1. En het geschiedde na deze dingen, die in
Hoofdstuk 39:7-
20 verhaald zijn, dat de schenken, 1) de opperschenker (Nehemiah. 1:11; 2:1) van de koning van Egypte en de bakker, overste van de bakkers, zondigden 2) tegen hun heer, tegen de koning van Egypte.
1) De Oosterse koningen hadden gewoonlijk een menigte schenkers en bakkers: bijv. die van de Perzen (Xenophon, Hellen 7:1,38). Het ambt van opperschenker bij de koning van de Perzen was zeer geëerd. (Herod.3:34. Cyrop.1:3,8)
2)"Zondigden." Welke de misdaad was, waarvan deze beide mannen verdacht werden, wordt niet gemeld. Wellicht dat er vergiftiging had plaats gehad, omdat juist de schenken en de bakker verdacht werden. Daarom is het echter niet meegedeeld, omdat niet de aard van het vergrijp in betrekking staat tot de leidingen van de Voorzienigheid met Jozef, maar wel hun komen in dezelfde gevangenis, waarin hij vertoefde.
Er is ongetwijfeld een geruime tijd verlopen na de geschiedenis in het vorige hoofdstuk vermeld, toen deze beide mannen in de gevangenis werden opgesloten..