Genesis 3:1-5
Wij hebben hier een bericht van de verzoeking, waarmee Satan onze eerste ouders heeft aangevallen om hen tot zonde te verlokken, hetgeen noodlottig voor hen bleek. En hier hebben wij te letten op:
I. De verzoeker, en dat was de duivel in de vorm en de gestalte van een slang.
1. Het is zeker, dat het de duivel was, die Eva heeft verleid, de duivel en Satan is de oude slang, Openbaring 12-9, een boze geest, door de schepping een engel des lichts en een onmiddellijk dienaar aan Gods troon, maar door zonde een afvallige geworden van zijn eerste staat, en een rebel tegen Gods kroon en waardigheid. Menigten van hen zijn gevallen, maar deze, die onze eerste ouders heeft aangevallen, was voorzeker de overste der duivelen, de aanvoerder van de opstand. Niet zodra was hij een zondaar, of hij was Satan, niet zodra een verrader, of hij was ook een verleider, als een, die verwoed was tegen God en Zijn heerlijkheid en afgunstig op de mens en zijn geluk. Hij wist, dat hij de mens niet anders kon verderven dan door hem te verleiden. Bileam kon Israël niet "vervloeken," maar wèl kon hij Israël "verleiden," Openbaring 2:14. De toeleg van Satan was dus om onze eerste ouders tot zonde te brengen en aldus scheiding te maken tussen hen en God. Zo was dan de duivel een mensenmoorder van den beginne, en een groot onheilstichter. Het gehele menselijke geslacht had hier als het ware slechts een hoofd en daarop was de slag van Satan gericht. De verdrukker en vijand is deze boze.
2. Het was de duivel in de gedaante van een slang. Of het alleen de zichtbare gedaante en het voorkomen van een slang was, zoals, naar sommigen denken, die waren, waarvan wij lezen in Exodus 7:12, of dat het een wekelijke, levende slang was, aangezet en bezeten door de duivel, is niet zeker, God kon beide hebben toegelaten. De duivel verkoos zijn rol te spelen in een slang:
a. Omdat het een schoonschijnend schepsel is, een fraaie bespikkelde huid heeft, en toen nog recht op liep. Het was wellicht een vliegende slang, die van boven scheen te komen als een boodschapper van de bovenwereld, een van de serafs want de vurige draken waren vliegend, Jesaja 14:29. Menige gevaarlijke verzoeking komt tot ons in levendige, fraaie kleuren, die echter slechts oppervlakkig zijn, en schijnt van Boven te komen, want Satan kan zich voordoen als een engel des lichts, En:
b. Omdat het een listig dier is, en daarvan wordt hier nota genomen. Er worden vele voorbeelden aangehaald van de listigheid van de slang beide om kwaad te doen, en om zich te beveiligen als het kwaad gedaan is. Ons wordt gezegd voorzichtig te zijn als de slangen. Maar deze slang, aangezet zijnde door de duivel, was ongetwijfeld listiger dan al de anderen, want de duivel, heeft wel de heiligheid verloren van een engel, maar de schranderheid van een engel behouden, en hij is wijs om kwaad te doen. Hij zag er meer voordeel in om de slang als zijn werktuig te gebruiken dan wij wel weten.
Merk op, dat er niets is, waarvan de duivel meer gebruik maakt om zich en zijn belangen te dienen, dan van ongeheiligde loosheid. Wat Eva er van dacht, dat deze slang tot haar sprak, zullen wij wel niet kunnen zeggen, daar ik geloof, dat zij zelf niet wist wat er van te denken. In het eerst onderstelde zij misschien, dat het een goede engel kon zijn, maar later kon zij wel vermoed hebben, dat er iets verkeerds was. Het is merkwaardig, dat velen van de Heidense afgodendienaars de duivel aanbaden in de vorm van een slang, waarmee zij hun trouw beleden aan die afvalligen geest, en zijn kleuren droegen.
II. De persoon, die verzocht werd, was de vrouw, die daar alleen was, op enige afstand van haar man, maar nabij de verboden boom. Het was de list van de duivel:
1. Om met zijn verzoekingen het zwakkere vat aan te vallen. Hoewel zij in haar soort volmaakt was, kunnen wij haar toch als de mindere van Adam onderstellen in kennis en kracht, en tegenwoordigheid van geest. Sommigen denken, dat Eva het gebod niet onmiddellijk van God ontvangen heeft, maar van haar man, en daarom zoveel gemakkelijker overreed kon worden om er geen geloof aan te hechten.
