Colossenzen 1:12-29
Hier is een kort begrip van de leer des Evangelies betreffende het grote werk onzer verlossing door Christus. Wij vinden het niet als een onderwerp voor een leerrede, maar voor een dankzegging, want onze verlossing door Christus geeft ons in alle opzichten overvloedig stof tot dankzegging. Dankende den Vader, vers 12. Hij levert geen betoog over onze verlossing in geregelde orde, want dan zou hij eerst spreken van de verlossing zelf en daarna van hare toepassing. Maar hier keert hij de orde om, aangezien in ons gevoel de toepassing voor de daad zelf gaat. Wij gevoelen de zegeningen van de verlossing in onze harten, en worden door die stromen geleid tot de bron en oorsprong. De orde en volgorde van des apostels redenering kan op de volgende wijze weergegeven worden.
I. Hij spreekt over de werkzaamheden van den Geest der genade in ons. Wij moeten daarvoor dankzeggen, omdat wij daardoor bekwaam gemaakt worden om deel te krijgen aan het middelaarschap van den Zoon. Dankende den Vader, enz., vers 12, 13. Hier wordt gesproken van het werk van den Vader, omdat de Geest der genade is de Geest des Vaders, en de Vader in ons werkt door Zijn Geest. Zij, in wie het werk der genade is gewrocht, moe- ten daarvoor den Vader danken. Zo wij er den troost van hebben, moet Hij er den dank voor ontvangen. Wat is nu in ons gewrocht in de toepassing der verlossing?
1. Hij heeft ons getrokken uit de macht der duisternis, vers 13. Hij heeft ons verlost uit den staat van heidense duisternis en goddeloosheid. Hij heeft ons gered uit de macht der zonde, welke duisternis is, 1 Johannes 6, van de heerschappij des Satans, die de vorst der duisternis is, Efeze 6:12, en van de helse verdoemenis, welke de buitenste duisternis is, Mattheus 25:30. Zij werden geroepen uit de duisternis, 1 Petrus 2:9.
2. Hij heeft ons overgezet in het koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, ons gebracht in de bedeling des Evangelies, ons leden gemaakt van de gemeente van Christus, welke is een staat van licht en zuiverheid. Eertijds waart gij duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere, Efeze 5:8. Die u geroepen heeft uit de duisternis tot Zijn wonderbaar licht, 1 Petrus 2:9. Zij, die slaven van Satan waren, zijn gewillige onderdanen van Christus gemaakt. De bekering van een zondaar is de overbrenging van een ziel uit het rijk des Satans in het koninkrijk van Christus. De macht der zonde wordt verbroken en men onderwerpt zich aan de heerschappij van Christus. De wet des geestes des levens in Christus maakt ons vrij van de wet der zonde en des doods. Het is het koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, den Zoon van Zijn geheel bijzondere liefde, Zijn geliefden Zoon, Mattheus 3:17, den Geliefde, Efeze 1:6.
3. Niet alleen dit heeft Hij gedaan, maar Hij heeft ons bekwaam gemaakt om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht, vers 12. Hij heeft ons bereid voor de eeuwige gelukzaligheid des hemels, zoals aan de Israëlieten door het lot het beloofde land uitgedeeld werd, en heeft ons daarvan het onderpand en de verzekering gegeven. Dit vermeldt de apostel het eerst omdat het de eerste aanduiding van de toekomstige zegeningen is, dat wij in zekeren zin ons door God er voor bekwaam gemaakt gevoelen. God geeft genade en heerlijkheid en ons wordt hier meegedeeld wat wij daaronder te verstaan hebben. A. Wat heerlijkheid is. Dat is de erve der heiligen in het licht. Het is een erfenis, en zij komt hun als kinderen toe, dat is de beste zekerheid en het eigendomsbewijs. Indien wij kinderen zijn, dan zijn wij ook erfgenamen, Romeinen 8:17. En het is een erfdeel der heiligen-geschikt voor geheiligde zielen. Zij, die op aarde geen heiligen zijn, zullen nooit heiligen in den hemel zijn. En het is ene erfenis in het licht, een volkomenheid van kennis, heiligheid en vreugde, door gemeenschap met God, welke licht is en de Vader der lichten, Jakobus 1:17, 1 Johannes 5.
