3. En hij zei tot Hem door die twee gezanten: Zijt gij degene, die komen zou, de beloofde Messias of Koning van Israël 118:26"), zoals ik U reeds aan het volk heb aangekondigd (hoofdstuk . 3:11), of verwachten wij een andere als de eigenlijke Messias, zodat Gij zelf slechts een voorloper van Hem zijt?
Moet men onder de "dag van de geboorte" van Herodes (hoofdstuk . 14:6), zoals men gewoonlijk doet, de dag verstaan, waarop hij het levenslicht aanschouwde, zo zou men omtrent de datum van de terechtstelling van de Doper niets kunnen bepalen, omdat wij die geboortedag niet kennen. Het is echter spraakkunstig geheel en al gerechtvaardigd, om integendeel de dag van het begin van zijn regering (dus zijn geboortedag als vorst (Psalm 2:7) onder dat feest van de koning (Hosea 7:5) te verstaan. Dan zouden wij, wat de datum van deze dag aangaat, op de sterfdag van Herodes de Grote gewezen zijn, van welke dag af zonder twijfel diens zonen en opvolgers hun regering rekenden, alhoewel de bevestiging van hun waardigheid door de Romeinse keizer pas later volgde. Nu viel de 15 Nisan, of eerste dag van het Paasfeest in het jaar 4 na Christus op 12 april; zeven dagen te voren is Herodes de Grote gestorven (slotwoord op 1 Makk. Nr. 11e), d. i. op 8 Nisan, of 5 april. Deze 8ste Nisan zou dan ook de jaardag van Herodes Antipas, en dus van de ter doodbrenging van de Doper zijn. In het jaar 29 na Chr. viel deze (vgl. de Joodse kalender in het slotwoord op 1 Makk. No. 4) op maandag 11 april (in de kerk is het feest van de onthoofding van Johannes pas vrij laat op 29 augustus gesteld; deze datum komt ons zeer willekeurig gekozen voor, terwijl de eerste Paasdag (15 Nisan) op maandag 18 april valt. Zeker heeft de uitzending van de beide discipelen plaatsgehad in de laatste levensdagen van Johannes, maar toch niet zó laat, dat de discipelen, die van Machaerus tot aan de plaats, waar zij de Heere ontmoetten, een reis van minstens 15 mijl hadden af te leggen, de weg niet zouden hebben kunnen terug afleggen, voordat deze zijn hoofd onder de bijl van de beul moest leggen. Voor deze terugweg moeten, omdat de zesde Nisan van dat jaar (9 april) een sabbat was, toch zeker 4 volle dagen gerekend worden, en zo zouden wij als datum van deze zending, de 3 Nisan (6 april) te rekenen hebben. Wij nemen daarbij aan, dat Jezus na de opwekking van de jongeling te Naïn (zondag 3 april) zich op de beide volgende dagen, gedurende de reis op de weg van 4 mijl tot in de nabijheid van Bethsean in gezelschap van het Hem natrekkend volk bevond, en zo enigermate de beide afgezanten van Johannes tegemoet ging, die in het dal van de Jordaan van het zuiden afkwamen, en zeker reeds onder weg ongeveer de plaats van zijn toenmalig oponthoud door een van de twaalven hadden vernomen. Hij was, toen die beiden bij Hem aankwamen, juist weer met zulke werken bezig, zoals Johannes ze van Hem gehoord had, en aan welke deze zich had gestoten (hoofdstuk . 9:35 Lukas 7:21); alzo had de Heere juist datzelfde zwaard, dat Johannes gewond had, ook aanstonds als heelmiddel bij de hand, om de bestredene weer gezond te maken (Vers 5). Maar hoe? Hebben wij dan de vraag van de Doper wel goed verklaard, wanneer wij haar boven zó hebben uitgelegd, dat hij zelf, Johannes, het is, die een antwoord op deze vraag voor zichzelf nodig heeft en begeert, omdat het geloofslicht in hem is verduisterd, en hij zich niet in die weg en in die handelwijze van de Heere Jezus kan vinden? Van de dagen van de kerkvaders af tot in onze tijd hebben zich vele en veelbetekenende stemmen verheven voor de bewering, dat het volstrekt onmogelijk zou zijn, dat diezelfde Johannes, die een zo duidelijk getuigenis van de hemel over Jezus had ontvangen (hoofdstuk . 