2. Het was zijn listig beleid om in gesprek met haar te komen, toen zij alleen was. Indien zij zich dicht gehouden had aan de zijde, waaruit zij kortelings genomen was, dan zou zij niet zo aan gevaar zijn blootgesteld. Er zijn vele verzoekingen, die door eenzaamheid begunstigd worden, maar de gemeenschap van de heiligen draagt zeer veel bij tot hun kracht en veiligheid.
3. Hij deed er zijn voordeel mede, dat hij haar zo dicht bij de verboden boom vond waarschijnlijk de vrucht er van aanziende om haar nieuwsgierigheid te bevredigen. Zij, die de verboden vrucht niet willen eten, moeten niet nabij de verboden boom komen. Wijk "er van, en ga voorbij," Spreuken 4:15.
4. Satan verzocht Eva, ten einde door haar Adam te verzoeken, zoals Hij Job verzocht door zijn vrouw, en Christus door Petrus. Het is zijn slim overleg om verzoekingen te brengen door hen, die men daar het minst van zou verdenken, en die het innigst met ons verbonden zijn, en de meeste invloed op ons hebben.
III. De verzoeking zelf, en hoe kunstig die aangelegd was. Er wordt ons in de Schrift dikwijls gesproken van ons gevaar door de verzoekingen van Satan, van zijn gedachten, 2 Corinthiërs 2:11, en zijn diepten Openbaring 2:24 zijn listige omleidingen, Efeze 6:11. De sterkste voorbeelden, die wij er van hebben, waren zijn verzoekingen van de twee Adams, hier en in Mattheus 4. In deze heeft hij overwonnen, maar in die werd hij verslagen. Wat hij sprak tot hen, op wie hij geen vat had door enigerlei bederf in hen, spreekt hij in ons door ons eigen bedrieglijk hart en zijn vleselijke redeneringen, waardoor zijn aanvallen op ons minder bespeurbaar, maar niet minder gevaarlijk zijn. Wat de duivel beoogde was Eva te overreden om verboden vruchten te eten, en hiervoor volgde hij dezelfde methode, die hij ook nu nog aanwendt.
I. Hij oppert de vraag: of het wel zonde is, vers 1.
2. Hij ontkent, dat er enigerlei gevaar in is.
3. Hij stelt er hun veel genot en voordeel van voor. En dat zijn de gewone middelen, waarvan hij zich bedient.
1. Hij oppert de vraag, of het wel zonde is van die boom te eten, of de vrucht er van werkelijk verboden is. Is het ook dat God gezegd heeft? Die aanloop in zijn rede duidt aan, dat er te voren al iets gezegd was, om dit in te leiden, en waarmee het in verband staat, misschien iets, dat Eva bij zich zelf had gezegd, en dat Satan opneemt om er zijn vraag aan vast te knopen. In een samenschakeling van denkbeelden zal het een op vreemde, wonderlijke manier het andere medebrengen, en tenslotte wellicht iets dat slecht is.
Merk hier op: a. Dat hij zijn bedoeling niet dadelijk blootlegt, hij doet slechts een schijnbaar onschuldige vraag: "Ik heb iets vernomen, zeg mij is het waar, dat God u verboden heeft van deze boom te eten?" Aldus begint hij een gesprek, om haar tot spreken te bewegen. Zij, die veilig willen wezen, moeten achterdochtig zijn en huiverig om met de verzoeker te spreken.
b. Hij haalt het gebod bedrieglijk aan, alsof het verbod niet slechts die boom, maar alle boom betrof. God had gezegd: Van al de bomen dezes hofs zult gij eten, behalve van een. Door nu de uitzondering te verzwaren, poogt hij de vergunning ongeldig te maken. Heeft God gezegd: gij zult niet eten van allen boom dezes hofs? De Goddelijke wet kan niet afgekeurd worden, tenzij men haar eerst verkeerd voorstelt.
