Genesis 33:1-4
I. Jakob ontdekt de nadering van Ezau, vers 1. Sommigen denken dat het opheffen zijn ogen aanduidt, dat hij goedsmoeds en vol vertrouwen was, in tegenstelling met een neergedrukt gelaat. Zijn zaak in het gebed Gode bevolen hebbende, ging hij zijns weegs, en zijn aangezicht was niet meer droevig, 1 Samuël 1:18. Zij, die hun zorgen op God hebben geworpen, kunnen met tevredenheid en kalmte van gemoed voor zich uitzien, en blijmoedig de uitkomst verbeiden, hoe die dan ook moge wezen. Wat er ook gebeure, geen kwaad kan hem wedervaren, wiens hart vast is, betrouwende op de Heer. Jakob stelt zich op zijn wachttoren, om te zien wat antwoord God hem zou geven op zijn gebeden.
II. Hij rangschikt zijn gezin in de beste orde, die hij kon, om zijn broer te ontvangen, hetzij deze als vriend kwam of als vijand, te rade gaande met de betamelijkheid voor hen, zo hij komt als vriend, en met hun veiligheid, zo hij komt als vijand, vers 1, 2. Let op het verschil in vertoning, die deze broers maakten. Ezau is vergezeld van een wacht van vier honderd man, en heeft een groot aanzien. Jakob wordt gevolgd door een lastige stoet van vrouwen en kinderen, voor wie hij heeft te zorgen, en is teder bezorgd voor hun veiligheid, toch heeft Jakob het geboorterecht en zal de heerschappij hebben, en hij is in ieder opzicht de groter en voornamer man. Het is voor zeer grote en godvruchtige mannen geen verkleining om persoonlijk zorg te dragen voor hun gezin en hun familiebelangen te behartigen. Jakob, aan het hoofd van zijn gezin, geeft een beter voorbeeld dan Ezau, aan het hoofd van zijn regiment.
III. Bij hun ontmoeting worden de best mogelijke uitdrukkingen van vriendelijkheid tussen hen gebruikt.
1. Jakob boog zich voor Ezau, vers 3. Hoewel hij Ezau vreesde als een vijand, betuigde hij hem toch de eerbied, verschuldigd aan een oudere broer, wetende en zich wellicht herinnerende, dat God toen Hij aan Abel de voorkeur gaf boven zijn oudere broer Kaïn, toch borg voor hem bleef, dat hij niet tekort zou komen in de gehoorzaamheid en de eerbied door een jongere broer verschuldigd aan een oudere broer, "Zijn begeerte is toch tot u en gij zult over hem heersen," Hoofdstuk 4:7. Het middel om de vrede te herstellen als hij verbroken werd, is onze plicht te doen, en bij alle gelegenheden onze achting te betuigen, alsof er nooit twist of onenigheid was geweest. Het is het gedenken en herhalen van de zaken, dat vrienden van elkaar scheidt en de scheiding doet aanhouden. Een nederige, onderworpen houding zal er zeer veel toe bijdragen om de toorn af te wenden. Velen redden en behouden zich door zich te verootmoedigen. Over hem, die zich bukt, vliegt de kogel heen.
2. Ezau omhelsde Jakob, vers 4. Hij liep hem tegemoet, niet in toorn, maar in liefde, en als van harte met hem verzoend zijnde, ontving hij hem met alle mogelijke tederheid, hij nam hem in zijn armen, viel hem om de hals en kuste hem. Sommigen denken dat Ezau, toen hij uittoog om Jakob tegemoet te gaan, geen boze bedoelingen had, dat hij zijn vierhonderd man slechts voor staatsie had meegenomen, om er zijn terugkerende broer grotere eer mede te bewijzen. Zeker is het dat Jakob het bericht van zijn boden anders heeft opgevat, Hoofdstuk 32:5-8. Jakob was een man van verstand en kloekmoedigheid, en wij kunnen niet veronderstellen, dat hij zich in zo grote mate aan ongegronde vrees overgaf, noch dat de Geest van God hem zou opwekken tot zulk een gebed om redding als hij gebeden heeft, redding namelijk uit een denkbeeldig gevaar, en indien er toen geen wonderbare verandering gewerkt was in de geest en het gemoed van Ezau, dan zie ik niet, hoe van Jakob door zijn worstelen gezegd kon worden dat hij zozeer had overmocht bij mensen, dat hij er een vorst om genoemd werd. God heeft het hart van alle mensen in Zijn hand, en kan het door een stille, maar onweerstaanbare, macht wenden waarheen Hij wil. Hij kan vijanden plotseling in vrienden verkeren, zoals Hij met de twee Sauls gedaan heeft, de ene door weerhoudende genade 1 Samuël 26:21, 25, de andere door vernieuwende genade, Handelingen 9:21, 22. Het is niet tevergeefs om op God te vertrouwen, en Hem aan te roepen in de dag van de benauwdheid, die dit doen bevinden de uitkomst veel beter dan zij verwacht hebben.
3. Beiden weenden. Jakob weende van blijdschap over de zo vriendelijke ontvangst door de broer, dien hij zozeer had gevreesd, en Ezau weende misschien van droefheid en schaamte bij de gedachte aan het boze voornemen, dat hij tegen zijn broer had gekoesterd, en in welks uitvoering hij op zo vreemde en onverklaarbare wijze verhinderd werd.