B. Wat genade is. Het is het bekwaam zijn voor de erfenis. Die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben, enz., dat is geschikt en instaat voor den hemelsen toestand door een daarmee overeenstemmende geneigdheid en gewoonte der ziel. En Hij maakt ons bekwaam door den machtigen invloed van Zijnen Geest. De werking van de goddelijke kracht is, dat zij het hart verandert en dat hemels maakt. Merk op: Allen, die voor den hemel hiernamaals bestemd zijn, worden voor den hemel hier voorbereid. Allen, die ongeheiligd leven en sterven, verlaten de wereld met hun hel in hun binnenste, maar allen, die geheiligd en vernieuwd zijn, scheiden van deze wereld met hun hemel in het hart. Zij, die de erfenis der kinderen hebben, ontvangen de opvoeding van kinderen en de geaardheid van kinderen, zij hebben den Geest der aanneming, door welken zij roepen: Abba Vader! Romeinen 8:15, En omdat gij kinderen zijt, heeft God den Geest Zijns Zoons in uwe harten gegeven, door welken gij roept: Abba Vader! Galaten 4:6. Dat bekwaam zijn voor den hemel is het onderpand des Geestes in onze harten, welke een deel van de erfenis is en de zekerheid voor de gehele inbezitstelling. Zij, die geheiligd zijn, zullen ook verheerlijkt worden, Romeinen 8:30, en zullen eeuwig de genade Gods danken, die hen geheiligd heeft.
II. Ten aanzien van den persoon des Verlossers. Heerlijke dingen worden hier van Hem gezegd, want de gezegende Paulus was vol van Christus en greep elke gelegenheid aan om tot Zijne eer te spreken. Hij spreekt hier onderscheidenlijk van Hem als God en als Middelaar.
1. Als God spreekt hij van Hem, vers 15-17,
A. Hij is het beeld des onzienlijken Gods. Niet gelijk de mens, die naar het beeld Gods gemaakt is, Genesis 1:27, in zijn vermogens en zijne heerschappij over de schepselen, neen: Hij is het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid, Hebreeën 1:3. Hij is het beeld Gods zoals de zoon het beeld zijns vaders is en een natuurlijke gelijkenis met hem heeft, zodat wie Hem gezien heeft den Vader gezien heeft, en dat Zijne heerlijkheid was als die des eniggeborenen des Vaders, Johannes 1:4, 14:9.
B. Hij is de eerstgeborene aller creaturen. Niet in dien zin dat Hijzelf een schepsel is, want Hij is proototokos pasês ktiseoos, geboren of gegenereerd voor alle creaturen, of voordat enig creatuur gemaakt was, hetgeen de gewone spreekwijze der Schrift is voor: "van eeuwigheid" en waardoor Gods bestaan-van eeuwigheid tot ons begrip gebracht wordt. Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang, van de oudheden der aarde aan. Ik was geboren als de afgronden nog niet waren, als nog gene fonteinen waren, zwaar van water, aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was ik geboren, Spreuken 8:23-25. Het betekent Zijne heerschappij over alle dingen, gelijk de eerstgeborene in een geslacht erfgenaam en heer is van alles, zo is Hij een erfgenaam van alles, Hebreeën 1:2. Het woord, met verandering van slechts een accent, proototokos, betekent eigenlijk de eerste vervaardiger of voortbrenger van alle dingen, en daardoor sluit het goed aan hetgeen volgt. C. Het is er zover vandaan, dat Hij een schepsel zou zijn, dat Hij de Schepper is. Want door Hem zijn alle dingen geschapen, die in den hemel en die op de aarde zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn, vers 16. Hij heeft alle dingen uit niet gemaakt, den hoogsten engel in den hemel zowel als de mensen op aarde. Hij schiep de wereld, de hogere en de lagere wereld, met al de bewoners van beide. Alle dingen zijn door Hem gemaakt, en zonder Hem is geen ding gemaakt, dat gemaakt is, Johannes 1:3. Hij spreekt hier van verscheidene rangen van engelen: Hetzij tronen, hetzij heerlijkheden, hetzij overheden, hetzij machten, hetgeen betekent of verscheidenheid van heerlijkheid of verscheidenheid van bedieningen. Engelen, overheden en machten, 1 Petrus 3:22. Christus is de eeuwige wijsheid des Vaders en het heelal is door wijsheid gemaakt. Hij is de arm des Heeren, en het heelal is door dien arm gemaakt.
Alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen, di autoe kai eis auton. Daar zij door Hem geschapen zijn, zijn ze ook tot Hem geschapen, door Zijn macht gemaakt, zijn ze gemaakt tot Zijn vreugde en Zijn eer. Hij is het einde zowel als de oorsprong aller dingen.
Tot Hem zijn alle dingen, Romeinen 11:36, eis auton ta panta.
D. En Hij is voor alle dingen. Hij bestond voordat de wereld geschapen werd, voor het begin des tijds, van alle eeuwigheid. Wijsheid was bij den Vader, de Heere bezat wijsheid in het begin Zijns wegs, voor Zijne werken, van toen aan, Spreuken 8:22. In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God, Johannes 1:1. Hij bestond niet alleen voordat Hij uit ene maagd geboren werd, Hij bestond voor allen tijd.
E. Alle dingen bestaan tezamen door Hem. Zij bestaan niet alleen in hun wezen, maar ook in hun orde en afhankelijkheid. Hij schiep ze niet alleen in den beginne, maar het is door het woord Zijner macht dat ze blijven bestaan, Hebreeën 1:3. De gehele schepping wordt in stand gehouden door de macht van den Zone Gods, en Hij behoudt haar in haar tegenwoordige gedaante. Door Hem wordt zij bewaard voor ontbinding en wegzinking in wanorde.
2. Daarna toont de apostel aan wat Hij is als Middelaar, vers 18, 19.
A. Hij is het hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, niet alleen een hoofd door regering en bestuur, zoals de koning het hoofd van den staat is en het recht heeft om wetten uit te vaardigen, maar een hoofd door levensinvloed, zoals het hoofd van het menselijk lichaam. Want alle genade en kracht wordt van Hem verkregen, en de gemeente is Zijn lichaam, de vervulling desgenen, die alles in allen vervult, Efeze 1:22, 23.
B. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, archê, proototokos, het beginsel, de eerstgeborene van uit de doden, het beginsel van onze opstanding zowel als zelf de eerstgeborene. Al onze hoop en blijdschap vinden haar grond in Hem, die de bewerker van onze zaligmaking is. Niet in dien zin, dat Hij de eerste was, die ooit uit den dood opstond, maar Hij was de eerste en enige, die door Zijn eigen kracht verrees, en is daardoor bewezen te zijn de Zoon van God en de Heere van alle dingen. En Hij is het hoofd der opstanding en heeft ons een voorbeeld en waarborg gegeven van onze opstanding uit den dood. Hij verrees als de eersteling, 1 Corinthiërs 15:20. C. Opdat Hij in allen de eerste zou zijn. Het was de wil des Vaders, dat Hij zou hebben alle macht in hemel en op aarde, dat Hij zou verheven zijn boven de engelen en alle machten in den hemel, (Hij heeft uitnemender naam boven hen geërfd, Hebreeën 1:4), en dat Hij in alle zaken van het koninkrijk Gods onder de mensen de voorkeur hebben zou. Hij heeft den eersten rang in de harten Zijns volks boven de wereld en het vlees, en door Hem den eersten rang te geven, handelen wij naar den wil des Vaders. Opdat zij allen den Zoon eren gelijk zij den Vader eren, Johannes 5:23.
