Genesis 21:1-8
Wat lang verwacht wordt, komt ten laatste. Het visioen betreffende het beloofde zaad is voor een bepaalde tijd, en nu, aan het einde, spreekt het en liegt niet. Weinigen onder het Oude Testament zijn in de wereld gebracht met zulke verwachtingen als Izaak, niet vanwege grote persoonlijke uitnemendheid, die hij zou bereiken, maar omdat hij juist hierin een type moest wezen van Christus, het Zaad, dat de heilige God zolang beloofd had, en dat heilige mensen zolang verwacht hebben. In het bericht omtrent de eerste dagen van Izaak kunnen wij opmerken:
I. De vervulling van Gods belofte in de ontvangenis en de geboorte van Izaak, vers 1, 2. De leiding van Gods voorzienigheid komt ons het heerlijkst voor, als wij hem vergelijken met Zijn woord, en als wij dan bemerken, hoe God in die-allen doet zoals Hij heeft gesproken.
1. Izaak is geboren overeenkomstig de belofte. De Heere bezocht Sara in genade, gelijk Hij gezegd had. Geen woord van God zal ter aarde vallen, want Hij, die het beloofd heeft, is getrouw, en Gods trouw is de hulp en steun van het geloof van Zijn volk. Hij werd geboren op de gezette tijd die God hem gezegd had, vers 2. God is altijd stipt op Zijn tijd, hoewel de beloofde zegeningen niet komen op de tijd, die wij er voor gezet hebben, zullen zij toch gewis komen op de tijd, die Hij ervoor gezet heeft, en dat is de beste tijd.
2. Hij was geboren krachtens de belofte "door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen, om zaad te geven," Hebreeën 11:11. God heeft dus door de belofte die kracht gegeven. Het was niet krachtens de gewone voorzienigheid, maar krachtens een bijzondere belofte, dat Izak geboren was. Over de tweede, de ondergeschikte, oorzaken was, als het ware, het vonnis des doods gekomen. Abraham was oud en Sara was oud, en beide waren als verstorven. En toen was het, dat het woord van God geschiedde. Krachtens Gods beloften zijn ware gelovigen instaat te doen wat boven de menselijke natuur is, want door deze zijn zij der Goddelijke natuur deelachtig geworden, 2 Petrus 1:4.
II. Abrahams gehoorzaamheid aan Gods gebod betreffende Izaak.
1. Hij noemde hem, zoals God het hem geboden heeft, vers 3. God beval hem te noemen ter gedachtenis, Izaak, lachen. En Abraham, wiens werk dit was, gaf hem die naam hoewel hij een andere naam voor hem had kunnen bestemmen, een naam van grootser betekenis. Het is passend dat het weelderige van de menselijke vindingrijkheid wijkt voor het vrijmachtige en eenvoudige van de Goddelijke inzetting. En er was ook een goede reden voor die naam.
a. Toen Abraham de belofte omtrent hem ontving, lachte hij van blijdschap. Hoofdstuk 17:17. Als de zon van de vertroosting is opgegaan over de ziel, dan is het goed te gedenken hoe welkom ons het aanbreken van de dag is geweest, en met hoeveel blijdschap wij de belofte omhelsd hebben.
b. Toen Sara de belofte ontving, lachte zij uit wantrouwen en schroom. Als God ons de zegeningen schenkt, waaraan wij begonnen te wanhopen dan behoren wij ons met schaamte en droefheid ons wantrouwen aan Gods macht en aan Zijn beloften te herinneren, toen ons die beloften werden gegeven. c. Om Izaak zelf werd later gelachen door Ismaël, vers 9, en wellicht heeft zijn naam hem dit doen verwachten.
d. De belofte, waarvan hij niet alleen de zoon maar ook de erfgenaam was, zou de blijdschap uitmaken van al de heiligen in alle eeuwen en hetgeen hun mond met lachen zou vervullen.
2. Hij besneed hem, vers 4. Toen het verbond met hem bevestigd was, werd hem het zegel van het verbond toegediend, en hoewel het een bloedige inzetting was en hij een geliefd kind was, moest het toch niet nagelaten worden, neen, en ook niet langer uitgesteld dan tot de achtste dag. God heeft op de bestemde tijd de belofte vervuld en daarom moet Abraham op de bestemde tijd aan het gebod gehoorzamen.
