Romeinen 4:17-22
Nadat hij heeft opmerkzaam gemaakt wanneer Abraham gerechtvaardigd werd door het geloof, en waarom, gaat de apostel hier over-ter ere van Abraham en tot een voorbeeld van ons, die hem onzen vader noemen-tot ene beschrijving en aanbeveling van het geloof van Abraham. Merk op: l. In wie hij geloofde. In God, die levend maakt. Het geloof hecht zich aan God zelf.
Niemand kan een anderfondament leggen. Merk nu op waarop in God het geloof van Abraham het oog gevestigd hield, op datgene, hetwelk zeer zeker zijn geloof betreffende de beloofde dingen meest zou bevestigen.
1. God die de doden levend maakt. Hem was beloofd dat hij de vader van vele volken zijn zou, toen hij en zijne vrouw zo goed als dood (verstorven) waren, Heb. 11:11, 12. Daarom zag hij op God als de God, die het leven in de doodsbeenderen kan blazen. Hij, die de doden opwekken kan, kan alles doen, Hij kan Abraham, die reeds oud geworden is, een kind schenken, Hij kan de heidenen, die dood zijn in zonden en misdaden, Efeze 2:2, een goddelijk, geestelijk leven geven, Verg. Efeziërs 1:19, 20.
2. Die roept de dingen, die niet zijn, alsof zij waren, dat is: die alle dingen schept door het woord Zijner kracht, gelijk in den beginne, Genesis 1:3, 2 Corinthiërs 4:6. De rechtvaardigmaking en verlossing van zondaren, het aannemen van de heidenen, die geen volk waren, dat alles was een genadig roepen van dingen, die niet waren, alsof zij waren, aanzijn geven aan dingen die niet bestonden. Dat is een teken van de vrijmacht Gods en van Zijn onbeperkte heerschappij, een machtige steun voor het geloof wanneer al het andere ontzinkt en ontvalt. Het is de heilige wijsheid en handeling van het geloof zich juist in God vast te houden aan hetgeen geëvenredigd is aan de moeilijkheden waarmee het worstelt en hetgeen het beste antwoord op de bezwaren zal geven. Het geloof is steunen op de algenoegzaamheid Gods voor de vervulling van hetgeen onmogelijk is voor alles behalve voor die algenoegzaamheid. Daardoor werd Abraham een vader van vele volken voor Hem, aan wie hij geloofd heeft, dat is in het oog en de schatting van God, of: gelijk hij aan wie hij geloofd heeft. God is de algemene Vader, en dat was Abraham ook. Door het geloof worden wij door God aangenomen niet alleen, maar Hem gelijkvormig.
II. Hoe hij geloofde. Hier verheerlijkt hij in velerlei uitdrukkingen de kracht van Abrahams geloof.
1. Hij geloofde tegen hoop op hoop, vers 18. De hoop van nature was tegen hem. Alle bewijsvoeringen van zinnen, van rede, van ondervinding, welke in zulke gevallen de hoop wekken en ondersteunen, waren tegen hem. Geen tweede oorzaken lachten hem toe, niet het minste was er om zijn hoop te begunstigen. Maar tegen al deze bewijzen voor het tegendeel in geloofde hij, want hij had een hoop in zijn voordeel. Hij geloofde op hope, die in hem verrees gelijk zijn geloof deed, bij de overweging van Gods almacht. Dat hij zou worden een vader van vele volken. Dus stelde God door Zijn almachtige genade hem instaat om te geloven tegen hoop in, opdat hij voor alle geslachten een voorbeeld van een groot en sterk geloof zou zijn. Het was betamelijk dat hij, die bestemd was een vader der gelovigen te zijn, iets buitengewoons in zijn geloof zou hebben, dat in hem het geloof zijn hoogsten trap zou bereiken, opdat daardoor de pogingen van alle volgende gelovigen mochten worden geleid, opgewekt en verlevendigd. Of wel, dit wordt genoemd als de inhoud van de belofte waaraan hij geloofde, en hij verwijst naar Genesis 15:5, Zo zal uw zaad zijn: als de sterren des hemels, zo ontelbaar en zo heerlijk. Dat was hetgeen hij geloofde, toen het hem gerekend werd tot rechtvaardigheid, vers 6. En het is opmerkelijk dat deze bijzondere inhoud van zijn geloof was tegen hope, tegen de hersenschimmen en de onderstellingen van zijn ongeloof. Hij had kort tevoren zeer sterk beweerd dat hij kinderloos zou heengaan, dat de ingeborene zijns huizes zijn erfgenaam zou zijn, vers 2, 3, en dit ongeloof was een teleurstelling voor zijn geloof, dat daarom tegen hope genoemd wordt.
2. Niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt, vers 19. Merk op: Zijn eigen lichaam was nu verstervende, het was ten hoogste onwaarschijnlijk dat hij een kind kon verwekken, ofschoon het nieuwe leven, dat God hem schonk, zo krach- tig was, dat het voortduurde na Sara's dood, waarvan zijne kinderen bij Ketura getuigen zijn. Wanneer God enige bijzondere zegening, een kind der belofte, voor Zijn volk bestemt, legt Hij gewoonlijk een vonnis des doods op de zegening zelf en op al de wegen die er toe leiden. Jozef moest slaaf gemaakt en gevangen gezet worden alvorens hij verhoogd werd. Maar Abraham nam dit niet in aanmerking, oe katenoêse, hij liet zijn gedachten daarbij niet stilstaan. Hij zei wel: Zal een kind geboren worden aan enen, die honderd jaren oud is? Genesis 17:17. Maar dat was de taal van zijne bewondering en van zijne begeerte naar hetgeen volgen zou, niet van twijfel en wantrouwen, zijn geloof ging die overweging voorbij en dacht aan niets dan aan de zekerheid der belofte, met de beschouwing daarvan was hij vervuld en dat hield zijn geloof staande. Niet verzwakt zijnde in het geloof, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt. Het is enkel zwakheid des geloofs wanneer iemand den nadruk legt op de moeilijkheden en schijnbare onmogelijkheden, die op den weg der belofte oprijzen. Ofschoon dat de wijsheid en voorzichtigheid van de vleselijke rede moge zijn, toch is het zwakheid des geloofs om aldoor te turen op de moeilijkheden, die de belofte in den weg komen.
3. Hij heeft aan de belofte Gods niet getwijfeld door ongeloof, vers 20. Hij twijfelde niet omdat hij niet lette op de tegenwerpingen en ontmoedigingen van de tweede oorzaken, oe diëkri thê, hij sprak niet tegen, hij hield er zijn eigen beschouwingen niet over, hij nam den tijd niet om te overwegen of hij het zou aannemen of niet, hij kwam er niet tegen in verzet en aarzelde niet, maar door een besliste en alles-beslissende daad zijner ziel, met heilige vrijmoedigheid, waagde hij alles op de belofte. Hij hield dat voor een zaak, waarover hij geen tegenbewijs of redetwist wilde toelaten, maar stelde het dadelijk vast als een geregeld punt, was er over in geen enkel opzicht in twijfel, hij twijfelde niet door ongeloof. Ongeloof ligt op den bodem aan al onze twijfelingen aan Gods beloften. Het is niet de belofte die faalt, maar ons geloof dat faalt, indien wij twijfelen.
4. Hij is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer, ene dunamoothê, hij werd gesterkt in het geloof, zijn geloof won grond door de oefening. Ofschoon het zwakke geloof niet afgewezen, het gekrookte riet niet verbrijzeld, de rokende vlaswiek niet geblust zal worden, wordt toch het sterke geloof aanbevolen en geëerd. De kracht van zijn geloof bleek uit de overwinning, die het over zijne vrees behaalde. En daarbij gaf hij de eer aan God, want gelijk het ongeloof God onteert door Hem tot een leugenaar te maken, 1 Johannes 5:10, zo geeft het geloof God de eer door te bezegelen dat Hij getrouw is, Johannes 3:33. Abrahams geloof gaf Gode de eer van Zijn wijsheid, macht, heiligheid en goedheid en bepaaldelijk Zijn getrouwheid, door te rekenen op het woord dat Hij gesproken had. Wij mensen zeggen van elkaar: Hij, die een ander vertrouwt, geeft hem krediet en eert hem door hem op zijn woord te geloven. Zo gaf Abraham Gode de eer door op Zijn woord te vertrouwen. Wij horen onzen Heere Jezus geen enkel ding zo voortdurend aanbevelen als een krachtig geloof, Mattheus 8:10, 15:28, en daarom geeft God eer aan het geloof, aan het grote geloof, omdat het geloof, het grote geloof Gode de eer geeft.
5. Hij was ten volle verzekerd, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen, plêrophorêtheis, hij was vervuld met het grootste vertrouwen en de grootste verzekerdheid, het is een vergelijking ontleend aan een schip, dat met volle zeilen de haven binnenvalt. Abraham zag de stormen van twijfel en vrees en verzoekingen, die tegen de belofte zouden opsteken, waarvoor menigeen het zeil zou gestreken hebben om tot beter dagen de reis uit te stellen en te wachten op een vriendelijker getij van gevoel en rede. Maar Abraham, die God tot loods had en de belofte tot kaart en kompas, besloot de reis te aanvaarden en zette als goed zeeman alle zeilen bij, worstelde door alle moeilijkheden heen, lette niet op wind of wolken, maar vertrouwde op de deugdelijkheid van zijn schip en de wijsheid en getrouwheid van zijn loods, en behaalde moedig de haven, om thuis te komen met onberekenbare winst. Zo was zijn vaste overtuiging, die gegrond was op de almacht Gods: die was machtig. Onze aarzelingen komen voornamelijk voort uit ons wantrouwen van de goddelijke macht, en dus: om vast te staan is het niet alleen nodig te geloven dat Hij getrouw is, maar ook dat Hij machtig is te doen wat Hij beloofd heeft. En daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend, vers 22. Omdat hij met zulk een vertrouwen alles waagde in de goddelijke belofte, nam God hem genadig aan, en beantwoordde niet alleen aan, maar deed boven de verwachting. Deze wijze van God-verheerlijking door een vast vertrouwen op Zijn enkele belofte was zo hoogst overeenkomstig met Gods voornemens en zo beantwoordende aan Zijne eer, dat Hij haar genadig aannam als rechtvaardigheid, en hem rechtvaardigde ofschoon er in de daad zelf niets was, dat zulk een aanneming kon verdienen. Dit toont aan waarom het geloof verkoren is om de eerste voorwaarde voor onze rechtvaardigmaking te zijn, omdat het de genade is, die van al de volgende Gode de eer geeft.