3:16vv. ) en een zo beslist getuigenis van Hem had afgelegd (Johannes 1:29vv. , 8:26vv. ), naderhand zo zwak in het geloof zou geworden zijn, en niet meer geweten zou hebben, wat hij van Jezus moest denken; zo'n gedachte zou ook reeds daardoor afgewezen zijn, dat de Heere hierna aan Zijn voorloper (Vers 7vv. ) een zo hoge lof toekent, en uitdrukkelijk hem de ere geeft, dat hij geen riet is, dat door de wind heen en weer wordt geslingerd. Men heeft daarom gedacht, dat Johannes niet om zijnentwil, maar omwille van zijn discipelen de boden tot Jezus had gezonden, en de vraag niet uit zijn eigen hart maar uit dat van zijn discipelen tot Hem zou hebben gericht: "Zijt Gij degene, die komen zou, of verwachten wij een ander?" De discipelen van Johannes, schrijft Chrysostomus tot nadere bevestiging van deze mening, waren op de Heere verstoord. Zij waren jaloers op Hem; dat blijkt uit hetgeen zij tot hun meester in Johannes 3:26 zeggen, en waarover zij zich in hoofdstuk . 9:14 beklagen. Zij wisten nog niet, wie Christus was, maar hielden Jezus voor een bloot mens; maar Johannes voor meer dan een mens; zij konden dus niet verdragen, dat zij Jezus van dag tot dag zagen groeien, en Johannes, zoals hij zelf had gezegd, minder worden, en dit verhinderde hen om toe te treden, omdat de jaloezie hun de weg versperde. Zo lang Johannes nu nog met hen was, vermaande hij hen voortdurend en leerde hij hen; maar ook hij kon hen niet overreden. Omdat hij nu spoedig zou sterven, beijverde hij zich nog te meer, want hij vreesde, dat hij de schijn van een kwaad werk te hebben gedaan zou achterlaten, wanneer zij van Christus afkerig bleven. " - Het is zeker, zegt vervolgens Luther in zijn tijd, dat Johannes laat vragen omwille van zijn discipelen, want deze hielden Christus nog niet voor degene, waarvoor Hij moest gehouden worden; zij wachtten op een, die grote naam maakte als een hooggeleerd overpriester, of machtig koning. Omdat echter Jezus begon te leren en er van Hem sprake kwam, toen dacht Johannes, dat hij zijn discipelen nu van zich moest zenden en tot Christus moest brengen, opdat zij niet na zijn dood een sekte zouden stichten en Johannieten worden, maar allen aan Christus zouden hangen en Christenen worden. Hij zendt hen heen, opdat zij dadelijk niet door zijn getuigenis alleen, maar door de woorden en werken van Christus Hemzelf zouden leren kennen, dat Hij de juiste man was, waarvan hij had gesproken, alsof hij wilde zeggen: hoort Zijn werken, zoals ik er geen gedaan heb, noch iemand vóór Hem. Johannes, die het doel van zijn ambt, degene, die komen zou de weg te bereiden, van begin af aan tot het einde duidelijk voor de geest had, zo lazen wij onlangs bij Stier, weet dat hij ook nog door gevangenis en dood zo'n ambt te verrichten heeft, vleselijke Messias-verwachtingen verbreken en voor de Ene, op wie hij wijst, plaats moet maken; zo drukt het hem sterk op het hart, om vóór zijn einde, dat hij verwacht, allen, die hij zelf niet kan overtuigen, zo veel in Hem is, aan de Heere over te geven; en hij kiest uit het gehele getal van deze waarschijnlijk twee bijzondere twijfelaars uit voor een zending van zoveel gewicht. - Tegenover dit allen moeten wij van onze zijde vragen, is het werkelijk een juiste, houdbare gedachte, die hier te voorschijn komt? Wij behoeven die alleen in bepaalde woorden uit te drukken, om dadelijk het scheve en ongerijmde, dat daarin ligt, te erkennen. "Aan Johannes zelf, aan wiens persoon zijn discipelen met zo'n onverzettelijkheid hingen, had het ondanks alle toespraak en overtuigen niet mogen gelukken, hen tot het geloof in Jezus' Messianiteit te bewegen en de ergernis weg te nemen, die zij tegen Hem voelden. Nu beproeft hij nog een zaak, het hoogste, dat in zijn macht is, hij wijst hen onmiddellijk tot Jezus zelf, van wie hij hun gezegd heeft, dat Hij sterker is dan hij, wie hij niet waardig is, de schoenen na te dragen (hoofdstuk . 