Jesaja 56:1-2
De bedoeling van deze verzen is aan te tonen dat, wanneer God tot ons komt in een weg van barmhartigheid, wij Hem moeten tegemoet gaan in de weg van onze plicht.
I. God zegt ons hier welke voornemens van barmhartigheid jegens ons Hij heeft, vers 1 :Mijn heil is nabij om te komen. De grote verlossing, door Jezus Christus gewrocht, -de zaligheid, waarvan de profeten ondervraagd en naarstig onderzocht hebben, 1 Petrus 1:10, - was afgeschaduwd door de verlossing van de Joden uit de Babylonische gevangenschap.
Merk op:
1. De verlossing door het Evangelie ons gebracht is het heil des Heeren, zij werd door Hem bewerkstelligd, en Hij wordt er door verheerlijkt.
2. In dit heil wordt Gods gerechtigheid geopenbaard, welke de heerlijkheid van het Evangelie uitmaakt, deze is het waarin Paulus zich beroemt, Romeinen 1:17. "Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof." De wet openbaarde de gerechtigheid Gods, waardoor alle zondaren moesten veroordeeld worden, maar het Evangelie die, waardoor aan alle gelovigen de schuld kwijtgescholden wordt.
3:De heiligen van het Oude Testament zagen deze gerechtigheid komende en lang voordat zij verscheen, al dichterbij komen, en werden door de profeten op haar komst voorbereid. Gelijk Daniël uit de profetieën van Jeremia leerde dat aan het einde van zeventig jaren de verlossing van de joden uit de Babylonische gevangenschap aanstaande was, zo leerden anderen uit de profetieën van Daniël dat de verlossing door de Messias zou verschijnen aan het einde van zeventig jaarweken.
II. Hij zegt ons welke plichtvervulling Hij van ons naar aanleiding daarvan verwacht. Zegt niet: wij zien dat het heil aanstaande is, en daarom mogen wij leven gelijk het ons behaagt, want er is nu geen gevaar dat het uitblijft of buiten ons om zal gaan, want daardoor wordt de gerechtigheid Gods in ongerechtigheid veranderd. Integendeel, nu het heil naderbij komt, behoren wij dubbel op onze hoede te zich. Hoe vaster verzekering God ons geeft van de vervulling van Zijn beloften, des te sterker zijn de verplichtingen tot gehoorzaamheid, waaronder Hij ons legt. Het heil waarvan hier gesproken wordt, is nu gekomen, maar er is nog groter heil in uitzicht en daarom dringt de apostel bij de Christenen op vervulling van hun plichten aan met dezelfde beweegreden: "De zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben," Romeinen 13:11. Hetgeen hier geëist wordt om ons voor het aanstaande heil voor te bereiden en geschikt te maken is:
A. Dat wij eerlijk en oprecht zijn in al onze handelingen. Bewaart uw hand van enig kwaad te doen. Houdt u aan Gods wet, ziet nauwgezet toe op hetgeen gij zegt en doet, opdat gij niemand onrecht aan doet, vervult al uw plichten stipt, en houdt daaraan vast dat gij in uw eigen boezem over uw daden oordeel velt, om tegen anderen de strenge eisen van de wet te verzachten. Laat u beheersen door de gulden regel dat gij anderen doet hetgeen gij wilt dat u gedaan zal worden. De overheid moet de gerechtigheid wijs en getrouw handhaven. Dit wordt vereist als bewijs van de oprechtheid van ons geloof en onze bekering, en om ons de weg tot de barmhartigheid te openen. Bekeert u, want het koninkrijk van de hemelen is nabij gekomen. God is getrouw voor ons, laat ons het jegens elkaar zijn. B. Dat wij nauwgezet de sabbat zullen houden, vers 2. Wij zijn niet rechtvaardig indien wij God van Zijn tijd beroven. De sabbatsheiliging wordt hier genoemd als samenvatting van al de geboden van de eerste tafel, als vrucht van onze liefde tot God, gelijk oordeel en gerechtigheid van alle geboden van de tweede tafel: de vruchten van onze liefde tot de naasten.
a. Van ons wordt geëist, dat wij de sabbat onderhouden, die gebruiken als een talent om handel mee te drijven, als een schat die ons toevertrouwd werd, houd hem heilig, houd hem nauwgezet, houd hem met zorg en voorzichtigheid, wacht u van hem te ontheiligen. Vergunt uzelf en anderen niet zijn heilige rust te verbreken of zijn heilig werk te verwaarlozen. Indien dit in de eerste plaats voor de Joden in Babel geschreven werd, was het zeer geschikt dat dit hun voornamelijk op het hart gedrukt werd, want door hun verre afstand van de tempel konden zij de overige inzettingen van de wet niet behoorlijk waarnemen, maar in elk geval konden zij zich onderscheiden van de heidenen door de dag Gods van de overige dagen af te zonderen. Maar meer in het algemeen op de mens en op de Zoon des mensen toegepast, houdt het in dat de heiliging van de sabbat ook een plicht is in de tijd des Evangelies, wanneer de banden van de kerk losser gemaakt zijn en andere instellingen en ceremoniën afgedaan zijn. Zij die de sabbat voor ontheiliging willen bewaren, moeten daartoe een vast besluit nemen, moeten niet alleen dit doen, maar er de hand aan houden, want de tijd des sabbats is zeer kostelijk, maar kan ons licht ontglippen, indien wij er geen bijzondere zorg voor dragen, en daarom moeten wij hem vasthouden zoveel in ons vermogen is.
b. De aanmoediging, die wij ontvangen om deze plicht te vervallen: gezegend is hij die dat doet. Welgelukzalig is de mens die zulks doet. De weg om van God zegen te verkrijgen op al ons dagelijks werk is een gewetenszaak maken van een nauwgezet zijn op de heiliging van de sabbat, daardoor zullen wij ook beter geschikt worden om onze hand te bewaren van enig kwaad te doen. Hoe meer godzaligheid, des te meer eerlijkheid, 1 Timotheus 2:2.
C. Wij moeten niets te doen hebben met de zonde. Welgelukzalig is de mens, die daaraan vasthoudt, dat hij zijn hand bewaart om enig kwaad te doen, zijn naasten enig nadeel in lichaam, eigendom of goeden naam te berokkenen, of meer algemeen: iets dat God mishaagt en onze eigen ziel schade doet. Het beste bewijs dat wij de sabbat behoorlijk geheiligd hebben zal zijn dat wij gedurende de week een goed geweten bewaren. Hieraan zal blijken dat wij met God op de berg geweest zijn, als onze aangezichten schitteren in heiligen omgang met de mensen.