1 Petrus 1:3-5
Wij komen nu tot den inhoud van den brief, welke aanvangt met:
I. Een verheerlijking van de waardigheid en het geluk van den toestand dezer gelovigen, gebracht in den vorm van een dankzegging aan God. Andere brieven beginnen op gelijke wijze, zie b.v. 2 Corinthiërs 1:3, Efeze 1:3. Wij hebben hier:
1. Den plicht van God te loven. Iemand looft God door de juiste erkenning van Zijn voortreffelijkheid en gelukzaligheid.
2. Het voorwerp van dezen lof omschreven door Zijne betrekking tot Jezus Christus: De God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Hier zijn drie namen voor dezelfden persoon, doelende op Zijn drievoudige bediening,
A. Hij is de Heere, de algemene koning en soeverein.
B. Jezus, een priester of Zaligmaker.
C. Christus, een profeet, gezalfd met den Geest en voorzien van al de gaven, nodig voor de onderrichting, leiding en redding Zijner gemeente. Deze God, die zo geloofd wordt, is de God van Christus naar Zijn menselijke natuur, en Zijn Vader naar Zijn goddelijke natuur.
3. De redenen, die ons roepen tot den plicht om God te loven, worden samengevat in Zijn grote barmhartigheid. Al onze zegeningen zijn wij verschuldigd aan Gods barmhartigheid en niet aan onze verdiensten, met name onze wedergeboorte. Hij heeft ons wedergeboren, en dat vereist onze dankzegging aan God, voornamelijk wanneer wij letten op de vrucht, die daardoor in ons voortgebracht wordt, die uitnemende genade der hope, en dat niet zulk een ijdele, dode, vergankelijke hope als de wereldlingen en huichelaars hebben, maar een levende, sterke, levendmakende en duurzame hoop, zoals de hoop behoort te zijn van hen, die bouwen op zulk een deugdelijken grondslag als de opstanding van Jezus Christus uit de doden.
A. De toestand van den waren Christen is nooit zo slecht, of hij heeft nog grote reden om God te loven. Gelijk een zondaar altijd reden heeft om te treuren, al is zijn uitwendige toestand nog zo voorspoedig, zo hebben de godvrezenden, ook temidden van hun zwaarste moeilijkheden, reden om zich te verheugen en God te loven.
B. In onze gebeden en lofzeggingen moeten wij ons tot God wenden als de Vader van onzen Heere Jezus Christus, het is alleen door Hem, dat wij en onze gebeden aangenomen worden.
C. De beste mensen danken hun beste zegeningen aan de overvloedige barmhartigheid Gods. Al het kwaad in deze wereld komt uit de zonden der mensen, al het goede komt uit Gods barmhartigheid. Uitdrukkelijk de wedergeboorte wordt toegeschreven aan de overvloedige barmhartigheid Gods, en evenzo al het andere, wij bestaan uitsluitend door Gods barmhartigheid. Omtrent de natuur der wedergeboorte, zie Johannes 3:3. D. Wedergeboorte geeft een levende hoop van eeuwig leven. Iedere onwedergeborene is een hopeloos schepsel, al wat hij beweert van hoop is slechts zelfvertrouwen en aanmatiging. De rechte Christelijke hoop is wat iemand wordt door de wedergeboorte uit den Geest van God, zij is niet uit de natuur, maar uit vrije genade. Zij, die wedergeboren zijn tot een nieuw en geestelijk leven, zijn geboren tot een nieuwe en geestelijke hoop.
E. De hoop des Christens heeft deze voortreffelijkheid, dat zij een levende hoop is. De hope des eeuwigen levens in den waren Christen is een hoop, die hem levend houdt, hem verlevendigt, hem ondersteunt en hem naar den hemel geleidt. De hoop versterkt en bezielt hem tot handelen, tot lijdzaamheid, tot kracht en tot volharding tot den einde. De bedrieglijke hoop van den onwedergeborene is ijdel en vergankelijk, de huichelaar en zijne hoop sterven en vergaan tezamen, Job 27:8.