3:11), deze zal tot stand brengen, wat hemzelf niet gelukt is, die zal door een korte, categorische verklaring al hun twijfels en bedenkingen de bodem inslaan, en door een helder, zeker antwoord op de Hem voorgelegde vraag hun harten tot beslistheid brengen - hiermede vertroost Johannes zich in het gezicht van de hem naderende dood, en nu kan hij, omdat hij de hier voor ons liggende weg van een gezantschap te zenden, inslaat, tot zichzelf zeggen dat hij zijn ambt, om voor Christus zielen te winnen, tot aan de laatste adem getrouw volbracht heeft. " Waar in de gehele wereld kan men onderwijs en overtuiging in een nog twijfelachtige zaak zoeken bij iemand, tegen wie men ingenomen is, tegen wie men tegenzin voelt? En hoe zou Johannes bij mogelijkheid hebben kunnen verwachten, dat zijn discipelen aan Jezus' getuigenis van Zichzelf groter gewicht zouden hechten, dan aan de getuigenis, die hij zelf reeds zo dikwijls van Jezus had afgelegd! Ja, voor hem, voor de meester was deze Jezus van Nazareth de sterkere; maar dat juist was de zaak, waarom het te doen was, dat de discipelen de sterkere niet wilden erkennen en zich niet voor Hem wilden buigen, zij zouden dus tegenover een antwoord van Jezus op de tot Hem gerichte vraag, wanneer zij die alleen omwille van henzelf hadden gedaan, dadelijk gestaan hebben even als (Johannes 8:13) de Farizeeën: Gij getuigt van uzelf. Uw getuigenis is niet waarachtig. " Hoeveel is er bovendien in deze tekst zelf tegen, alsof de vraag: "Zijt Gij degene, die komen zou?" niet uit het hart van Johannes, maar uit dat van zijn discipelen was genomen! In de eerste plaats dit, dat het antwoord niet tot de discipelen, maar tot Johannes gericht is: "Gaat heen en boodschapt Johannes weer, " dat toch onmogelijk een spiegelgevecht kan geweest zijn; verder dat de vorm van de vraag toch zo gesteld is, dat zij niet als een van de discipelen, maar als van de meester voorkomt, en wanneer men dit voor enkel inkleding wil verklaren, zo treedt men daarmee, terwijl men het geloof van Johannes meent te redden, zijn zedelijkheid te na; want de inkleding sluit toch een veinzerij in - Johannes zou dat alles maar zo gedaan hebben, alsof hij het zelf was, die nog in onzekerheid en in twijfel was, Neen! Johannes heeft alzo niet gedaan, alsof hij de vrager ware, om een antwoord uit de mond van de Heere uit te lokken, zoals zijn discipelen nodig hadden, maar hij was werkelijk de vragende (vgl. Lukas 7:20) en had voor zichzelf het antwoord nodig, dat hem hierop uit de mond van de Heere ten deel werd. Men late eindelijk het vooroordeel varen, alsof het voor de persoonlijke grootte van de Doper (Vers 7vv. ) nadelig ware, en met zijn anders zo hoog verheven verlichting en met zijn hoge profetische waardigheid (Vers 9vv. ) in strijd, wanneer er een uur van zwakheid en bestrijding over hem is gekomen. " Welke heilige heeft geen bestrijding gehad? Als ik het Oude Testament doorga, zo vind ik geen patriarch, geen profeet, geen Abraham, geen Mozes, geen David, die niet bestreden werd. Ga ik het Nieuwe Testament door, het is eveneens; de heilige Apostelen, de moeder van de Heere waren groter dan de Doper (Vers 11), en toch hebben zij alle hun bestrijdingen gehad, vóór Pinksteren en na Pinksteren. En alleen met het karakter van Johannes zou een uur, een tijd van bestrijding onverenigbaar zijn? Aan de man, die de beproevingen verdraagt, is een kroon van leven beloofd (Jakobus 1:12): Waarom zou onder alle heiligen Johannes alleen haar missen? Hij is toch niet overwonnen door zijn bestrijding, maar integendeel, hij heeft in dat moeilijk uur zich gedragen, zoals het hem betaamde; zijn gedrag heeft een zo navolgenswaardige schoonheid, dat ons de wens, Johannes moest niet bestreden zijn, al te moeilijk zou vallen. "
