Genesis 11:1-4
Aan het einde van het vorige hoofdstuk wordt ons meegedeeld, dat van, of onder de zonen van Noach de volkeren op de aarde verdeeld zijn na de vloed, dat is: onderscheiden werden in verschillende stammen of koloniën, en daar de plaatsen, waarin zij tot nu toe tezamen gewoond hadden, te eng voor hen waren geworden is, of door Noach bepaald, of onder zijn zonen overeengekomen, waarheen iedere stam of kolonie zich zou richten, beginnende met de landen in hun nabijheid, om dan al verder en verder heen te trekken, op grotere afstand van elkaar, naar de toeneming van de verschillende groepen dit nodig zou maken. Aldus was honderd jaren na de vloed, omstreeks de geboorte van Peleg, de zaak goed in orde gebracht. Maar de zonen van Noach schijnen er afkerig van geweest te zijn, om zich naar ver verwijderde, afgelegen plaatsen te verstrooien. "Hoe meer zielen, hoe meer vreugde," dachten zij, en hoe "veiliger", en daarom bedachten zij, om bij elkaar te blijven, en waren `slap om voort te gaan om het land te beërven hetwelk de Heere, de God hun vaderen, hun gegeven heeft," Jozua 18:3, zich wijzer achtende dan God en dan Noach. Nu hebben wij hier
I. Hetgeen hun plan om bij elkaar te blijven heeft begunstigd.
1. Zij waren van enerlei spraak, vers 1. Indien er vóór de vloed verschillende talen bestonden, dan was toch alleen die van Noach, welke waarschijnlijk dezelfde was als die van Adam, bewaard gebleven gedurende de vloed en ook daarna nog gesproken. Terwijl zij nu allen elkaar verstonden, was het waarschijnlijk dat zij elkaar zouden liefhebben, en elkaar behulpzaam zouden zijn, en dus zoveel te minder geneigd om van elkaar te scheiden.
2. Zij vonden een zeer geschikte en gerieflijke plaats om er zich in te vestigen, vers 2, een laagte in het land Sinear, een grote vlakte, geschikt en ruim genoeg om allen te bevatten, een vruchtbare vlakte, die hen allen, naar hun tegenwoordige getalsterkte, kon onderhouden, maar zij hebben wellicht niet bedacht, of er wel plaats genoeg zijn zou indien hun getal vermeerderd werd. Uitlokkende gerieflijkheden voor het ogenblik blijken dikwijls sterke verzoekingen te zijn voor de verwaarlozing beide van plicht en belang met betrekking tot de toekomst.
II. De methode, die zij volgden om zich aan elkaar te verbinden en zich tezamen tot een lichaam te vestigen. In plaats van hun grenzen te willen uitbreiden door een vreedzame scheiding van elkaar onder de bescherming Gods verzonnen zij om ze te versterken, en alsof zij besloten waren krijg te voeren tegen de hemel, namen zij er een uitdagende houding tegen aan. Hun eenstemmig besluit is: een stad en een toren te bouwen. Het is opmerkelijk, dat de eerste bouwers van steden, beide in de oude en de nieuwe wereld, Hoofdstuk 4:17, geen mannen waren van het beste karakter of de beste naam, tenten dienden aan Gods onderdanen ter woning, steden werden het eerst gebouwd door hen, die tegen Hem rebelleerden en van Hem afvielen.
Merk hier op:
1. Hoe zij elkaar opwekten en aanmoedigden om aan dit werk te gaan. Kom aan, zeiden zij, laat ons tichelen strijken en wel doorbranden vers 3, en wederom: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen. Door wederzijdse opwekking en prikkeling maakten zij elkaar vermetel en vastberaden. Grote dingen kunnen tot stand worden gebracht, als de ondernemers er van talrijk en eenstemmig zijn en elkaar er toe opwekken. Laat ons leren elkaar op te wekken tot liefde en goede werken, zoals zondaren elkaar aanmoedigen tot boze werken. Zie Psalm 122:1, Jesaja 2:3, 5, Jeremia 50:5.
2. Welke materialen zij gebruikten voor hun bouw. Het land vlak zijnde, leverde het steen noch kaIk op, maar dit heeft hen niet ontmoedigd, zij maakten tichelen om hun tot steen, en lijm om hun tot kaIk te dienen. Zie hier:
a. Welk een moeite zij zich zullen geven die vastberaden zijn in hun voornemens. Indien wij even ijverig waren om iets goeds tot stand te brengen, dan zouden wij niet zo dikwijls aflaten van onze arbeid, als wij nu doen onder voorwendsel dat het ons aan de geschikte middelen ontbreekt om er mee voort te gaan.
b. Welk een verschil er is tussen het bouwen van de mensen en Gods bouwen. Als de mensen hun Babel bouwen, dan zijn tichelen en lijm hun beste materialen, maar als God Zijn Jeruzalem bouwt, dan grondt Hij het zelfs op saffieren en maakt de gehele landpale van aangename stenen, Jesaja 54:11, 12, Openbaring 21:19.
