vast geloof aan de belofte, die God hem nu schonk, en Gods genadig welbehagen in zijn geloof, vers 6. Hij geloofde in de Heer, dat is: hij geloofde in de waarheid van de gelofte, die God hem nu gedaan had rustende op de onweerstaanbare macht en de onverbreekbare trouw van Hem, die beloofd had, zou Hij, het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken? Zij, die de vertroosting willen hebben van de beloften, moeten met de beloften geloof mengen. Zie hoe de apostel dit geloof van Abram verheerlijkt, en het tot een blijvend voorbeeld stelt Romeinen 4:19-21. "Hij was niet verzwakt in geloof, hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in het geloof, hij was ten volle verzekerd". Moge de Heere zulk een geloof werken in een iegelijk van ons! Sommigen denken, dat zijn geloven in de Heer niet slechts betrof de Heere belovende, maar ook de beloofde Heere, de Heer Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond. Hij geloofde in Hem, dat is: hij geloofde en omhelsde de goddelijke openbaring Hem betreffende, en verheugde zich Zijn dag te zien, al was die ook nog ver, Johannes 8:56.
IV. God rekende het hem tot gerechtigheid, dat is: op rekening daarvan was hij door God aangenomen, en evenals de overige patriarchen "heeft hij getuigenis bekomen, dat hij rechtvaardig was," Hebreeën 11:4. Dit wordt in het Nieuwe Testament aangevoerd om te bewijzen, dat wij gerechtvaardigd zijn door het geloof, zonder de werken van de wet, Romeinen 4:3, Galaten 3:6, want Abram was aldus gerechtvaardigd, toen hij nog niet besneden was. Indien Abram, die zo rijk was in goede werken, niet door die werken gerechtvaardigd was, maar door het geloof, veel minder kunnen wij, die er zo arm in zijn, er door gerechtvaardigd worden. Dit geloof, dat aan Abram tot rechtvaardigheid was gerekend, had zoeven nog geworsteld met ongeloof, vers 2, en daar het uit die worsteling als overwinnaar te voorschijn kwam, was het aldus gekroond, aldus geëerd. Een vertrouwend, praktisch aannemen van, en steunen op Gods belofte van genade en heerlijkheid, in en door Christus, is hetgeen naar de zin en geest van het nieuwe verbond ons een recht geeft op al de zegeningen, welke in die belofte vervat zijn. Alle gelovigen zijn gerechtvaardigd, zoals Abram het was, en het was zijn geloof, dat hem tot gerechtigheid was gerekend.