Wij kunnen dat geloof niet vast noemen, dat nooit door de twijfel werd bestormd - zo een zal er wel niet zijn, maar dat, wat gedurig weer meester wordt over de twijfel, en wel op de juiste weg, op de weg van het geloof. Wat doet hij, die als Johannes vreest om in zijn geloof geschokt te worden? Laat hij het aan het toeval over, of zijn twijfels zullen wijken of blijven? Is het hem een onverschillige zaak, of hij zijn geloof behoudt of verliest? Begeeft hij zich misschien tot degenen, die hem reeds lang om zijn geloof vijandig waren en bespotten? Niets van dat alles! zo spoedig doet hij van zijn geloof geen afstand; tot niemand anders wendt hij zich, dan tot Jezus zelf. Hij begeert slechts één woord van de Heere, om dadelijk weer recht te staan en de gehele wereld te trotseren; het geloof in Jezus is bij hem sterker dan zijn twijfel.
Wij moeten hier tevens herinneren aan het feit, dat de grootste helden van het Oude Verbond veel kleiner waren in heilig wachten dan in heilig handelen; dikwijls viel het wachten aan de krachtigste ijveraars het zwaarst. Men denke slechts aan de gemoedsstemming van Elia, toen hij voor Izébel vluchtende zich in de spelonk van de berg Horeb verborg (1 Koningen 19) ook Elia had toen bijna gevraagd: Zijt Gij de HEERE, die komen zou?" Ook hij moest toen door het zachte suizen een indruk verkrijgen van die wereld verwinnenden goddelijke Geest, die zich later aan de Doper in het Lam openbaarde. Dit ligt in de aard van het Oude Verbond: de profeet als de verdediger van de wet is een verhoogde Mozes, hij kan bliksemen, donderen, vuur van de hemel laten vallen; de profeet als een verkondiger van het Evangelie is slechts een voorloper van Christus, dus slechts iemand, die Christen wordt, wat de nieuwtestamentische macht van wachten aangaat, en in het bijzonder ook in deze zin is de kleinste in het rijk der hemelen groter dan hij.
Denken wij nu nader over de eigenlijke zielstoestand van de Doper, die hem aanleiding gaf tot het afzenden van de beide discipelen naar Jezus, en daarbij tevens over de bedoeling van zijn vraag: "Zijt Gij degene, die komen zou, of verwachten wij een ander?" zo willen wij ons niet lang ophouden met de weerlegging van de inzichten van hen, die of beweren, dat Johannes inderdaad geheel en al twijfelend geworden was aan de Messianiteit van Jezus, of die voorgeven, dat hem in zijn kerker het ongeduld was meester geworden, omdat hij niet kon begrijpen, dat de Heere, die zich hoe langer hoe meer een zo grote wonderdoener voor God en mensen betoonde, volstrekt niets deed, om hem van zijn banden te verlossen. Tegen de eerste mening strijdt het woord van de Heere in Vers 7 , tegen de tweede het woord in Vers 8 Het juiste kan nauwelijks treffender en korter worden gezegd; dan onlangs door Nebe gebeurd is: "Johannes de Doper staat nog in het algemeen geloof aan de Messianiteit van de Heere, maar kan zich niet vinden in een bijzonder gedrag van Hem, die hij nog als Messias erkent. " Het gehele geestelijk leven van de Doper, dit moeten wij goed in het oog houden, bewoog zich om de profetie in Maleachi 3:1-4; deze plaats vormde als het ware het centrum van zijn Christologie; deze was de grond en de bodem, waarop zijn Messiaanse verwachtingen waren gebouwd, en gaf hem de trekken tot het Messiasbeeld, dat hij in het hart droeg. Volgens die plaats verwachtte hij van de Heiland genade en oordeel tevens; hij stelde vooraf vast, dat de Heere, als Hij verschenen zou zijn, vóór alles Zijn dorsvloer zou vegen (hoofdstuk . 