2 Thessalonicenzen 2:13-15
Merk hier op:
I. De vertroosting, welke de Thessalonicenzen mogen genieten tegen de verschrikkingen van dezen afval, vers 13, 14. Zij waren geroepen tot de zaligheid en tot verkrijging der heerlijkheid. Wanneer wij horen van den afval van velen, is het een oorzaak van grote vertroosting en vreugde, dat er een overblijfsel is naar de verkiezing der genade, dat bewaard zal blijven, en vooral hebben wij reden om ons te verheugen wanneer wij mogen geloven, dat wij zelven daarbij behoren. De apostel rekende zich daarom schuldig God daarvoor te danken.
Wij zijn schuldig altijd God te danken over u. Hij had dikwijls over hen gedankt en was nog overvloedig in dankzegging voor hen, daar was goede reden voor, omdat zij van den Heere bemind waren, hetgeen bleek in dit geval, hun bewaring uit den afval. Deze bewaring van de heiligen is het gevolg van:
1. De onwankelbaarheid van de verkiezing der genade, vers 13. Zij waren bemind door den Heere, omdat God hen van den beginne verkoren had. Hij had hen liefgehad met een eeuwige liefde. Betrekkelijk deze verkiezing Gods moeten wij het volgende opmerken:
A. Zij is van eeuwigheid, -van den beginne, niet het begin van het Evangelie, niet het begin van de wereld, maar van voor de grondlegging der wereld, Efeze 1:4.
B. Het doel, waarmee zij verkoren waren: tot zaligheid, volkomen en eeuwige zaligheid van zonde en ellende en het volle genot van alle goed.
C. De middelen, waardoor dit doel wordt bereikt: in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid. Het besluit der verkiezing omvat het doel en de middelen, en deze mogen niet van elkaar gescheiden worden. Wij werden niet door God verkoren omdat wij heilig zijn, maar opdat wij heilig zouden worden. Van God verkoren zijnde, mogen wij niet leven naar ons eigen goeddunken, maar, gelijk wij uitverkoren zijn tot zaligheid als het doel, zo moeten wij daartoe voorbereid worden door heiligmaking als het noodzakelijk middel om dat doel te bereiken, welke heiligmaking verkregen wordt door de werking des Heiligen Geestes als de bewerker en door het geloof onzerzijds. Er moet geloof aan de waarheid zijn, zonder hetwelk er geen ware heiligmaking, geen volharden in de genade en geen verkrijging van de zaligheid kunnen bestaan. Geloof en heiligheid moeten samengevoegd zijn, zowel als heiligheid en zaligheid, daarom bad onze Zaligmaker voor Petrus, dat zijn geloof niet mocht ophouden, Lukas 22:32, en voor Zijne discipelen: Heilig hen in Uwe waarheid, Uw woord is de waarheid, Johannes 17:17.
2. Geroepen door het Evangelie, vers 14. Gelijk zij verkoren waren tot de zaligheid, zo waren zij daartoe geroepen door het Evangelie. Die Hij verkoren heeft, die heeft Hij ook geroepen, Romeinen 8:30. De uitwendige roeping Gods komt door het Evangelie, en die wordt inwendig vruchtbaar gemaakt door de werking des Geestes. Waar ook het Evangelie komt, roept en nodigt het de mensen om de heerlijkheid te verkrijgen, het is een roeping tot eer en gelukzaligheid, tot de heerlijkheid van onzen Heere Jezus Christus, de heerlijkheid die Hij heeft verworven, die Hij bezit, en die Hij mededeelt aan allen, die in Hem geloven en het Evangelie gehoorzamen. Die zullen met Christus zijn, om Zijne heerlijkheid te aanschouwen en met Christus verheerlijkt te worden, deel te hebben aan Zijne heerlijkheid. Daarop volgt:
II. Een opwekking tot standvastigheid en volharding. Zo dan, broeders, staat vast, vers 15. Merk op: Hij zegt niet: "Gij zijt verkoren tot zaligheid, en daarom kunt ge zorgeloos en zeker zijn", maar: staat daarom vast. Gods genade in onze verkiezing en roeping is er zover van af, dat ze onze ijverige zorg en pogingen overbodig zou maken, dat wij veeleer opgewekt en aangespoord worden tot de grootste beslistheid en werkzaamheid. De apostel Johannes, na hun, aan wie hij schreef, gezegd te hebben dat zij de zalving ontvangen hadden, die in hen zou blijven en dat zij zouden blijven in Christus, voegt er de vermaning bij: En nu blijft in Hem, 1 Johannes 2:27, 28. De Thessalonicenzen worden aangespoord tot standvastigheid in hun Christelijke belijdenis. Houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, of de leer van het Evangelie, die hun door woord en brief door den apostel overgeleverd was. Daar de canon der Schrift nog niet afgesloten was, en dus sommige dingen door de apostelen overgeleverd werden in hun prediking, onder de leiding van den onfeilbaren Geest, waren de Christenen gehouden die te beschouwen als komende van God. Andere dingen werden hun later schriftelijk meegedeeld, gelijk de apostel reeds vroeger een brief aan de Thessalonicenzen geschreven had, en deze brieven werden geschreven wanneer de schrijvers daartoe bewogen werden door den Heiligen Geest. Het is geen bewijs voor de stelling, dat men nog in onze dagen godsspraken mag verwachten-nu de canon der Schrift afgesloten is-die gelijk zouden staan met die Schrift. De leerstellingen en plichten, waarin wij door de geïnspireerde apostelen werden onderwezen, moeten wij standvastig houden, maar wij hebben geen zeker bewijs voor iets anders, dat door hen overgeleverd zou zijn, behalve hetgeen die Schrift bevat. 16.. En onze Heere Jezus Christus zelf, en onze God en Vader, die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, 17.. Vertrooste uwe harten, en versterke u in alle goed woord en werk.
