Genesis 34:1-5
Voor zover wij weten, was Dina de enige dochter van Jacob, wij kunnen ons dus voorstellen dat zij de lieveling was van haar moeder evenals van het gehele gezin, en toch was zij hun evenmin tot blijdschap als tot eer, want kinderen, aan wie het meest wordt toegegeven, blijken zelden de beste of de gelukkigste te zijn. Zij zal, naar berekening, vijftien of zestien jaren oud geweest zijn, toen zij de aanleiding was van zoveel onheil.
Merk op:
1. Haar ijdele nieuwsgierigheid, die haar aan gevaar blootstelde. Zonder voorkennis van haar vader misschien, maar met oogluikend toegestaan door haar moeder, ging zij uit, om de dochteren van dat land te bezien, vers 1, waarschijnlijk bij gelegenheid van een bal of een openbare feestdag. Enig dochter zijnde, voelde zij zich thuis wel wat eenzaam, daar zij niemand van haar sekse en leeftijd had om mede om te gaan, en daarom moet zij uitgaan om zich te vermaken, ten einde niet de prooi te worden van droefgeestigheid, en ook om zich door omgang met anderen meer en beter te ontwikkelen, dan zij dit in de tenten van haar vader kon. Het is goed voor kinderen om hun tehuis lief te hebben, verstandige ouders zullen al het mogelijke doen om het er hun aangenaam te maken, en dan is het de plicht van de kinderen, om er zich ook aangenaam te gevoelen. Het voorgeven was: de dochters van het land te zien, hoe zij zich kleedden hoe zij dansten, en welke mode zij volgden. Zij ging uit om te zien, maar dat was niet alles, zij ging ook om gezien te worden, zij ging om de dochters van het land te zien, maar wellicht ook wel met het denkbeeld om ook de zonen van het land te zien. Ik vermoed dat zij ging om bekend te worden met de Kanaänieten en hun wijze van doen te leren. De hoogmoed en ijdelheid van jonge lieden spannen hun velerlei strikken.
2. Hoe zij hierdoor haar eer verloor, vers 2. Sichem, de zoon van de landvorst, maar die de slaaf was van zijn lusten, nam haar en lag bij haar niet zozeer met geweld-naar het schijnt-als wel door verrassing. Voorname lieden denken dat hun alles geoorloofd is, en wat is er meer schadelijk en noodlottig, dan een jeugd zonder onderricht en zonder tucht? Zie nu wat er kwam van Dina's rondlopen. Jonge vrouwen moeten leren kuis te zijn en het huis te bewaren, deze eigenschappen zijn samengevoegd, Titus 2:5,. want zij, die het huis niet bewaren, d.i. niet thuis blijven, brengen haar kuisheid in gevaar. Dina ging uit, ten einde eens om zich heen te zien, maar als zij om zich heen had gezien, zoals zij het had moeten doen, dan zou zij niet in die strik gevallen zijn. Het begin van de zonde is als een opening geven aan het water. Hoe wordt een grote hoop hout door een klein vuur aangestoken! Daarom behoren wij elke gelegenheid tot zonde zorgvuldig te mijden.
3. Sichem beminde haar, nadat hij haar had verontreinigd en wenste haar te huwen. Dit was loffelijk in hem, daar hij het kwaad, dat hij gedaan had, zoveel hij kon wilde herstellen. Hij had haar lief, (niet zoals Amnon, 2 Samuël 13:15) en hij verzocht zijn vader aanzoek om haar hand voor hem te doen, vers 4.
4. Aan Jakob werd het bericht hiervan gebracht, vers 5. Zodra zijn kinderen opgroeiden, begonnen zij een smart voor hem te worden. Godvruchtige ouders, die over het wangedrag van hun kinderen treuren, moeten niet denken dat hun toestand vreemd en zonder voorbeeld is. De godvruchtige man zweeg, als iemand, die verbaasd is en niet weet wat te zeggen, of hij zei niets, uit vrees van te zondigen met zijn tong, Psalm 39:2, 3. Hij onderdrukte zijn toorn opdat, zo hij aan zijn toorn lucht gaf, hij niet iets zou zeggen of doen, dat hem niet betaamde. Of wel, hij scheen het bewind over zijne zaken grotelijks (al te veel, denk ik) aan zijn zonen te hebben overgelaten, zodat hij niets wilde doen zonder hen, of hij wist dat, zo hij wèl buiten hen handelde, zij er hem lastig om zouden vallen, daar zij zich in de laatste tijd bij alle gelegenheden stoutmoedig, voortvarend, trots en aanmatigend hadden betoond. Nooit zullen de zaken goed gaan als het ouderlijk gezag in een gezin niet gehandhaafd wordt. Laat ieder zijn eigen huis goed regeren en zijn kinderen in onderdanigheid houden, met alle stemmigheid.