F. De wederopstanding van Jezus Christus uit de doden is de grond en het fondament van de Christelijke hoop. De wederopstanding van Christus is de daad des Vaders als Rechter, en des Zoons als overwinnaar. Zijn opstanding toont dat de Vader Zijn dood aanneemt als volle kwijting van onzen losprijs, dat Hij dood, graf en al onze geestelijke vijanden overwon, en daardoor is zij de zekerheid van onze eigen opstanding. Er bestaat een onverbreekbare vereniging tussen Christus en Zijne kudde, zij staan op door kracht van Zijne verrijzenis als hun hoofd, nog meer dan door Zijn macht als rechter. Wij zijn met Christus opgewekt, Colossenzen 3:1. In dit alles samengenomen hebben de Christenen twee vaste en deugdelijke grondslagen, waarop zij hun hoop op een eeuwig leven bouwen.
II. Na God geloofd te hebben voor de nieuwe geboorte van de Christenen, en voor de hoop op een eeuwig leven, gaat de apostel voort met de beschrijving van dat leven onder het beeld van een erfenis, de meest-eigenaardige wijze van spreken tot deze mensen, want zij waren arm en werden vervolgd, misschien verjaagd van den erfgrond, waarop zij geboren waren. En om hun droefheid te lenigen zegt hij, dat zij opnieuw geboren zijn tot een nieuwe erfenis, oneindig beter dan die, welke zij verloren hadden. Bovendien: de meesten hunner waren Joden en gevoelden dus grote liefde voor het land Kanaän, als het land hunner erfenis, door God zelf voor hen bestemd, en verdreven te worden uit deze erfelijke woonplaats werd als een zwaar oordeel des Heeren beschouwd, 1 Samuël 26:19. Om hen onder dit alles te troosten herinnert hij hen, dat een betere erfenis voor hen in de hemelen bewaard wordt, ene waarvan het land Kanaän niet meer dan de schaduw was. Merk hier op:
1. De hemel is de ontwijfelbare erfenis van al de kinderen Gods, allen, die wedergeboren zijn, werden geboren tot een erfenis, gelijk iemand zijn kind tot zijn erfgenaam maakt. De apostel stelt vast: Zo wij kinderen zijn, dan zijn wij erfgenamen, Romeinen 8:17. God schenkt Zijn gaven aan allen, maar de erfenis alleen aan Zijn kinderen: aan hen die door wedergeboorte Zijn zonen en dochters zijn, zij alleen ontvangen de belofte der hemelse erfenis, Heb. 9:15. Deze erfenis is niet onze verdienste, maar des Vaders gave, geen beloning maar gift uit genade, welke ons eerst kinderen maakt en daarna deze erfenis aan ons bevestigt door een welgeordend en onveranderlijk verbond.
2. De onvergelijkelijke voortreffelijkheden van deze erfenis, vier in getal. A. Zij is onverderflijk, en daarin is zij haar Gever gelijk, die den onverderflijken God genoemd wordt, Romeinen 1:23. Alle verderf is een verandering van beter tot minder, maar de hemel is zonder verandering en zonder einde, het huis is eeuwig in de hemelen en de bewoners zullen er eeuwig blijven, want het verderflijke zal de onverderflijkheid aandoen, 1 Corinthiërs 15:53.
B. Deze erfenis is onbevlekkelijk, gelijk de hogepriester, die haar nu aanvaard heeft, die genoemd wordt heilig, onnozel en onbesmet, Hebreeën 7:26. Zonde en ellende, de twee grote bevlekkingen, die de wereld ontreinigen en haar schoonheid verwoesten, hebben daar geen plaats.
C. Zij is onverwelkelijk, en behoudt altijd haar frisheid en schoonheid, zij blijft zonder te verouden, zij onderhoudt en verheugt eeuwig de heiligen, die haar bezitten, zonder enigen afkeer.
D. Zij wordt in de hemelen voor u bewaard. Daaruit leren wij:
a. Dat zij een heerlijke erfenis is, want zij is in de hemelen, en al wat daar is, is heerlijk, Efeze 1:8.
b. Dat zij zeker is, zij ligt in de andere wereld, veilig bewaard tot wij komen om haar in bezit te nemen.
c. De mensen, voor wie zij bewaard wordt, zijn hier niet bij hun namen, maar bij hun karakter genoemd, voor u, of voor ons, voor ieder die wedergeboren is tot een levende hoop. De erfenis wordt bewaard voor hen, en alleen voor hen, de overigen zullen allen voor eeuwig buitengesloten worden.