D. Het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou, vers 19, niet alleen een volheid van overvloed voor Hem zelven, maar een overvloed voor ons, volheid van verdienste, rechtvaardigheid, kracht en genade. Gelijk het hoofd de zetel en de bron is van alle lichamelijke krachten, zo is Christus het van alle genade voor Zijn volk. Het behaagde den Vader, dat alle volheid in Hem wonen zou, en wij hebben den vrijen toegang tot Hem voor alle genade, die wij behoeven. Hij is daarvoor niet alleen onze voorspraak, maar Hij is de gevolmachtigde, aan wie de uitdeling is toevertrouwd. Uit Zijne volheid ontvangen wij genade voor genade, genade in ons beantwoordende aan de genade die in Hem is, Johannes 1:16, en Hij vervult alles in allen, Efeziërs 1:23.
III. Betreffende het werk der verzoening. Hij spreekt van de natuur daarvan, of waarin het bestaat, en van de middelen waardoor het werd verkregen.
1. Waaruit het bestaat. Er zijn twee delen.
A. De vergeving der zonden. In dewelke wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden, vers 14. De zonde had ons gekocht en tot slaven gemaakt. Indien wij verlost worden, moeten wij van de zonde verlost worden, en dat geschiedt door vergeving, door het overdragen van de strafschuldigheid. Zie Efeze 1:7 :In wie wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade.
B. In verzoening met God. God heeft door Hem alle dingen verzoend tot zich zelven, vers 20. Hij is de Middelaar der verzoening, die zowel vrede als vergeving voor zondaren verwerft, die hen thans in een toestand van vrede en gunst brengt, en die eindelijk alle heilige schepselen, engelen en mensen, tot een heerlijke en gezegende gemeenschap verenigen zal, alle dingen die op de aarde en in den hemel zijn. Zie Efeze 1:10. Hij zal alles tot een vergaderen in Christus, beide dat in den hemel en dat op de aarde is. De uitdrukking luidt anakephalaioosasthai, dat is: hen allen onder een hoofd brengen. De heidenen, die vervreemd waren, en vijanden door het verstand in de boze werken, heeft Hij nu ook verzoend, vers 21. Hier zien wij wat hun toestand van nature was, hun heidense toestand: vervreemd van God en vijanden van God. Maar nu is die vijandschap gedood, en niettegenstaande dien afstand, zijn wij nu verzoend. Christus heeft den grondslag voor onze verzoening gelegd, want Hij heeft den prijs er voor betaald, Hij heeft het voorstel en de belofte gedaan, het als profeet afgekondigd en als koning vervuld. De grootste vijanden van God, die het verst van Hem vervreemd zijn en Hem tegenstand bieden, kunnen met Hem verzoend worden, en blijven alleen door hun eigen schuld onverzoend.
2. Hoe de verlossing verkregen is: door Zijn bloed, vers 14, Hij heeft vrede gemaakt door het bloed Zijns kruizes, vers 20, en in het lichaam Zijns vlezes, door den dood, vers 22. Door het bloed wordt de verzoening aangebracht, want het bloed is het leven, en zonder bloedstorting geen vergeving, Hebreeën 9:22. Daar was zulk een waarde in het bloed van Christus, dat wanneer Hij dat stortte, God bereid was met de mensen in nieuwe voorwaarden te treden door hen in het verbond der genade te brengen en om Zijnentwil, krachtens Zijn kruisdood, hun vergeving te schenken en in genade aan te nemen allen, die in Hem geloven.
IV. Betreffende de verkondiging van deze verlossing. Merk hierop:
1. Aan wie zij verkondigd wordt: Het is gepredikt onder alle creaturen, vers 23, dat is, er is bevel gegeven om het allen creaturen te verkondigen, Markus 16:15. Het kan aan alle creaturen gepredikt worden, want het Evangelie sluit niemand uit, die zich zelven niet uitsluit. Meer of minder is het verkondigd of zal het verkondigd worden aan alle volken, ofschoon velen tegen zijn licht in gezondigd hebben en misschien velen het nog niet genoten.
