Genesis 9:1-7
Aan het einde van het vorige hoofdstuk lazen wij de zeer vriendelijke woorden, die de Heere zei in Zijn hart betreffende het overblijfsel van het mensdom, dat nu overgelaten was om het zaad van een nieuwe wereld te wezen. Nu worden hier deze vriendelijke dingen tot hen gezegd, in het algemeen: God zegende Noach en zijn zonen, vers 1. Dat is: Hij verzekerde hen van Zijn welwillendheid jegens hen, en van Zijn genaderijke bedoelingen met hen. Dit volgt uit hetgeen Hij zei in Zijn hart. Alle beloften Gods van het goede vloeien voort uit Zijn voornemens van de liefde en de raad van Zijn wil. Zie Efeze 1:11, en vergelijk Jeremia 29:11 : Ik weet de gedachten, die Ik over u denk. In Hoofdstuk 8:20 lazen wij hoe God Noach zegende bij zijn altaar en offer en nu lezen wij hier hoe God Noach zegende. God zal genadig diegenen zegenen, dat is: wèl bij hen doen, die in oprechtheid Hem zegenen, dat is: wèl van Hem spreken. Zij, die in waarheid dankbaar zijn voor de zegeningen, die zij hebben ontvangen, gebruiken het zekerste middel om die zegen bevestigd te zien en blijvend te maker).
Nu hebben wij hier het "Magna charta, de grote handvest," van dit nieuwe koninkrijk van de natuur, dat opgericht stond te worden en ingelijfd, daar de vorige handvest verbeurd en dus ingetrokken was.
I. De schenkingen door die handvest verleend, zijn vriendelijk en welwillend voor de mensen. Hier is
1. Een schenking van land van grote uitgestrektheid, en een belofte van toeneming van mensen om dat land te bezitten en te genieten. De eerste zegen wordt hier hernieuwd: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde, vers 1, en herhaald in vers 7, want het mensengeslacht moest, om zo te zeggen, van nieuws aan beginnen. Nu stelt God hun de gehele aarde voor en zegt hun, dat zij, zo lang zij blijft, voor hen is en voor hun erfgenamen. De aarde heeft God aan de mensen kinderen gegeven tot een bezitting en een woning, Psalm 115:16. Hoewel zij geen paradijs is, maar veeleer een wildernis, is zij toch beter dan wij verdienen. Geloofd zij God, zij is de hel niet. Hij geeft hun een zegen, krachtens welke het mensdom zowel vermenigvuldigd wordt, als voortduurt op de aarde, zodat binnen korte tijd al de bewoonbare plaatsen van de aarde meer of min bevolkt zullen worden, en hoewel het ene geslacht voorbijgaat, zal toch een ander in zijn plaats komen, zodat het menselijk geslacht in voortdurende opvolging zal zijn, parallel zal lopen met de stroom des tijds, totdat beide tezamen overgaan in de oceaan van de eeuwigheid. Hoewel de dood nog heerst en de Heere bekend wordt gemaakt door Zijn oordelen, zal toch de aarde nooit meer ontvolkt worden, zoals zij nu ontvolkt was, maar steeds vervuld blijven, Handelingen 17:24-26.
2. Een schenking van macht over de lagere schepselen, vers 2. Hij schenkt hun:
a. Een recht op hen. Zij zijn in uw hand overgegeven. ter uwer voordeel en gebruik.
b. Een heerschappij over hen, zonder welke het recht hun van weinig nut zou wezen. Ulieder vrees en ulieder verschrikking zal op ieder dier zijn. Dit is de vernieuwing van een vorige schenking, Hoofdstuk 1:28, alleen met dat verschil dat de mens in zijn staat van de onschuld geheerst heeft door liefde, en dat de gevallen mens heerst door vrees. Nu blijft deze schenking van kracht, en tot op de huidige dag hebben wij er nog het voordeel van. De dieren welke ons op enigerlei wijze nuttig zijn, zijn getemd, en wij gebruiken ze, hetzij tot diensten, of tot spijze, of wel voor beide naardat zij er voor geschikt zijn. Het paard en de os onderwerpen zich geduldig aan toom en juk, en het schaap is stom voor het aangezicht van zijn scheerders, en voor het aangezicht des slachters, want de vrees en de verschrikking des mensen is over hen. De dieren, welke op enigerlei wijze schadelijk voor ons zijn, zijn in bedwang gehouden, zodat, hoewel nu en dan een mens door sommige van hen geschaad kan worden, zij zich toch niet tezamen verenigen om in opstand te komen tegen de mens, want anders zou God door hen de wereld evengoed kunnen verwoesten als Hij het door de watervloed gedaan heeft, het is een van de boze gerichten Gods, Ezechiël 14:21. Wat is het, dat de wolven buiten onze steden houdt, en de leeuwen van onze straten, en ze beperkt in de woestijn, wat anders dan deze vrees en verschrikking? Ja sommigen er van zijn getemd, Jakobus 3:7.