III. De indruk, door die zegen teweeggebracht op Sara.
1. Zij werd er door vervuld van blijdschap vers 6. "God heeft mij een lachen gemaakt, Hij heeft mij beide gegeven, reden tot blijdschap en een hart om mij te kunnen verblijden". Zo ook de moeder van onze Heere, Lukas 1:46-47. God schenkt zegeningen aan Zijn volk ten einde hen aan te moedigen om zich te verblijden in Zijn werk en dienst, en wat ons ook stof geeft tot blijdschap, God moet er als de oorzaak, de werker, van erkend worden, tenzij het "een lachen is van de zot." Als zegeningen lang verwacht werden, zijn zij des te meer welkom als zij komen. Het lieflijke van de zegen wordt nog verhoogd, als onze vrienden er "zich met ons in verblijden." Zie Lukas 1:58. Al wie het hoort, zal met mij lachen, want lachen is aanstekelijk. Anderen zullen zich verheugen in dit voorbeeld van Gods macht en goedheid, en er door aangemoedigd worden om op Hem te vertrouwen. Zie Psalm 119:74.
2. Het vervulde haar met verwondering, vers 7.
Merk hier op:
a. Wat zij zo verwonderlijk vond: dat Sara zonen heeft gezoogd, dat zij niet alleen een kind zou baren, maar op haar leeftijd ook krachtig en gezond genoeg zou zijn om het ook te zogen. Moeders behoren, als zij er toe instaat zijn, zelf haar kinderen te zogen. Sara was een aanzienlijke vrouw, zij was oud, het zogen zou nadelig geacht kunnen worden, hetzij voor haarzelf, of voor haar kind, of ook voor beide. Ongetwijfeld kon zij in haar eigen familie gemakkelijk een voedster vinden, en toch wilde zij zelf haar plicht vervullen, en haar dochters, die haar hierin en in andere deugden navolgen, zullen wel doen en heilige vrouwen genoemd kunnen worden, 1 Petrus 3:5, 6, Klaagliederen 4:3.
b. Hoe zij haar verwondering heeft uitgedrukt: Wie zou het gezegd hebben. De zaak was zo hoogst onwaarschijnlijk, zo bijna onmogelijk dat indien iemand anders dan God het gezegd had, wij het niet hadden kunnen geloven. Gods gunsten over Zijn verbondsvolk zijn van zo'n aard, dat zij hun gedachten en de gedachten van anderen verre teboven gaan. Wie zou zich hebben kunnen voorstellen, dat God zoveel zou doen voor hen, die zo weinig verdienen, ja, die zo onwaardig zijn? Zie Efeze 3:20, 2 Samuël 7:18, 19. Wie zou gezegd hebben, dat God Zijn Zoon zou zenden om voor ons te sterven, Zijn Geest om ons te heiligen, Zijn engelen om de wacht over ons te houden? Wie zou gezegd hebben, dat zulke grote zonden vergeven zouden worden, zulke armelijke diensten aangenomen, en zulke nietige aardwormen in het verbond en de gemeenschap met de grote en heilige God opgenomen zouden worden? IV. Wij hebben hier een kort bericht omtrent de jeugd van Izaak, vers 8. Het kind werd groot. Er wordt bijzonder nota van genomen hoewel het iets heel natuurlijks was, om te kennen te geven dat de kinderen van de belofte groeien, opwassen, zie Lukas 1:80, 2:40. Zij, die uit God geboren zijn, zullen meer en meer opwassen met Goddelijke wasdom. Colossenzen 2:19. Hij groeide zo, dat hij niet altijd met melk gevoed behoefde te worden, maar vaste spijs kon verdragen, en toen "werd hij gespeend." Zie Hebreeën 5:13, 14. En toen was het, dat Abraham een grote maaltijd maakte voor zijn vrienden en naburen in dank aan God voor Zijn goedertierenheid over hem. Hij maakte deze maaltijd niet op de dag toen Izaak geboren werd, dat zou voor Sara te druk en rumoerig geweest zijn, en ook niet op de dag van zijn besnijdenis, dat zou te veel afgeleid hebben van de plechtigheid, maar op de dag toen hij gespeend werd, omdat Gods zegen over het voeden van kinderen, en hun bewaring voor de gevaren van de kinderleeftijd, bijzondere voorbeelden zijn van de tedere zorg van de Goddelijke voorzienigheid, die tot Zijn lof erkend moeten worden. Zie Psalm 22:10, 11, Hosea 11:1.