Genesis 18:1-8
In deze verschijning van God aan Abraham schijnt meer vrijheid en gemeenzaamheid geweest te zijn en minder grootheid en majesteit, dan in die, waarvan wij tot nu toe gelezen hebben, en zij gelijkt daarom meer op het grote bezoek, dat de Zoon van God in de volheid van de tijd aan de wereld brengen zou als het Woord vlees zou geworden zijn en als een onzer zou verschijnen.
Merk hier op:
I. Hoe Abraham vreemdelingen verwachtte en hoe rijk zijn verwachting werd beantwoord, vers 1. Hij zat in de deur van de tent, toen de dag heet werd, niet zozeer om te rusten of zich te vermaken, als wel om de gelegenheid te hebben om goed te doen, door vreemdelingen en reizigers gastvrij te onthalen, daar er toen waarschijnlijk geen herbergen waren waarin zij gerieflijkheid konden vinden. Wij zullen waarschijnlijk de meeste lieflijkheid smaken in het doen van de goede werken waartoe wij het meest bereid zijn. God zal genadig diegenen bezoeken, in wie Hij de verwachting van Zijn komst heeft opgewekt en Hij zal zich openbaren aan hen, die op Hem wachten. Toen Abraham aldus neerzat, zag hij drie mannen tot zich komen. Deze drie mannen waren drie geestelijke, hemelse wezens, die nu menselijke gedaanten, menselijke lichamen hadden aangenomen, ten einde voor Abraham zichtbaar te zijn en geschikt voor verkeer met hem. Sommigen denken dat zij alle drie geschapen engelen waren, anderen, dat een van hen de Zoon van God was de Engel des verbonds, die Abraham van de overigen onderscheidde, vers 3, en die in vers 13 Jehova wordt genoemd. De apostel maakt hiervan gebruik om gastvrijheid aan te moedigen, Hebreeën 13:2. Zij, die ijverig waren om vreemdelingen te herbergen, hebben engelen geherbergd, tot hun onuitsprekelijke eer en blijdschap. Waar wij na een wijs en onpartijdig oordeel geen reden zien om kwaad te vermoeden, leert de liefde ons het goede te hopen en dienovereenkomstig vriendelijkheid te betonen, het is beter vijf hommels of wespen te voeden, dan een bij te laten verhongeren.
II. Hoe Abraham deze vreemdelingen gastvrijheid bewees, en hoe vriendelijk zijn gastvrijheid werd aangenomen. De Heilige Geest neemt bijzonder nota van het zeer gulle, liefderijke welkom, dat Abraham deze vreemdelingen heeft aangeboden.
1. Hij was voorkomend en beleefd jegens hen. Zijn leeftijd vergetende, of niet achtende liep hij hun vriendelijk tegemoet, en boog zich voor hen ter aarde, hoewel hij nog niets van hen wist, dan dat zij achtenswaardige mannen schenen te zijn. Goede manieren worden door de Godsdienst niet opgeheven of teniet gedaan, maar verbeterd, want hij leert ons alle mensen te eren. Bescheidenheid en beleefdheid zijn een schoon sieraad van vroomheid.
2. Hij hield zeer dringend bij hen aan dat zij bij hem zouden vertoeven, en beschouwde het als een grote gunst, die zij er hem mee bewijzen zouden. Het betaamt hun, die door God met overvloed gezegend werden, om ruim en vrijgevig te zijn in hun gastvrijheid, naar hun vermogen, niet als plichtpleging, maar uit hartelijke vriendelijkheid, het moet ons een genot zijn vriendelijkheid te betonen, want beide God en de mens hebben de blijmoedige gever lief. "Wie zou het brood willen eten van hem, die boos is van oog?" Spreuken 23:6, 7. Zij, die gemeenschap willen hebben met God moeten het ernstig begeren, en er om bidden. God is een gast, wel waard om onthaald te worden. Abrahams onthaal was wel zeer gul maar het was toch eenvoudig en gewoon, er was niets in van de zwierigheid en keurigheid van onze tijd. Zijn eetzaal was een prieel onder een boom, geen fijn tafellinnen, geen buffet beladen met zilver, zijn feestmaal bestond uit een paar kalfsbouten, en wat koeken op de haard gebakken, en het alles in haast toebereid. Hier waren geen lekkernijen, geen verscheidenheid van keurige gerechten geen gelardeerd vlees, maar goede, eenvoudige en gezonde spijzen, hoewel Abraham zeer rijk was en de gasten zeer eerbaar waren. Wij behoren niet kieskeurig te zijn in ons voedsel, laat ons dankbaar zijn voor geschikt voedsel, al is het ook heel gewoon en eenvoudig, geen lekkernijen begeren, want zij zijn een leugenachtig brood voor hen, die er hun hart op zetten. Hij en zijn huisvrouw waren zeer ijverig en oplettend om hun gasten te bedienen met het beste dat zij hadden. Sara zelf kookt en bakt, Abraham loopt heen om het kalf te halen en brengt melk en boter naar buiten, en acht het niet beneden zich om aan tafel te dienen, om te tonen hoe hartelijk welkom zijn gasten hem waren. Zij, die wezenlijke waardigheid bezitten, behoeven geen statigheid aan te nemen. Hartelijke vriendschap zal zich neerbuigen tot alles behalve de zonde. Christus zelf heeft ons geleerd in nederige liefde elkanders voeten te wassen. Zij, die zich aldus vernederen, zullen verhoogd worden. Abrahams geloof openbaarde zich hier in goede werken, en zo moet ook ons geloof zich openbaren, want anders is het dood, Jakobus 2:21, 26. De vader der gelovigen was vermaard om zijn liefdadigheid en edelmoedigheid, en zijn goede manier om zijn huis te bestieren, en wij moeten van hem leren goed te doen en mededeelzaam te zijn. Job heeft zijn bete niet alleen gegeten, Job 31:17.