3. Tot wat doeleinde zij bouwden. Sommigen denken, dat zij bedoelden zich hierdoor tegen een nieuwe watervloed te beveiligen. God had hun wel gezegd, dat Hij de wereld niet weer door een watervloed zou verdelgen, maar zij wilden nu vertrouwen op hun eigengemaakte toren, veeleer dan op een belofte van God, of op een ark, die door Hem zou worden aangewezen. Maar indien zij dit er mee beoogden, dan zouden zij hun toren veeleer op een berg dan in een vlakte hebben willen bouwen. Maar er zijn drie dingen, die zij op het oog gehad schenen te hebben met het bouwen van hun toren.
a. Het schijnt bedoeld te zijn als een belediging van God zelf want zij wilden een toren bouwen, waarvan het opperste in de hemel zij, hetgeen een trotseren van God aanduidt, of tenminste een wedijveren met Hem, zij willen als de Allerhoogste wezen of Hem zo nabij komen als zij kunnen, niet in heiligheid, maar in hoogheid. Zij vergeten hun plaats, en, het verachtende om te kruipen op de aarde, besluiten zij op te klimmen tot de hemel, niet door de deur of langs een ladder, maar op een andere wijze.
b. Zij hoopten zich hierdoor een naam te maken. Zij wilden iets doen, waarvan nu reeds gesproken zou worden, en waardoor het nageslacht zou weten, dat er zulke mannen als zij in de wereld geweest zijn. Liever dan te sterven zonder een gedachtenis aan hen na te laten, willen zij dit gedenkteken van hun hoogmoed, eerzucht en dwaasheid stichten. Eerzucht, de begeerte om zich een naam te maken in de wereld vuurt de mensen aan tot grote en moeilijke ondernemingen, en leidt dikwijls tot hetgeen kwaad is en beledigend voor God. Het is rechtvaardig in God om die namen te begraven in het stof, die door de zonde bekend zijn geworden. Deze Babelbouwers hebben zich dwaas zeer veel onkosten getroost om zich een naam te maken, maar zelfs dit doel hebben zij niet bereikt, want wij vinden nergens ook maar een enkele naam van deze Babelbouwers in de geschiedenis vermeld. Philo Judaeus zegt, dat zij ieder hun naam op een tichel gegraveerd hebben, "in perpetuam rei memoriam-als een eeuwige gedachtenis, " maar geen heeft tot dit doel gediend.
c. Zij deden het om te voorkomen, dat zij verstrooid en verspreid zouden raken, opdat wij niet misschien over de gehele aarde verstrooid worden. "Het werd gedaan", zegt Josephus, "in ongehoorzaamheid aan het gebod, vervult de aarde," Hoofdstuk 9:1. God gebiedt hun zich te verstrooien, "neen", zeggen zij, "dat willen wij niet, wij willen tezamen leven en sterven." Hierom begeven zij zich nu tot deze grote onderneming. Ten einde zich te verenigen om tezamen een groot en machtig rijk te vormen, besluiten zij tot het bouwen van deze stad en die toren om de metropolis te zijn van hun koninkrijk en het middelpunt hunner eenheid. Het is mogelijk dat de eerzuchtige Nimrod in dit alles de hand gehad heeft. Hij kon zich niet vergenoegen met slechts over een kolonie te gebieden, hij had een wereldmonarchie op het oog, en om hiertoe te geraken beraamt hij het plan, om, onder voorwendsel van hun wederzijdse veiligheid, hen allen bijeen te houden, hen tot een lichaam te verenigen, opdat hij, hen allen onder zijn oog hebbende, niet zou falen om hen ook allen in zijn macht te hebben. Zie nu de vermetele hoogmoed van deze zondaren. Hier is:
Ten eerste: Een vermetel tegenstaan van God. "Gij zult u verstrooien," zegt God. Maar dat willen wij niet," zeggen zij. Wee dien, die met zijn Formeerder twist.
Ten tweede. Een vermetel mededingen met God. Het is Gods kroonrecht om de universele monarch te zijn, de Heer van de heren, en de Koning van de koningen. De mens nu, die daarnaar streeft, wil zich plaatsen op de troon van God, die Zijn eer aan geen ander zal geven.