Psalm 142:1-4
Of het in de spelonk van Adullam was of in die van Engedi, dat David dit gebed tot God heeft opgezonden, is van geen belang. Het is duidelijk dat hij in nood was. Het was een smaad voor zo'n groot krijgsman, zo'n voorname hoveling, dat hij voor zijn veiligheid de toevlucht moest nemen tot zulke middelen, en het was een grote verschrikking voor hem om zo hittiglijk nagejaagd te worden, om ieder ogenblik de dood te verwachten, maar hij had de tegenwoordigheid van geest om dit gebed te bidden, en waar hij ook was, overal had hij zijn Godsdienst bij zich. Gebeden en tranen waren zijn wapenen, en als hij zijn handen niet durfde uitstrekken naar zijn vorst dan hief hij ze op tot zijn God. Er is geen spelonk zo diep of zo donker, of wij kunnen er onze gebeden uit opzenden, en in het gebed onze ziel opheffen tot God. Hij noemt dit gebed Maskil, een psalm van onderwijzing, vanwege de goede lessen, die hij zelf in de spelonk had geleerd, op zijn knieen had geleerd, en die hij nu aan anderen wenste te leren.
Merk in deze verzen op:
I. Hoe David zijn klacht uitstort voor God vers 2, 3. Toen het gevaar voorbij was, schaamde hij zich niet (zoals kleine geesten er zich voor schamen) om te erkennen dat hij in angst was geweest, en dat hij zich in zijn benauwdheid tot God had gewend. Laat mannen van de hoogste rang het geen verkleining voor zich achten om tot God te roepen als zij in benauwdheid zijn, tot Hem te roepen zoals kinderen tot hun ouders als er iets is, dat hen verschrikt. David stortte zijn klacht uit, hetgeen een vrije en volledige klacht aanduidt, hij was er uitvoerig in, trad in bijzonderheden. Zijn hart was vol van zijn grieven, vol tot barstens toe, maar hij gaf zich verrichting door ze voor God uit te storten, en dit deed hij met grote vurigheid. Hij riep tot de Heere met zijn stem, met de stem zijn geestes, (zoals sommigen denken) want verborgen zijnde in de spelonk, durfde hij niet met hoorbare stem spreken, opdat dit niet tot zijn ontdekking zou leiden, maar innerlijk bidden heeft een stem voor God, en Hij hoort de zuchtingen, die onuitsprekelijk zijn, of die men niet durft uiten Romeinen 8:26. In deze klacht legt David twee dingen bloot voor God.
1. Zijn benauwdheid. Hij legde als het ware een nota over, of leverde een vertoog in nopens zijn toestand, ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid, en al de bijzonderheden ervan. Hij heeft aan God niets voorgeschreven, ook heeft hij Hem zijn benauwdheid niet te kennen gegeven alsof God er anders onbekend mee zou zijn maar als een, die zijn vertrouwen op God stelt, begeert in gemeenschap met Hem te zijn, en zich gaarne geheel en al voor alles aan Hem wil onderwerpen, zich naar Zijn goedvinden wil gedragen, hij ontboezemde zich voor Hem, legde Hem nederig de zaak voor, en toen liet hij haar goedsmoeds aan Hem over. Wij zijn licht geneigd om onze verdrietelijkheden al te veel voor onszelf bloot te leggen, ze ons nog erger voor te stellen dan zij zijn, er op te blijven staren, hetgeen geen nut doet, terwijl wij, door ze aan God te tonen, onze zorgen op Hem konden werpen, die voor ons zorgt, zodat wij dan verlicht en getroost kunnen worden. En wij moeten ons ook geen klacht bij onszelf en bij anderen veroorloven, die wij niet in alle betamelijkheid en oprechte Godsvrucht voor God kunnen brengen.
2. Zijn begeerte. Toen hij deze klacht deed heeft hij zijn smeking tot de Heere opgezonden, vers 2, geen hulp eisende alsof die hem verschuldigd was, maar er nederig om smekende als een gunst. Klagers moeten smekelingen zijn, want God wil er om gebeden zijn. II. Waar hij over klaagde, "op de weg die ik gaan zou, geen gevaar vermoedende, hebben zij mij een strik verborgen, om mij te vangen." Saul gaf zijn dochter Michal aan David, om "hem ten valstrik te zijn," 1 Samuël 18:21. Daarover klaagt hij bij God dat alles met boze bedoeling tegen hem gedaan werd. Indien hij buiten zijn weg ware gegaan en de valstrikken had aangetroffen, hij zou het zichzelf te wijten hebben gehad, maar als hij ze vond op de weg van zijn plicht, dan kon hij dit met nederige vrijmoedigheid aan God klagen.
III. Wat hem temidden van deze klachten tot troost was, vers 4. Als mijn geest in mij overstelpt was, op het punt was van te bezwijken, onder de last van smart en angst, als ik ten einde raad was, gereed om in wanhoop te vervallen, zo hebt Gij mijn pad gekend, toen was het een genot voor mij om te denken dat Gij het kent. Gij kendet mijn oprechtheid, het rechte pad, waarop ik gewandeld heb, en dat ik niet ben wat mijn vervolgers van mij zeggen, Gij hebt ook mijn toestand gekend in al de bijzonderheden ervan, toen mijn geest zozeer in mij overstelpt was, dat ik mijn toestand niet duidelijk kon blootleggen, was het mij tot troost dat Gij hem kendet, Job 23:10. "Gij hebt hem gekend, beschermd en beveiligd," Psalm 31:8, Deuteronomium 2:7.