3. Een schenking tot onderhoud des levens vers 3. Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze. De meesten denken, dat de mens tot nu toe voor zijn voedsel beperkt werd tot de voortbrengselen van de aarde, vruchten, kruiden en wortels, benevens alle soorten van koren en melk, daarin bestond de eerste schenking Hoofdstuk 1:29. Daar echter de vloed misschien veel van de kracht van de aarde had weggespoeld, waardoor haar vruchten minder aangenaam en minder voedzaam zijn geworden, heeft God nu de schenking uitgebreid en de mens toegestaan om vlees te eten, waaraan de mens zelf wellicht nooit gedacht heeft totdat God er hem nu op wees, noch had hij er enige begeerte naar, evenmin als een schaap begeerte heeft om, gelijk de wolf, bloed te zuigen. Maar nu wordt het de mens vergund vlees te eten, er zich zo vrij en zo veilig mee te voeden als met het groene kruid. Zie nu hier:
a. Dat God een goede Meester is, en er in voorziet, niet slechts dat wij kunnen leven, maar genoeglijk en wèl kunnen leven in Zijn dienst, dat wij niet slechts het noodzakelijke, maar ook bet aangename hebben.
b. Dat alle schepsel Gods goed is, en niets verwerpelijk, 1 Timotheus 4:4. Later zijn sommige spijzen, die anders wel geschikt zijn tot voedsel, door de ceremoniële wet verboden, maar van den beginne schijnt het alzo niet geweest te zijn, en daarom is het ook niet zo onder het evangelie.
II. De voorschriften en voorwaarden van deze handvest zijn niet minder vriendelijk en genaderijk, en voorbeelden van Gods welwillendheid jegens de mens. De Joodse rabbijnen spreken zo dikwijls van de zeven geboden van Noach, of van de zonen van Noach die, zeggen zij, door alle volken gehouden moeten worden, dat het niet ten onpas is om ze hier te noemen. Het eerste is tegen de aanbidding van afgoden. Het tweede is tegen Godslastering en stelt de eis om de naam Gods te loven. Het derde tegen moord. Het vierde tegen bloedschande en ontucht. Het vijfde tegen diefstal en roof. Het zesde eist de bedeling des rechts. Het zevende is tegen het eten van vlees met het leven. De Joden eisten de waarneming daarvan van de proselieten van de poort. Maar de voorschriften, of geboden, hier gegeven, betreffen alle het leven van de mens.
1. De mens moet zijn eigen leven niet benadelen door het eten van ongezond voedsel vers 4. Vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, dat is: "rauw vlees zult gij niet, zoals de roofdieren, eten". Het was nodig deze beperking te maken aan de schenking van de vrijheid om vlees te eten, opdat zij niet, in stede van hun lichaam er mee te voeden, hun lichaam er door verderven of benadelen. Hiermede heeft God willen tonen:
a. Dat zij wel heren waren over de dieren, maar toch onderdanen van de Schepper, en onder het bedwang van Zijn wet. b. Dat zij niet gulzig en haastig moeten zijn in het nemen van spijze, maar op de toebereiding er van moeten wachten, niet zoals de krijgsknechten van Saul, 1 Samuël 14:32, en geen vleesvraten moeten zijn, Spreuken 23:20.
c. Dat zij niet wreed en barbaars moeten zijn jegens de mindere schepselen, zij moeten heren, maar niet tirannen zijn, zij mogen hen doden tot hun nut, maar niet pijnigen tot hun vermaak, aan geen dier mogen zij een lid afscheuren, terwijl het nog leeft, om dat te eten.
d. Dat, zolang de wet van de offeranden geldig was, waarin het bloed verzoening doet voor de ziel, Leviticus 17:11 (betekenende dat het leven van het offer aangenomen was in de plaats van het leven van de zondaar) het bloed niet als iets gewoons, iets gemeens, beschouwd moet worden, maar uitgegoten moet worden voor de Heere, 2 Samuël 23:16, hetzij op Zijn altaar, of op Zijn aarde. Maar nu het grote en ware offer geofferd is, houdt met de reden ook de verplichting er van op.
