Genesis 48:1-7
I. Op het bericht van zijn vaders ziekte gaat Jozef hem bezoeken. Hoewel hij een man van aanzien was en veel drukke werkzaamheden had, zal hij toch niet in gebreke blijven om zijn hoogbejaarde vader dit blijk van achting en eerbied te geven, vers 1. Zieken te bezoeken, aan wie wij verplichting hebben, of aan wie wij naar lichaam en ziel kunnen weldoen, is onze plicht. Het ziekbed is een geschikte plaats, beide om aan anderen vertroosting en raad te geven, en om voor onszelf onderricht te ontvangen. Jozef nam zijn twee zonen mee opdat zij de zegen van hun stervende grootvader zouden ontvangen, en opdat zij hem zouden zien en van hem zouden horen, een blijvende indruk op hen zou maken. Het is goed om jonge lieden, die de wereld pas beginnen, bekend te maken met Gods oude dienstknechten, die haar gaan verlaten, en die met stervende lippen uitgesproken getuigenis van de goedheid Gods en van de lieflijkheid van de wegen van de wijsheid, een grote bemoediging kan zijn voor het opkomend geslacht. Ik denk dat Manasse en Efraïm wel nooit vergeten zullen hebben wat er toen is voorgevallen. Godvruchtige ouders wensen een zegen, niet alleen voor zichzelf, maar ook voor hun kinderen. "O dat zij voor Gods aangezicht mochten leven!" Jozef is, meer dan al zijn broeders, vriendelijk geweest voor zijn vader, en daarom had hij reden om bijzondere gunst van hem te verwachten.
II. Toen Jakob bericht ontving dat zijn zoon hem kwam bezoeken, heeft hij zich zo goed hij kon opgeknapt om hem te ontvangen, vers 2. Hij probeerde zijn krachten te verzamelen en de gave, die in hem was, op te wekken, en zat op het bed. Het is goed voor zieken en ouden van dagen, om zo levendig en opgeruimd te zijn als zij kunnen, opdat zij in de dag van de benauwdheid niet slap zijn. Versterk u, zoals Jakob zich hier versterkt heeft, en God zal u versterken, bemoedig uzelf en help uzelf, en God zal u helpen en u bemoedigen. Laat uw geest uw ziekte ondersteunen, Spreuken 8:14.
III. Om Jozef te belonen voor al de zorg en oplettendheid, die hij hem betoond heeft adopteert hij zijn twee zonen. Bij het verlenen van dit voorrecht van de aanneming, doet hij hem:
1. Een bijzonder verhaal van Gods belofte aan hem, waarop deze aanneming betrekking heeft. "God heeft mij gezegend," vers 3, en laat die zegen nu op hen overgaan. God had hem twee dingen beloofd: een talrijke nakomelingschap, en het land Kanaän tot een erfdeel, vers 4, en als gevolg hiervan zullen Jozefs zonen zich vermenigvuldigen, ieder tot een stam, en ieder van hun zal een apart deel hebben in Kanaän, gelijk aan dat van Jakob's zonen. Zie hoe hij hen zegende in het geloof aan wat God tot hem gezegd heeft, Hebreeën 11:21. In al onze gebeden, zo voor ons als voor onze kinderen, moeten wij speciaal het oog hebben op Gods beloften aan ons.
2. Neemt hij Jozefs zonen uitdrukkelijk op in zijn eigen gezin: "Uw twee zonen zullen mijne zijn," vers 5, zij zullen niet alleen mijn kleinkinderen zijn, maar als mijn eigen kinderen zijn." Zij waren in Egypte geboren, en hun vader was toen afgezonderd van zijn broeders waardoor zij afgesneden zouden kunnen schijnen van het erfdeel des Heeren, maar Jakob neemt hen er in op, en erkent hen als leden van de zichtbare kerk. Hij verklaart dit in vers 16. "Dat in hen mijn naam genoemd worde en de naam mijner vaderen, " alsof hij gezegd had: "Laat hen hun vader niet opvolgen in zijn macht en grootheid hier in Egypte, maar laat hen mij opvolgen in het erfdeel van de belofte, gedaan aan Abraham", wat Jakob van veel hoger waarde en eer achtte te zijn, en hij wenste, dat dit ook door hen op prijs gesteld en begeerd zal worden. Aldus leert de oude, stervende aartsvader deze jonge lieden nu zij meerderjarig waren, (daar zij ongeveer een en twintig jaar oud waren) niet op Egypte te zien als het hunne, zich ook niet met de Egyptenaren te verenigen of te vermengen, maar zich bij het volk van God te voegen, zoals Mozes later in een dergelijke verzoeking ook gedaan heeft, Hebreeën 11:24-26.- En omdat dit een daad van zelfverloochening zou wezen in hen, die zozeer in de gelegenheid waren om in Egypte tot eer en aanzien te komen, als zij de geminachte Hebreeën trouw zijn, heeft hij, om hen te bemoedigen ieder van hun tot hoofd van een stam gesteld. Diegenen zijn dubbele eer waardig, die door Gods genade de verzoeking van wereldse rijkdom en bevordering weerstaan, om de Godsdienst, die in minachting is, te omhelzen. Jakob wil dat Efraïm en Manasse zullen geloven, dat het beter is gering te zijn en in de kerk, dan hoog van aanzien en er buiten, dat het beter is naar de naam genoemd te worden van de arme Jakob, dan naar die van de rijke Jozef.
3. Een bepaling gemaakt ten opzichte van de kinderen, die hij later zou kunnen hebben, deze moeten niet als hoofden van stammen geacht worden, zoals Efraïm en Manasse, maar zich voegen bij de een of de ander van hun broeders, vers 6. Het blijkt niet dat Jozef meer kinderen gehad heeft, maar het was Jakob's wijsheid om die aanwijzing te geven ter voorkoming van ruzie. Bij het maken van bepalingen is het verstandig om raad in te winnen, en daar wij niet kunnen voorzien wat gebeuren zal, schikkingen te maken voor wat er gebeuren kan. Onze voorzichtigheid moet samengaan met Gods voorzienigheid.
4. Er wordt melding gemaakt van de dood en de begrafenis van Rachel, Jozefs moeder en Jakob's meest geliefde vrouw, vers 7, verwijzende naar het verhaal er van in Genesis 35:19. Als wij zelf komen te sterven, dan is het goed om de dood te gedenken van onze geliefde bloedverwanten en vrienden, die ons voorgegaan zijn, ten einde ons meer met de dood en het graf gemeenzaam te maken. Zie Numeri 27:13. Zij, die ons als onze eigen ziel geweest zijn, zijn dood en begraven, en zullen wij het dan erg vinden hen op dezelfde weg te volgen? Het heengaan van onze geliefde is een beproeving, en de herinnering daaraan zal ons zeker gedurende lange tijd bijblijven. Sterke genegenheid moet wel een langdurig verdriet als gevolg hebben, als wij het voorwerp van die genegenheid moeten missen.