2. Door wie het verkondigd is: Waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben. Paulus was een groot apostel, maar zijn hoogste eretitel acht hij het een bedienaar van het Evangelie van Jezus Christus te zijn. Paulus gebruikt elke gelegenheid om van zijne bediening te spreken, want hij achtte zijne bediening heerlijk, Romeinen 11:13. En nog eens, vers 25 :Welker dienaar ik geworden ben. Merk hier op:
A. Vanwaar had Paulus zijne bediening? Het was: naar de bedeling van God, die mij gegeven is aan u, de wijze beschikking van de dingen in de huishouding Gods. Hij was uitdeler en bouwmeester, en dat was hem gegeven, hij had het zich niet aangematigd of het zelf genomen, en hij kon het niet als een schuld vorderen. Hij ontving het van God als een gave en nam het aan als een gunst.
B. Ter wille van wie had hij deze bediening? Het is voor u: u ten zegen, wij zijn uwe dienaren om Jezus wil, 2 Corinthiërs 4:5. Wij zijn Christus' dienaren ten goede van Zijn volk, om te vervullen het woord Gods (dat is: het ten volle te verkondigen), waarvan gij het grootste voordeel zult hebben. Hoe meer wij onze bediening in al haar delen vervullen, des te groter zal de zegen voor de gemeente zijn, zij zal des te meer vervuld worden met kennis en bekwaam gemaakt tot den dienst.
C. Welk een prediker was Paulus? Dat wordt in bijzonderheden meegedeeld.
a. Hij was een lijdende prediker. Die mij nu verblijde in mijn lijden voor u, vers 24. Hij leed ter wille van Christus en tot welzijn van de gemeente. Hij leed omdat hij het Evangelie verkondigde. En omdat hij voor zulk een goede zaak leed, kon hij zich over zijn lijden verblijden, verblijden omdat hij waardig geacht werd te lijden, en zich dat tot een eer rekenen.
En vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus. Die overblijfselen voor Paulus en voor enig ander waren geen verzoening voor de zonden, zoals het lijden van Christus was. Dáár ontbrak niets aan, dat behoefde niet vervuld te worden. Dat beantwoordde volkomen aan het doel, de voldoening van Gods gerechtigheid tot zaligmaking van Zijn volk. Maar het lijden van Paulus en van andere goede dienaren maakte hen Christus gelijkvormig en zij volgden Hem op Zijn lijdensweg, en daarom wordt gezegd, dat zij vervulden hetgeen van het lijden van Christus overgebleven was, zoals de was de graveerselen van het zegel vervult, dat er in afgedrukt wordt. Ook kan het bedoeld zijn niet van het lijden van Christus, maar van het lijden om Christus' wil. Hij vervulde de overblijfselen. Een zeker deel en een bepaalde mate van lijden voor Christus was hem toegewezen, en daar het lijden met dat doel hem aangenaam was, zo vervulde hij meer en meer wat daarvan overgebleven was om zijn volle deel te hebben.
b. Hij was een prediker in bijzonderheden, hij predikte niet alleen in het openbaar, doch van huis tot huis persoonlijk. Dewelke wij verkondigen, vermanende een iegelijk mens en lerende een iegelijk mens in alle wijsheid, vers 28. Een iegelijk heeft behoefte aan vermaning en lering, en daarom moet een iegelijk zijn deel ontvangen. Merk op: Ten eerste. Wanneer wij iemand vermanen over hetgeen hij verkeerd doet, moeten wij hem leren beter te doen, vermaning en onderwijs moeten hand aan hand gaan. Ten tweede. De mensen moeten vermaand en geleerd worden in alle wijsheid. Wij moeten den gelegen tijd kiezen en de beste middelen gebruiken, en ons schikken naar de omstandigheden en het bevattingsvermogen van hen met wie wij te doen hebben, en hen onderwijzen naarmate zij verdragen kunnen. Zijn doel was een iegelijk mens volmaakt te stellen in Christus Jezus, hetzij volmaakt in de kennis van de Christelijke leer (zo velen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen, Filippenzen 3:15, 2 Timotheus 3:17), hetzij, bekroond met eeuwige heerlijkheid hiernamaals, wanneer hij zich zelven een heerlijke gemeente zal voorstellen, Efeziërs 5:27, en haar zal doen komen tot de geesten der volmaakte rechtvaardigen, Heb. 12:23. Het doel der dienaren moet zijn de verbetering en de redding van een iegelijk, die hen hoort.