c. Hij schijnt dit op schimpende wijze gezegd te hebben, de vrouw bespottende om haar schuwheid van zich met die boom in te laten, alsof hij gezegd had: "Gij zijt zo voorzichtig en zo heel stijf en streng, omdat God gezegd heeft: Gij zult niet eten." Gelijk de duivel een leugenaar is, zo is hij ook een spotter, van den beginne, en de spotters van de laatste tijd zijn zijn kinderen.
d. Wat hij in zijn eerste aanloop reeds bedoelde was, haar gevoel van verplichting, om het gebod te houden, weg te nemen. "Gij moet u stellig vergissen, het kan niet wezen, dat God u van deze boom buitensluit, Hij zou niet iets doen, dat zo onredelijk is." Zie hier, dat het Satans list is om de Goddelijke wet te bezwalken als onzeker, of onredelijk, en aldus de mensen tot zonde te brengen, en dat wij daarom wijs zullen doen, om een vast geloof aan, en een diepe eerbied voor, het gebod van God te hebben. Heeft God gezegd: "Gij zult niet liegen, noch Zijn naam ijdellijk gebruiken, noch dronken wezen?" enz. "Ja, ik ben er zeker van, dat Hij dit gezegd heeft, en het is goed en recht gezegd, en door Zijn genade zal ik er mij aan houden, wat de verzoeker ook er tegen moge aanvoeren."
In antwoord nu op deze vraag geeft de vrouw hem een duidelijk en volledig bericht van de wet, waaronder zij zich bevonden, vers 2, 3. Waar wij opmerken:
a. Dat het haar zwakheid was om in gesprek te treden met de slang. Zij had aan zijn vraag kunnen bemerken, dat hij geen goeds op het oog had, en daarom had zij terug moeten treden met een: "Ga achter mij, Satan, gij zijt mij een aanstoot." Maar haar nieuwsgierigheid, en misschien haar verrassing om een slang te horen spreken, bracht er haar toe, om zich nog verder in gesprek met hem in te laten. Het is gevaarlijk om met een verzoeking te onderhandelen, die reeds terstond met minachting en afgrijzen afgewezen moest worden. Het garnizoen dat begint te onderhandelen, is niet ver van de overgave. Zij, die voor kwaad willen behoed worden, moeten het kwaad uit de weg blijven. Zie Spreuken 14:7, 19:27.
b. Het was haar wijsheid om de vrijheid op te merken, die God hun gegeven had in antwoord op zijn sluwe inblazing, alsof God hen slechts in het paradijs had geplaatst om er hen te tantaliseren met het gezicht van schone, maar verbodene vruchten. "Ja", zegt zij, "wij mogen eten van de vrucht van de bomen, en, dank zij onze Schepper, er is ons overvloed en genoeg verscheidenheid toegestaan." Om te voorkomen, dat wij ons gedrukt en bezwaard gevoelen onder de beperkingen van de Godsdienst, is het goed om dikwijls aan de vrijheden en vertroostingen er van te denken.
c. Het was een blijk van haar besluit, om zich aan het gebod te houden, daar zij het getrouwelijk aanhaalt als iets van ontwijfelbare zekerheid. "God heeft gezegd, ik ben er zeker van, dat Hij het gezegd heeft: Van de vrucht dezes booms zult gij niet eten", en wat zij er bijvoegt: noch die aanroeren, schijnt goed bedoeld te zijn, niet (zoals sommigen denken) om, als het ware stilzwijgend te kennen te geven dat het gebod te streng is (raak niet, en smaak niet, en roer niet aan) maar om er een beschutting om heen te maken: "Wij moeten er niet van eten, daarom willen wij haar niet aanroeren. Het is ons ten strengste verboden, en het gezag van het verbod is ons heilig."
d. Zij schijnt enigszins onzeker omtrent de bedreiging en geeft er de bewoording niet zo getrouw en nauwkeurig van weer als van het gebod. God had gezegd: Ten dage als gij daarvan eet zult gij de dood sterven, al wat zij er nu van maakt, is: opdat gij niet sterft. Een wankelend, onzeker geloof, en wankelende besluiten geven aan de verzoeker een groot voordeel over ons.