3:12) en alle ergernissen uit Israël zou wegdoen (hoofdstuk . 13:41), dat Hij een scheiding van de goddeloze en verdorven menigte zou aanvangen, deze in het vuur van Zijn toom zou verbranden, Zichzelf alzo eerst een reine akker zou maken, en nu in de gereinigde grond Zijn goed zaad zou uitstrooien. Hij stelde vast, dat de Messias aan de overgeblevenen, aan degenen, die uit de ondergang van de oude wereld behouden, uit het gericht en het verderf zouden gered worden, Gods raadsbesluiten aanstonds zou verwezenlijken, en hen in het rijk van de heerlijkheid nog hier op aarde zou inleiden. De eerste komst van de Heere en Zijn laatste toekomst waren dus in de voorstelling zo nauw verenigd, dat er geen ruimte was voor een onderscheid van tijd tussen de eerste en tweede komst van Christus. Christus' komst in het vlees tot verlossing van de wereld en Christus' komst tot een gericht over degenen, die zich niet willen laten redden, maar aan het verderf moeten worden prijsgegeven, maakten in het Messias-idee van de Doper slechts één enkele verschijning uit; hij verwachtte de volmaking van het rijk der hemelen van de in het vlees verschenen Zoon van God nog in deze tijd. Wel wordt ook in de mond van Johannes het zeer diepe en bijzonder dierbare woord (Johannes 1:29) gevonden: "Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld draagt, " maar reeds de omstandigheid, dat bij de drie eerste Evangelisten niets daarvan staat, maar alleen de voor zo'n woord zeer vatbare vierde Evangelist het ons bewaard heeft, maakt het meer dan waarschijnlijk, dat de Doper dit woord in een extatische toestand gesproken heeft, dat hij het op een uur heeft ontvangen, toen hij boven zichzelf verheven was en door buitengewone goddelijke verlichting een groter man was, dan hij eigenlijk was volgens zijn werkelijk ontwikkeld en zichzelf bewust geloof. Zegt toch de Heere later uitdrukkelijk van hem: "de minste in het koninkrijk der hemelen is meer dan hij, " zo moet bij de uitspraak, die reeds alle wijsheid van hen, die tot het rijk der hemelen behoren, in zich sluit (1 Corinthiërs 2:2), niet zozeer hij zelf, deze nog tot de tijd vóór Christus behorende Johannes, als integendeel de Geest, die over hem gekomen was, gesproken hebben. Was het nu alzo gesteld met het persoonlijk standpunt van het geloof van de Doper, dat hij de komst in geringheid en de komst in heerlijkheid niet uit elkaar kon houden, dat hij de tegenwoordige tijd van de verschijning van de Heere reeds voor die dag aanzag, waarvan in Maleachi 4:1vv. sprake was, en het begin van de Zon der gerechtigheid zich niet anders kon denken, dan een opgaan na de dageraad van een voorafgaand vuur van de toorn (zoals men dan ook het woord in hfdst. 3:11 : "die zal met de Heilige Geest en met vuur dopen, " meestal zo verstaat, dat de komende Messias, terwijl Hij aan de ene zijde de Heilige Geest uitstortte, aan de andere het vuur van het gericht zou laten neerdalen), dan begrijpen wij wel, hoe juist de werken van Christus, waarvan hij hoorde, hem de aanleiding konden geven tot zijn vraag: "zijt Gij degene, die komen zou?" Het scheen hem toe alsof Christus met Zijn werken het goede zaad juist onder de doornen zaaide; dit verkwisten van de heerlijkste zegeningen van goddelijke genade en barmhartigheid aan de grote menigte zonder onderscheid, zoals hij het volk van Israël nog altijd beschouwde, kwam hem niet gepast voor. Door zijn boetprediking en zijn doop had hij, zo kon hij denken, een scherp begrensde overgang voorbereid