Romeinen 9:1-5
Wij hebben hier des apostels plechtige verzekering van zijn grote belangstelling in het volk der Joden, het was hem tot grote droefheid dat zo velen hunner vijanden van het Evangelie en buitengesloten van den weg der zaligheid waren. Het was hem een grote droefheid en een gedurige smart. Zulk ene bekentenis was nodig om de verdenking weg te nemen, die hij anders op zich had kunnen laden door het mededelen en bewijzen van hun uitwerping. Het is wijsheid die waarheden zoveel mogelijk te verzachten, welke hard kunnen klinken en onaangenaam zich voordoen. Daardoor wordt de spijker geolied, en kan hij des te gemakkelijker ingeslagen worden. De Joden hadden een groter afkeer van Paulus dan van een der andere apostelen, gelijk blijkt uit de Handelingen der Apostelen, en waren daardoor bereid om hem al wat hij zei des te meer kwalijk te nemen. Om dat te voorkomen begint hij zijn betoog met deze tedere en toegenegen bekentenis, opdat zij niet zouden denken dat hij leedvermaak had of zegepraal gevoelde over de verwerping van de Joden, of behagen schepte in de onheilen die over hen gekomen waren. Zo beriep Jeremia zich op God ten aanzien van de Joden zijner dagen, wier verwoesting naderbij kwam, Jeremia 17:16 :Ik heb den dodelijken dag niet begeerd, Heere, Gij weet het! Neen, Paulus is er zo ver af dien te begeren, dat hij hem op de innigste wijze tracht te verbidden. In geen geval moet men dit houden voor een schijnvertoning om hen te vleien en te behagen.
I. Hij legt zijn verklaring af met een plechtige bevestiging, vers 1. Ik zeg de waarheid in Christus. "Ik zeg dit als Christen, als een van Gods volk, van de kinderen die niet liegen zullen, als een die niet met vleierij weet om te gaan." Of: "ik beroep mij op Christus, die de harten doorzoekt, wat deze zaak betreft." Hij beroept zich daarbij op zijn eigen geweten, dat de plaats inneemt van duizend getuigen. Hetgeen hij ging zeggen was niet alleen een groot en gewichtig ding (zulke plechtige bevestigingen mag men niet gebruiken bij nietigheden), maar het was evenzeer een verborgenheid, het betrof hier ene droefheid zijns harten, waarvan niemand bevoegde getuige was dan God en zijn eigen geweten. Dat het mij een grote droefheid is en mijn hart een gedurige smart, vers 2. Hij noemt niet wat het is, de vermelding daarvan reeds was onaangenaam en te persoonlijk, maar het is duidelijk dat hij de verwerping der Joden bedoelt.
II. Hij rugsteunt zijn verklaring met een zeer ernstige vervloeking van zich zelven, die hij bereid was zich te berokkenen uit liefde voor de Joden. Ik zou zelf wel wensen, hij zegt niet, ik wens wel, want het middel was niet geschikt ter bereiking van het doel, maar, om zo te zeggen, ik zou kunnen wensen, verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, een zeer hoge trap van ijver en genegenheid voor zijn volksgenoten. Hij zou bereid zijn de grootst-mogelijke ellende te ondergaan voor hun welzijn. De liefde is bekwaam om zo stout, zo wagend en zo zelf verloochenend te zijn. Aangezien de heerlijkheid van God in de verlossing van zo velen verkozen moet worden boven het welzijn en de gelukzaligheid van een enkel persoon, zou Paulus zich gelukkig achten zo hij met zijn eigen zaligheid, indien die daarvoor in aanmerking komen kon, de hun kon kopen.
1. Hij zou gaarne uit het land der levenden afgesneden worden op de schandelijkste en vreeslijkste wijze als een vervloeking of als een slachtoffer. Zij dorstten naar zijn bloed en vervolgden hem als een der onwaardigste personen van de wereld, de vloek en de plaag van zijn geslacht, 1 Corinthiërs 4:13, Handelingen 22:22. "Welnu", zegt Paulus, "ik ben bereid om dat alles en nog veel meer tot uw welzijn te verdragen. Versmaad mij zoveel gij wilt, roep en scheld tegen mij naar uw welgevallen, uw ongeloof en uw verwerping verwekken in mijn hart een droefheid, zoveel groter dan al de moeiten die gij mij aandoet, dat ik daarop kan neerzien als zeer draaglijk, ja als begeerlijk indien ik daardoor uw verwerping kon afweren."
2. Hij zou wel willen verbannen te zijn uit de gemeenschap der gelovigen, afgescheiden van de gemeente en van de gemeenschap der heiligen, als een heiden en tollenaar, indien dat hun enigszins nuttig kon zijn. Hij kon wensen dat zijn naam uitgewist ware uit de herinnering der heiligen en uit het lidmatenboek der kerk, ofschoon hij zulk een voornaam stichter van gemeenten was en de geestelijke vader van zo vele duizenden, ja hij zou willen ontkend worden door de gemeente en van alle gemeenschap met haar afgesneden, zodat zijn naam in vergetelheid of verachting begraven was, tot het welzijn der Joden. Mogelijk hadden sommige Joden een afkeer van het Christendom om Paulus' wil, zulk een haat hadden zij tegen hem dat zij om zijnentwil den godsdienst haatten. "Indien dit u een struikelblok is," zegt Paulus, "dan zou ik kunnen wensen dat ik buiten geworpen werd, niet als Christen aangenomen werd, opdat gij mocht binnenkomen". In een dergelijke aandrift van genegenheid smeekte Mozes: "Delg mij nu uit uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt." Exodus 32:33.