2. Hij ontkent, dat er gevaar in steekt. Al zou het nu ook een overtreding zijn van het gebod, zou er toch geen straf op volgen, vers 4. "Gijlieden zult de dood niet sterven", zei hij, in lijnrechte tegenspraak dus met hetgeen God gezegd had. Het zij, zoals sommigen denken:
a. "Het is niet zo zeker, dat gij zult sterven, niet zo zeker als men u wil doen geloven." Aldus poogt Satan aan het wankelen te brengen hetgeen hij niet omver kan werpen, en verzwakt hij de kracht van de Goddelijke bedreigingen door er de zekerheid van in twijfel te trekken. En wanneer het eens als mogelijk verondersteld kan worden, dat er in enigerlei woord van God leugen of bedrog is, dan is er een deur geopend voor bepaald, onverholen ongeloof. Satan leert de mensen eerst te twijfelen, en dan te ontkennen, eerst maakt hij scepticisten, twijfelaars, en dan maakt hij hen trapsgewijze tot atheïsten, godloochenaars. Of, volgens anderen:
b. "Het is zeker, dat gij niet zult sterven." Hij gebruikt dezelfde stellige bewoording voor zijn tegenspraak, als God gebruikt heeft voor de bedreiging. Hij begon met het gebod in twijfel te trekken, vers 1, maar bevindende, dat de vrouw daaraan vast hield, verliet hij die stelling, en richtte zijn tweede aanval op de bedreiging, waaromtrent hij haar enigszins wankelend, onzeker vond, want hij bespeurt zeer snel waar enig voordeel voor hem te behalen valt, waar de muur het zwakst is, om daar dan zijn geschut op te richten: Gijlieden zult de dood niet sterven. Dit was een leugen, een zeer bepaalde leugen, want:
a. Het was in tegenspraak met het woord van God, waarvan wij zeker zijn, dat het waar is, zie 1 Johannes 2:21, 27. Het was een leugen, die God zelf logenstrafte.
b. Zij was in tegenspraak met zijn eigen kennis, als hij hun zegt, dat er geen gevaar is in ongehoorzaamheid en rebellie, hij zei wat hij door zeer treurige ervaring wist onwaar te zijn. Hij had de wet van zijn schepping verbroken, en had tot zijn schade ondervonden, dat hij er geen voorspoed op kon hebben, en toch zegt hij aan onze eerste ouders, dat zij niet zullen sterven. Hij verheelt zijn eigen rampzaligheid, ten einde hen in diezelfde rampzaligheid te storten, en aldus misleidt hij ook nu nog de zondaren tot hun verderf. Hij zegt hun, dat zij niet zullen sterven, al zondigen zij ook, en zij geloven hem eerder dan God, die zegt: "De bezoldiging van de zonde is de dood." Nu is de hoop op straffeloosheid een grote steun voor alle ongerechtigheid en onboetvaardigheid er van: "Ik zal vrede hebben, of schoon ik naar mijns harten goeddunken zal wandelen," Deuteronomium 29:19.
3. Hij spiegelt hun er voordeel van voor, vers 5. Hier nam hij zijn slag waar, en het was een slag naar de wortel, een noodlottige slag tegen de boom, waarvan wij de takken zijn. Hij wil er niet slechts voor instaan, dat zij er niets bij zullen verliezen, zich aldus verbindend om hen voor alle leed te bewaren, maar (indien zij zo dwaas willen zijn van zich te wegen op de zekerheidstelling van iemand, die zelf bankroet is) hij staat er voor in, dat zij er nog onuitsprekelijk veel bij zullen winnen. Hij zou hen niet hebben kunnen bewegen om zich bloot te stellen aan het gevaar van in het verderf te worden gestort, indien hij hun de grote waarschijnlijkheid niet had voorgehouden van hun lot en stand te zullen verbeteren.
a. Hij geeft hun te kennen, dat zij, door deze vrucht te eten hun toestand zeer grotelijks zullen verbeteren. En hij richt de verzoeking in naar de reine toestand, waarin zij nu nog zijn, daar hij hun geen vleselijke genietingen belooft, maar verstandsverlustiging. Dat was het lokaas waarmee hij de angel bedekte. "Uwe ogen zullen geopend zijn, gij zult veel meer van de macht en het genot van beschouwing en bespiegeling hebben dan gij nu hebt, gij zult een ruimer veld verkrijgen voor uw beschouwingen, en een dieper inzicht hebben in de dingen, dan gij nu hebt." Hij spreekt alsof thans hun blik nog zeer beneveld was, alsof zij, in vergelijking met hetgeen zij dan zijn zouden thans zeer kortzichtig waren.