en gebaand van de wereld, die het kwade en goede in zich sluit, tot het rijk van de Messias, die kwam. Nu was het nodig op die grond voort te bouwen, de scheiding nog veel krachtiger door te zetten en een vast aaneengesloten rijk van waarachtige kinderen van Abraham op te richten; met andere woorden, de verheffing van de gemeente, die met het gericht over de ongelovige wereld hand in hand ging, te voltooien, en zo de voorzegging van de profeten in haar grondtrekken te verwezenlijken. In plaats daarvan, zo sprak hij verder bij zichzelf, liet Jezus de reeds begonnen bouw van het hemelrijk weer vervallen. Hij trok, werkende zonder bepaalde vorm, het land rond, en bracht het nog altijd tot geen zichtbaar resultaat; en wanneer hij ook van zijn deel graag afstand deed om van zijn banden verlost en weer eigen meester te worden, zo was toch zijn toestand juist een duidelijk bewijs, hoe de goddeloosheid haar hoofd steeds krachtiger verhief en het rijk van de duisternis een steeds meer dreigende gedaante aannam, terwijl hij een gehele lange winter in zijn eenzaam bergslot werkeloos had moeten doorbrengen, terwijl Herodes Antipas in zijn slot te Livias zwelgde en er in het geheel niet aan dacht om zijn overspelige verbintenis met Herodias te verbreken, deze daarentegen de prediker van de gerechtigheid naar het leven stond en niet eerder zou rusten, voordat zij zich aan hem had gewroken. Zo'n stil toezien, denkt Johannes, zo'n werken in beperkte kringen, als Jezus bij voortduring deed, al was het aan de ene zijde ook zó heerlijk, alsof alle wonderen van de vroegere tijd weer levend waren geworden, ja door de glans van deze nieuwe tijd ver overtroffen, was het toch aan de andere zijde tegenover de goddeloze wereld zo zonder glans en zo machteloos, als zou deze het privilegie behouden, om Gods knechten te vervolgen, de gemeente van de Heere te onderdrukken en haar eigen doen en drijven in te richten, zoals het haar welgevallig was; alzo maakte het niet de indruk, alsof het rijk der hemelen werkelijk daar was, zoals hij dit toch als nabij had aangekondigd (hoofdstuk . 3:2). Zo moest hij aan zichzelf voorkomen, als iemand, die de mensen kwalijk had ingelicht, die door dwaling was bevangen geweest, toen hij zichzelf voor het slot van de tijd van wachten had gehouden, voor de morgenster, die de opgaande zon voorafging. Maar misschien was het zo, dat hij in dwaling was geweest; misschien zou de Heere eerst zelf nog een voorloper van de Christus zijn, en de tijd van de profetie zo ver brengen, totdat de Messias werkelijk komen en Zijn rijk openbaren zou - maar wie zou dan de andere Christus zijn, wie de Messias die nog moest komen, wanneer Hij, de Heere, niet de Christus was? Zijn ziel komt nu met haar gedachten aan bij enkel duisternis en onoplosbare raadsels, die hem des te ontzettender aanstaarden, hoe groter de heerlijkheid was, die hem in Jezus was openbaar geworden (hoofdstuk . 3:16v. Johannes 1:30vv. ). Waarlijk! was Hij niet de Heiland en Zaligmaker van Israël, de brenger van het rijk der hemelen en de Vervuller van alle voorzeggingen van de profeten, dan was achter alle verwachtingen van Israël en achter alle voorspellingen van de profeten een - verschrikkelijk niets. 4. En Jezus, die op hetzelfde uur, toen de beide discipelen van Johannes bij Hem aankwamen en het bevel van hun meester volbrachten, velen gezond maakte van ziekten en plagen en boze geesten, en aan vele blinden het gezicht schonk (Lukas 7:21), antwoordde en zei tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes weer hetgeen gij hoort en ziet, brengt hem een duidelijke tekening over van Mijn werkzaamheid in woord en werk, die Ik thans voor u ontvouw.