Ten derde. Hij was een ijverig prediker en gaf zich moeite, hij was niet traag en deed zijn werk niet onachtzaam. Waartoe ik ook arbeide, strijdende naar Zijne werking, die in mij werkt met kracht, vers 29. Hij arbeidde en streed, was zeer vlijtig en tevreden onder alle bezwaren, overeenkomstig de mate der genade, die hem geschonken was, en de buitengewone tegenwoordigheid van Christus bij hem. Daar Paulus zich er op toelegde om veel goeds te doen, had hij het voorrecht, dat de kracht Gods ook vruchtbaarder in hem werkte. Hoe meer wij arbeiden in het werk des Heeren, des te grotere mate van hulp mogen wij van Hem daarin verwachten, Efeze 3:7, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is naar de werking Zijner kracht.
3. Het Evangelie dat gepredikt werd. Het wordt hier genoemd: De verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijne heiligen, vers 26.
A. De verborgenheid van het Evangelie was lang verborgen, van eeuwen en geslachten, al de eeuwen der kerk onder de bedeling des Ouden Testaments. De gemeente was in een staat van minderjarigheid en werd opgeleid voor volmaakter toestand, maar zij kon niet zien op het einde van de dingen, die God verordend had, 2 Corinthiërs 3:13.
B. Deze verborgenheid nu, is in de volheid der tijden bekend gemaakt aan de heiligen, duidelijk geopenbaard en blootgelegd. De sluier, die over het aangezicht van Mozes lag, is door Christus weggenomen, 2 Corinthiërs 3:14. De geringste heilige onder het Evangelie verstaat meer dan de grootste profeet onder de wet. De minste in het koninkrijk der hemelen is groter dan zij. De verborgenheid van Christus, welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is bekend gemaakt, is nu geopenbaard aan Zijne heilige apostelen en profeten door den Geest, Efeze 3:4, 5. En wat is die verborgenheid? Het is de rijkdom van Gods heerlijkheid onder de heidenen. De bijzondere leer van het Evangelie was een verborgenheid, die tevoren verborgen was en nu bekend gemaakt werd. Maar de grote verborgenheid, waarop hier gedoeld wordt, is het verbreken van den muur des afscheidsels tussen Joden en heidenen, en de verkondiging van het Evangelie aan de heidenwereld, zodat dezen deelgenoten worden aan de voorrechten van het Evangelie, zij, die tevoren in onwetendheid en afgoderij verzonken lagen.
Dat de heidenen zijn mede-erfgenamen en van hetzelfde lichaam, en mede-deelgenoten Zijner belofte in Christus door het Evangelie, Efeze 3:6. Deze verborgenheid, nu bekend gemaakt, is Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Christus is de hoop der heerlijkheid. De grond van onze hoop is Christus in het woord, of de openbaring des Evangelies, die ons den aard daarvan en de middelen om dien te verkrijgen mededeelt. Het bewijs van onze hoop is Christus in het hart, of de heiligmaking van de ziel, en haar toebereiding voor de hemelse heerlijkheid.
4. De roeping van hen, die aan deze verlossing deelhebben. Indien gij maar blijft in het geloof, gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies, dat gij gehoord hebt, vers 23. Wij moeten gefundeerd en vast in het geloof blijven, en niet bewogen worden van de hope des Evangelies, dat is, wij moeten er in onze zielen zo vast van overtuigd zijn, dat wij er door gene verzoeking van afgetrokken worden. Wij moeten standvastig en onbeweeglijk zijn, 1 Corinthiërs 15:58, en de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden, Heb. 10:23. Wij kunnen den gelukkigen uitslag van ons geloof alleen verwachten, wanneer wij blijven in het geloof en er zo in gefundeerd en bevestigd zijn, dat wij niet bewogen kunnen worden. Wij moeten ons niet onttrekken ten verderve, maar geloven tot behouding onzer zielen, Hebreeën 10:39. Wij moeten getrouw zijn tot den dood, door alle verzoekingen heen, opdat wij mogen ontvangen de kroon des levens, en verkrijgen het einde onzes geloofs, de zaligheid onzer zielen, 1 Petrus 1:9.