III. Deze erfenis wordt beschreven als toekomstig, zij is door tijd en plaats van ons verwijderd. De apostel onderstelt dat enige ongerustheid of twijfel in de harten dezer mensen kan ontstaan, of zij misschien haar zouden missen. Zij konden denken: "Ofschoon de erfenis in den hemel veilig is, zijn wij nog op aarde, blootgesteld aan een menigte verzoekingen, ellenden en zwakheden. Zijn wij er wel zeker van, dat wij eenmaal tot die erfenis komen zullen?" Hierop antwoordt hij dat zij veilig bewaard en naar de erfenis heen geleid worden, zij zouden bewaard worden voor alle verwoestende verzoekingen en aanvallen, waardoor hun veilige aankomst in het eeuwige leven zou kunnen verhinderd worden. De erfgenaam van enig werelds goed heeft de verzekering niet dat hij zal leven om dat te genieten, maar de erfgenamen van den hemel zullen zeker veilig tot het bezit daarvan geleid worden. De zegening, die hier beloofd wordt, is bewaring.
Gij wordt bewaard, die dat doet is God, het middel in ons, waarvan Hij daartoe gebruik maakt, is ons eigen geloof, het doel waartoe wij bewaard worden is de zaligheid, en de tijd, waarin wij het zalige einde en den goeden uitslag daarvan zullen zien, is de laatste tijd.
1. Zo teder is de zorg van God voor Zijn volk, dat Hij hun niet alleen genade geeft, maar hen voor de heerlijkheid bewaart. Dat bewaard blijven toont aan dat er gevaar is, maar ook verlossing, zij zullen aangevallen maar niet overmocht worden.
2. De bewaring van den wedergeborene ten eeuwigen leven is het werk van Gods kracht. Het werk is zo groot, onze vijanden zijn zo talrijk, onze eigen gebreken zo vele, dat onder dat alles alleen een almachtige kracht de ziel bewaren kan, en daarom zegt de Schrift ons dikwijls, dat de verlossing van den mens alleen aan de goddelijke kracht te danken is, 2 Corinthiërs 12:9, Romeinen 14:4.
3. De bewaring door Gods kracht sluit des mensen pogingen en zorg voor zijn eigen zaligheid niet uit, hier vinden wij de kracht van God en het geloof van den mens. Dat wijst op een ernstige begeerte naar de zaligheid, een vertrouwen op Christus overeenkomstig Zijn uitnodiging en beloften, een levendige zorg om alles te doen wat Gode welbehaaglijk is en alles te laten wat Hem mishaagt, een afkeer van de verzoekingen, een uitzicht op de vergelding des loons, en volhardenden ijver in het gebed. Door zulk een lijdzaam, werkzaam, overwinnend geloof worden wij, onder bijstand van de goddelijke genade, bewaard tot de zaligheid, het geloof is een zegevierende bewaring van de ziel door den staat van genade heen naar den staat van eeuwige heerlijkheid.
4. Deze zaligheid is bereid om geopenbaard te worden in den laatsten tijd. Hier worden met het oog op de zaligheid der heiligen drie dingen aangeroerd.
A. Zij is nu bereid, gereedgemaakt, en wordt voor hen in den hemel bewaard.
B. Ofschoon zij nu reeds bereid is, blijft zij in grote mate thans nog verborgen en niet geopenbaard, niet alleen voor de onwetende, blinde wereld, die nooit naar haar vraagt, maar ook voor de erfgenamen dier zaligheid zelven.
Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, 1 Johannes 3:2.
C. Zij zal ten volle en geheel geopenbaard worden in den laatsten tijd, op den groten dag des oordeels. Het leven en de onverderflijkheid zijn nu aan het licht gebracht door het Evangelie, maar dat leven zal meer volledig geopenbaard worden bij den dood, wanneer de ziel zal worden toegelaten in de tegenwoordigheid van Christus en Zijne heerlijkheid zal aanschouwen, en bovendien zal er een nadere en volkomen openbaring van de volheid en overtreffende mate van der heiligen gelukzaligheid geopenbaard worden ten laatsten dage, wanneer hun lichamen opgewekt en met hun zielen herenigd zullen worden, en het oordeel over mensen en engelen zal gesproken worden, en Christus Zijne dienaren in het openbaar ten aanschouwe van het heelal zal eren en goedkeuren.