In deze woorden vinden wij het ernstig gebed van den apostel voor hen, waarbij wij letten op:
I. Tot wie hij bidt: Onze Heere Jezus Christus zelf en onze God en Vader, vers 16. Wij mogen en moeten onze beden richten niet enkel tot God den Vader, door de tussenkomst van onzen Heere Jezus Christus, maar ook tot onzen Heere Jezus Christus zelf, en moeten in Zijn naam bidden tot God, niet alleen als Zijn Vader, maar als onzen Vader in en door Hem.
II. Vanwaar hij vrijmoedigheid verkreeg voor zijn gebed, -van de overweging van hetgeen God reeds voor hem en voor hen gedaan had.
Die ons heeft liefgehad en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade, vers 16. Merk hier op:
1. De liefde van God is de bron en fontein van al het goede, waar wij op hopen, onze verkiezing, roeping, rechtvaardigmaking en zaligmaking zijn alle komende uit de liefde Gods in Christus Jezus.
2. In het bijzonder stroomt uit deze fontein al onze vertroosting. En de vertroosting der heiligen is een eeuwige vertroosting. De vertroostingen der heiligen sterven niet weg, zij zullen niet met hen sterven. Niemand zal hun de geestelijke vertroostingen, welke God hun geeft, ontroven, en God zal ze niet van hen wegnemen, omdat Hij hen heeft liefgehad met een eeuwige liefde, zullen zij ook eeuwige vertroostingen hebben.
3. Hun vertroosting is gegrond in de hope des eeuwigen levens. Zij verheugen zich in de hoop op de heerlijkheid Gods, en zijn niet alleen geduldig, maar verheugd, in de beproevingen. En er bestaat gegronde reden voor deze sterke vertroosting, want de heiligen hebben goede hoop. Hun hoop is gegrond op de liefde Gods, en op de ondervinding die zij hebben van Zijne macht, Zijne goedheid en Zijne getrouwheid, en zij is een goede hoop door de genade. Wij hopen op de vrije genade en barmhartigheid Gods, en onze hoop is daarop gevestigd, zonder enige waarde of verdienste onzerzijds.
III. Wat hij voor hen vraagt: Die vertrooste uwe harten en versterke u in alle goed woord en werk, vers 17. God heeft hun vertroostingen gegeven, en hij bidt dat zij nog meer overvloedige vertroosting ontvangen mogen. Er was, door genade, goede hoop dat zij zouden bewaard blijven, en hij bidt dat zij versterkt mogen worden. Het is opmerkelijk hoe vertroosting en versterking hier bij elkaar gevoegd worden.
1. Vertroosting is een middel tot versterking, want hoe meer vermaak wij hebben in het woord, en den weg en de werken van God, des te meer zullen wij er in volharden.
2. Evenzeer is onze versterking in de wegen van God een middel tot onze vertroosting. Indien wij wankelend zijn in het geloof, twijfelmoedig van hart, tekortkomend in onze plichten, dan is het geen wonder dat wij vreemd zijn aan het vermaak en de blijdschap van de godsvrucht. Wat ligt er ten grondslag van al onze ongerustheid? Wat anders dan onze onstandvastigheid in de godsvrucht? Wij moeten bevestigd zijn in alle goed woord en werk, in het woord der waarheid en in het werk der gerechtigheid. Christus moet verheerlijkt worden door onze goede woorden en werken. En zij, die oprecht zijn, zullen trachten beide te doen, en zodoende mogen zij hopen op vertroosting en versterking, tot ten laatste hun heiligheid en gelukzaligheid volkomen zijn zullen.