Genesis 32:1-2
Jakob is nu af van Laban, en vervolgt zijn reis naar huis, naar Kanaän. Als God ons door moeilijkheden heen geholpen heeft, dan moeten wij onze reis naar den hemel met zoveel te meer blijdschap en vastberadenheid vervolgen. Nu hebben wij hier:
1. Jakob's geleide op reis, vers 1. De engelen Gods ontmoetten hem in zichtbare verschijning, of het in een gezicht bij dag, of in een droom in de nacht was zoals toen hij de ladder zag, Hoofdstuk 28:12, is onzeker. Zij, die zich op een goede weg houden, hebben altijd een goede wacht, de engelen zelf zijn gedienstige geesten voor hun veiligheid en bescherming, Hebreeën 1:14. Waar Jakob zijn tent opsloeg, hebben zij zich rondom hem gelegerd, Psalm 34:8. Zij ontmoetten hem om hem weer welkom te heten in Kanaän, en zo viel hem een meer eervolle ontvangst te beurt dan ooit aan enige vorst, tot wie de overheden van een stad uitgingen om hem welkom te heten. Zij ontmoetten hem, om hem geluk te wensen met zijn behouden aankomst, inzonderheid met zijn ontkoming van Laban, want zij vinden genoegen in het welvaren van Gods dienstknechten. Zij hadden hem op de hele weg onzichtbaar begeleid, maar nu verschenen zij hem, omdat hij nu groter gevaren tegemoet ging, dan die hij tot nu ondervonden had. Als God voor Zijn volk buitengewone beproevingen bestemd heeft, bereidt Hij hen er op voor door buitengewone vertroostingen. Wij zouden gedacht hebben dat het meer de tijd zou zijn geweest voor de engelen om hem te verschijnen temidden van de verlegenheid en beroering, veroorzaakt, eerst door Laban, en daarna door Ezau, dan nu in die kalme, rustige tussentijd, toen hij zich in geen ogenblikkelijk gevaar bevond, maar God wil, dat wij in tijd van vrede voor de tijd van beroering zullen zorgen, zodat wij, als de benauwdheid komt, kunnen leven op de vroegere ervaringen, want wij wandelen door geloof, en niet door aanschouwen. Gods kinderen keren bij hun dood terug naar Kanaän, het huis van hun vader, en dan zullen de engelen Gods hen ontmoeten om hen geluk te wensen met het einde van hun dienstbaarheid, en om hen heen te voeren naar hun rust.
2. Hoe hij tot zijn vertroosting dit geleide heeft opgemerkt, vers 2. Dit is een legermacht van God, en dus is het:
a. Een machtig leger, zeer groot is hij, die zulk een geleide heeft, en zeer veilig wie aldus bewaakt wordt.
b. God moet de lof hebben voor deze bescherming: "Daar moet ik God voor danken, want het is Zijn legermacht." Met het oog van het geloof kan een godvruchtige hetzelfde zien wat Jakob met zijn lichamelijke ogen gezien heeft, door de belofte te geloven, vervat in Psalm 91:11. "Hij zal Zijn engelen van u bevelen, dat zij u bewaren op al uwe wegen." Wat behoeven wij te twisten over de vraag of ieder heilige zijn beschermengel heeft, als wij er toch zeker van zijn dat hij van een wacht van engelen omgeven is? Ter herinnering aan dit gunstbewijs gaf Jakob een nieuwe naam aan die plaats aan die omstandigheid ontleend, Mahanaim twee legers, of twee legerkampen. Dat is, zeggen sommigen van de rabbijnen, een leger van de beschermengelen van Mesopotamië, die Jakob van daar hebben begeleid en hem veilig overgegeven hebben aan het andere leger van de engelen van Kanaän, die hem tegemoet gingen op de plaats waar hij nu was. Maar zij zijn hem veeleer verschenen als twee legerscharen een aan elke zijde, of een van voren en de andere van achteren, om hem van achteren te beschermen tegen Laban en van voren tegen Ezau, zodat zij een volkomen wacht voor hem vormden. Aldus was hij omringd door Gods gunst. Misschien wordt met toespeling hierop de kerk Mahanaim, tweelegers geroemd Hooglied 6:13. Hier was Jakob's gezin, dat het ene leger vormde, voorstellende de strijdende en reizende kerk op aarde, en de engelen zijn het andere heir, voorstellende de triomferende kerk, rustende in den hemel.