2. De mens moet zichzelf het leven niet benemen, vers 5. Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eisen. Ons leven is het onze niet, dat wij mogen afleggen als het ons behaagt, maar het is van God, en wij moeten het overgeven naar Zijn welbehagen. Indien wij op enigerlei wijze onze eigen dood verhaasten, dan zullen wij er rekenschap van hebben te geven aan God
3. Aan de dieren moet niet toegelaten worden het leven van de mens te schaden, van de hand van al het gedierte zal Ik het eisen. Om te tonen hoe zorgvol Hij was voor het leven van de mens, hoewel Hij kort tevoren zoveel mensenlevens had vernietigd, wil Hij dat het dier gedood zal worden, dat een mens doodt. Dit werd bevestigd door de wet van Mozes Exodus 21:28 en ik denk dat het niet onveilig zou zijn om nu nog naar die wet te handelen. Aldus toonde God Zijn haat tegen de zonde van moord, opdat de mensen haar te meer zouden haten, en haar niet slechts zouden straffen, maar voorkomen. Zie Job 5:23.
4. Moedwillige moordenaars moeten ter dood gebracht worden. Dit is de zonde, die hier bedoeld wordt in bedwang te worden gehouden door de vrees voor straf.
a. God zal moordenaars straffen van de hand van eens iegelijks broeder zal Ik de ziel des mensen eisen, dat is: "Ik zal het bloed van de vermoorde wreken op de moordenaar", 2 Kronieken 24:22. Als God het leven eens mensen eist van de hand van hem, die het hem onrechtvaardiglijk benomen heeft, dan kan de moordenaar dat leven niet teruggeven, en daarom moet hij het zijne in de plaats er van geven, hetgeen het enige middel is om vergelding te doen. De rechtvaardige God zal voorzeker onderzoek doen naar bloed hoewel de mensen het niet kunnen of niet willen. Op de een of andere tijd, in deze wereld of in de toekomende, zal Hij de moorden ontdekken, die voor der mensen oog verborgen bleven, en de erkende moorden straffen, die te zwaar waren voor de hand van de mensen.
b. De overheid moet de moordenaars straffen vers 6. Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, hetzij in plotselinge drift, of met voorbedachten rade, (want onbezonnen toorn is moord in het hart, evengoed als voorbedachte kwaadwilligheid, Mattheus 5:21, 2. Zijn bloed zal door de mens vergoten worden, dat is: door de overheid, of door wie anders, die aangesteld is om de bloedwreker te zijn. Er zijn zodanigen, die hiervoor de dienaren Gods zijn tot bescherming van de onschuldigen, door de schrik te wezen voor de kwaadwilligen en de boosdoeners, en zij moeten "het zwaard niet tevergeefs dragen," Romeinen 13:4. Vóór de zondvloed heeft God, gelijk blijkt uit de geschiedenis van Kaïn, het straffen van moord zelf in handen genomen, maar nu heeft Hij dit oordeel overgegeven aan mensen, eerst aan gezinshoofden, later aan hen, die het hoofd waren van landen, aan staatshoofden, die getrouw behoren te zijn aan de last, die hun is opgedragen. Moedwillige moord behoort altijd met de dood te worden gestraft. Het is een zonde, "die de Heere niet wilde vergeven" in een vorst, 2 Koningen 24:3, 4, en die een vorst dus ook niet behoort te vergeven in een onderdaan. Aan deze wet wordt een reden toegevoegd: want God heeft, in den beginne, de mens naar Zijn beeld gemaakt, de mens is een schepsel, dat dierbaar is aan zijn Schepper, en daarom behoort het ook ons dierbaar te zijn. God heeft eer gelegd op de mens, zo laat ons dan geen smaadheid op hem leggen. Er zijn, zelfs in de gevallen mens, nog overblijfselen van Gods beeld, zodat hij, die onrechtvaardig een doodt, het beeld Gods schendt en Hem oneer aandoet. Toen God aan de mensen toestond hun beesten te doden, heeft Hij hun toch verboden hun slaven te doden, want deze zijn van veel edeler en voortreffelijker natuur, zij zijn niet slechts Gods schepselen, zij zijn ook Gods gelijkenis, Jakobus 3:9. Alle mensen hebben iets van Gods beeld in zich, maar magistraten hebben daarbij ook nog het beeld van Zijn macht, en de heiligen dragen het beeld van Zijn heiligheid, daarom laden zij, die het bloed vergieten van vorsten of heiligen, een dubbele schuld op zich.