3. Zelfs menen sommigen dat Paulus met deze uitdrukking nog veel meer bedoelt, en dat hij wel zou wensen afgesneden te worden van zijn aandeel aan de gelukzaligheid in Christus, indien dat een middel tot hun verlossing kon zijn. De gewone liefdadigheid begint bij zich zelve, maar deze gaat veel verder, is edeler en staat hoger.
III. Hij noemt ons de reden voor deze genegenheid en belangstelling.
1. Omdat zij van zijn geslacht zijn, mijne broederen, die mijne maagschap zijn naar het vlees, vers 3. Ofschoon zij bij alle gelegenheden zeer bitter tegen hem gestemd waren, en hem de meest onnatuurlijke en barbaarse behandeling deden ondergaan, toch spreekt hij zo eervol over hen. Hij toont hierdoor een man met een vergevensgezind gemoed te zijn.
Niet alsof ik iets had om mijn volk te beschuldigen, Handelingen 28:19. Mijne broederen. Paulus was een Hebreeër uit de Hebreeën. Wij behoren op bijzondere wijze belang te stellen in het geestelijk welzijn van onze betrekkingen, onze broederen en familieleden. Jegens hen rusten bijzondere verplichtingen op ons, en wij hebben meer gelegenheid om hun wel te doen, en daarom moeten wij er voor alles op bedacht zijn om in hen belang te stellen en hun nuttig te zijn.
2. Vooral om hun betrekking tot God, vers 4-5. Welke Israëlieten zijn, het zaad van Abraham, den vriend Gods, en van Jakob, Gods uitverkorene, opgenomen in Zijn bijzonder verbond, verwaardigd en onderscheiden om zichtbare kerkelijke voordelen te genieten, waarvan vele hier opgenoemd worden.
A. De aanneming tot kinderen, niet die aanneming, welke zaligmakend is en aanspraak geeft op eeuwige gelukzaligheid, maar die welke uitwendig en typisch was en recht gaf op het land Kanaän. Israël is Mijn zoon, Exodus 4:22.
B. En de heerlijkheid, de arke met het verbondsdeksel, waarboven God woonde tussen de cherubs, die was de heerlijkheid Israël's, 1 Samuël 4:21. De vele symbolen en tekenen van de goddelijke tegenwoordigheid en leiding, de wolk, de Schechinah, de onderscheidende gunsten hun verleend, deze waren hun heerlijkheid. met Abraham en dikwijls, bij onderscheiden gelegenheden, met zijn zaad vernieuwd. Er was een verbond op Sinaï, Exodus 24, in de velden van Moab Deuteronomium 29, te Sichem, Jozua 24, en dikwijls daarna, en deze allen behoorden aan Israël. Of: het bijzonder verbond, en daarin, als in een type, het verbond der genade.
D. En de wetgeving. Aan hen werd de ceremoniële en gerechtelijke wet gegeven, en de zedelijke wet werd hun op schrift toevertrouwd. Het is een groot voorrecht de wet van God te bezitten en het wordt ook alzo genoemd, Psalm 142:19, 20.. Dat was de grootheid van Israël, Deuteronomium 4:7, 8.
E. En de dienst van God. Zij hadden de instellingen van de aanbidding van God, den tempel, de altaren, de priesters, de offeranden, de feesten en de instellingen die daarbij dienden. In dit opzicht waren zij grotelijks bevoorrecht, dat, terwijl andere volken hout, steen en duivelen aanbaden en dienden, en steeds goden van hun eigen maaksel er bij bedachten, de Israëlieten God mochten dienen op de door Hem zelven voorgeschreven wijze.
F. En de beloften. Bijzondere beloften gevoegd bij het verbond in het algemeen, beloften betreffende den Messias en de bedeling des Evangelies. Merk op: De beloften vergezellen de wetgeving en den dienst van God, want de troost der beloften wordt verkregen in gehoorzaamheid aan de wet en in waarneming van dien dienst.
G. Welker zijn de vaders, vers 5. Abraham, Izaäk en Jakob, die beroemde mannen, en zij waren er trots genoeg op: Wij hebben Abraham tot een vader. Het was ter wille van hun vaderen, dat zij in het verbond opgenomen waren, Hoofdstuk 11:28.
H. Maar de grootste eer van alles was, dat uit hen was Christus, zoveel het vlees aangaat (dat is, naar Zijn menselijke natuur, want Hij nam het zaad Abrahams aan, Habakuk 2:16). Zoveel Zijn goddelijke natuur aangaat, is Hij de Heere uit den hemel, maar naar Zijn menselijke natuur is Hij het zaad Abrahams. Dit was het grote voorrecht, dat Christus van hun maagschap was. Nu hij Christus noemt, voegt hij daarbij een zeer belangrijk woord, Hem betreffende: dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, amen! Opdat de Joden niet gering over Hem zouden denken, omdat Hij van hun maagschap was, spreekt hij hier zo eerbiedig over Hem, en bovendien levert hij een afdoend bewijs voor de godheid van Christus, Hij staat niet alleen als Middelaar boven allen, maar Hij is God, die boven allen te prijzen is in der eeuwigheid. Daarom hoe veel te zwaarder straf zullen zij waardig geacht worden, die Hem verwerpen! Daarbij was het ene eer voor de Joden en een der redenen waarom Paulus hun zo genegen was, dat toen God boven allen te prijzen in eeuwigheid mens wilde worden, Hij besloot Jood te worden, en in aanmerking genomen de houding en het karakter van dat volk te dien tijde, kan het wel beschouwd worden als een deel van Zijne vernedering.