b. "Gij zult als goden zijn, als Elohiem, machtigen, niet slechts alwetend, maar ook almachtig", of "Gij zult als God zelf zijn, Hem gelijk, mededingers van Hem, gij zult vrijmachtige vorsten zijn, niet langer onderdanen, zelfgenoegzaam en niet langer afhankelijk." Een uiterst ongerijmde inblazing! Alsof het voor schepselen van gisteren mogelijk ware hun Schepper gelijk te wezen, die van eeuwigheid is.
c. "Gij zult goed en kwaad kennen, dat is: al wat begeerlijk is om te kennen." Om dit deel van de verzoeking te ondersteunen, maakt hij misbruik van de naam, die aan deze boom gegeven is: hij was bestemd om de praktische kennis van goed en kwaad te onderwijzen, dat is: van plichten van ongehoorzaamheid, en hij zal de proefondervindelijke kennis geven van goed en kwaad, dat is: van geluk en ellende. In deze betekenissen was de naam van de boom een waarschuwing voor hen om er niet van te eten, maar hij verkeert er de betekenis van, en verwringt haar tot hun verderf, alsof deze boom hun een bespiegelende kennis zou geven van de aard, de soort en de oorsprong van goed en kwaad. En:
d. Dit alles terstond: "Ten dage als gij daarvan eet zult gij plotseling en onmiddellijk een verandering ten goede in u ontwaren." Door al deze inblazingen bedoelt hij in hen teweeg te brengen:
Ten eerste. Ontevredenheid met hun tegenwoordige staat, alsof die niet zo goed was, als hij wel zijn kon, en zijn moest.
Merk hier op, dat geen staat of toestand op zich zelf tevredenheid zal brengen tenzij het gemoed, het hart, tot tevredenheid gebracht wordt. Adam was niet gerust en tevreden, neen zelfs niet in het paradijs, evenmin als de engelen, die hun beginsel niet bewaard hebben, Judas: 6. Ten tweede. Eerzucht om verhoogd te worden, alsof zij geschikt waren om goden te zijn. Satan heeft zich in het verderf gestort door als de Allerhoogste te willen zijn, Jesaja 14:12-14, en daarom zoekt hij onze eerste ouders diezelfde begeerte in te blazen, opdat ook zij in het verderf gestort zouden worden.
b. Hij geeft hun te kennen, dat God geen goed met hen voorhad met hun deze vrucht te ontzeggen. "Maar God weet hoe veel voordeel het u zou aanbrengen, en daarom heeft Hij uit kwaadwilligheid en afgunst ze u verboden" alsof Hij hen niet van die boom durfde te laten eten, omdat zij dan hun eigene kracht zouden kennen, en bij gevolg niet in hun nederiger ondergeschikte staat zouden blijven, maar met Hem zouden kunnen wedijveren, of, alsof Hij hun de eer en het geluk misgunde, die zij door het eten van die boom deelachtig zouden worden. Dit nu was:
a. Een grote belediging van God, de gruwelijkste smaad, die Hem aangedaan kon worden, een smaad van Zijn macht, alsof Hij Zijn schepselen vreesde, en nog veel meer een smaad van Zijn goedheid, alsof Hij het werk van Zijn handen haatte, en hen die Hij gemaakt had, niet gelukkig wilde zien. Zal dan nu de beste onder de mensen het vreemd of ongehoord vinden, als hij verkeerd voorgesteld en kwaad van hem gesproken wordt wanneer dit toch met God zelf is geschied? Gelijk Satan de verklager van de broederen is voor God, zo verklaagt hij God voor de broederen aldus zaait hij onenigheid en is de vader van hen, die dat doen.
b. Het was een uiterst gevaarlijke strik voor onze eerste ouders, daar het strekte om hun genegenheid voor God te doen ophouden, en hen aldus van hun bouw te doen aflaten. Aldus trekt de duivel nog de mensen in zijn belang door hun harde gedachten van God in te blazen, en hun een valse hoop voor te spiegelen op voordeel en gewin door de zonde. Laat ons dan, in tegenstand van hem, altijd goed van God denken als het beste goed, en kwaad denken van de zonde, als het ergste van alle kwaad, laat ons de duivel weerstaan, en hij zal van ons vlieden.