18. Ik haatte ook al mijnen moeitevollen arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, omdat ik moest erkennen, dat hij vruchteloos was, ook daarom, dat ik dien zou achterlaten aan enen mens, die na mij wezen zal, mijnen opvolger en erfgenaam. 1)
1) De verzoeking, waarin wij door de vruchteloosheid van ons streven, door den stilstand en teruggang in het rijk Gods, door de schijnbare ijdelheid ook der goddelijke dingen komen, zal, wanneer zij niet tijdig overwonnen wordt, onmisbaar tot gramstorigheid, levenszatheid en misanthropie leiden, zodat men de handen in den schoot legt, en niets meer doet waaruit ten laatste de ongeneeslijke zonde der akedie (zedelijke verstomping) voortvloeien kan. Zulk een eigenlijke versmading van Gods gaven, omdat Hij het ons, terwijl wij in het door Hem zelven aangewezen beroep bezig zijn, niet naar den zin maakt, is even als de akedie, niets anders dan trots tegen God. de natuurlijke, door God ingeschapen levenskracht, levensmoed en opgeruimdheid moet bewaard blijven, opdat wij ons in den engen kring, die ons naar Gods wil nog overgelaten is, overeenkomstig Gods wil kunnen bewegen..
Deze haat nu des koning geeft niet zulk een mindere liefde te kennen, welke onze plicht ons leert te tonen voor alles, wat buiten God en den godsdienst is (Lukas 24:26), noch zulk ene zondige haat van zich afkerig te tonen tegen datgene, hetwelk God ons, in onze standplaats heeft opgelegd, maar het duidt slechts een natuurlijke afkeer tegen zulk een werk aan, ontstaande uit een verdriet in datzelve en uit een besef van onze teleurstelling door hetzelve..