Mattheus 11:1-6
Het eerste vers van dit hoofdstuk wordt door sommigen bij het laatste hoofdstuk gevoegd, zodat het daar-niet ongepast-het slot van wordt.
1. De bevestigingsrede, die Christus in het vorige hoofdstuk voor Zijne discipelen heeft uitgesproken, wordt hier genoemd "bevelen aan hen." Als Christus ene opdracht geeft, zijn daar altijd bevelen in opgesloten. Hun prediken van het Evangelie was hun niet slechts toegelaten, het was hun geboden. Het was gene zaak ten opzichte waarvan hun vrijheid was gelaten om het al of niet te doen, neen, de nood was hun opgelegd, 1 Corinthiërs 9:16, De beloften, die Hij hun gaf, lagen opgesloten in deze bevelen, want het verbond der genade is "een woord, dat Hij bevolen heeft," Psalm 105:8 1). Hij had geëindigd bevelen te geven, Etelesen diatassôn. De instructies van Christus zijn volledig. Hij gaat door met Zijn werk. Toen Christus aan Zijne discipelen gezegd had, wat Hij hun te zeggen had, vertrok Hij van daar. Het scheen, dat zij er zeer afkerig van waren hun Meester te verlaten voordat Hij "van daar voortging" en van hen scheidde, gelijk de voedster hare hand terugtrekt, opdat het kind lere alleen te lopen. Christus wilde hun nu leren te leven en te arbeiden zonder dat Hij lichamelijk bij hen was. Het was hun nut, dat Christus voor ene wijle van hen weg ging, ten einde hen aldus voor te bereiden voor de langdurige scheiding, en opdat, door de hulp des Geestes, "hun handen hun genoegzaam zouden zijn", Deuteronomium 33:7, en zij niet altijd kinderen zouden blijven. Er is ons weinig bericht van hetgeen zij deden bij het volvoeren van den hun gegeven last. Ongetwijfeld zijn zij uitgegaan, waarschijnlijk in Judea (want tot nu toe was het Evangelie meest in Galilea gepredikt) om de leer van Christus bekend te maken, en in Zijn naam wonderen te doen, maar toch in onmiddellijke afhankelijkheid van Hem en niet zeer lang van Hem gescheiden zijnde, en aldus zijn zij trapsgewijze opgeleid geworden voor hun groot werk. Christus vertrok om "te leren en te prediken in hun steden", waar Hij te voren Zijne discipelen had gezonden om wonderen te doen, Hoofstuk 10:1-8, en aldus de verwachting des volks gaande te maken en den weg te bereiden voor Zijne ontvangst. Aldus is "de weg des Heeren bereid" geworden. Johannes heeft hem bereid door het volk tot bekering op te wekken, maar hij heeft gene wonderen gedaan. De discipelen gaan verder, zij doen wonderen ter bevestiging. Bekering en geloof bereiden het volk voor de zegeningen van het koninkrijk des hemels, die Christus geeft. Toen Christus hen machtigde om wonderen te werken, heeft Hij zich zelven bezig gehouden met lering en prediking, als of dat het grootste, het meest eervolle werk was. Het ene geschiedde slechts om den wille van het andere. De kranken te genezen was hun lichaam te behouden, maar het Evangelie te prediken, dat is te arbeiden aan de behoudenis der zielen. Christus had Zijne discipelen gezonden om te prediken, Hoofdstuk 10:7, maar Hij heeft niet afgelaten van zelf te prediken. Hij zette hen aan het werk, niet voor Zijn eigen gemak, maar tot welzijn van het land, en Hij heeft, hen doende arbeiden, daarom zelf niet minder gearbeid, Hoe ongelijk zijn zij aan Christus, die aan anderen slechts werk opleggen, om zelf lui en ledig te zijn. De toeneming en de menigte der arbeiders in des Heeren werk moet geen voorwendsel zijn voor onze eigene nalatigheid, maar ene aansporing van onzen ijver. Hoe ijveriger anderen zijn, hoe ijveriger wij zelven moeten wezen, en er is zo veel te doen, dat het nog weinig genoeg is wat wij doen. Hij ging door om te prediken "in hun steden", die zeer volkrijk waren, Hij wierp het Evangelienet uit waar de meeste vissen gevangen konden worden. De wijsheid "roept in de straten, zij spreekt hare redenen in de stad, Prediker 1:21, "aan de zijde der poorten voor aan de stad", Prediker 8:3, in de steden der Joden, die Hem gering achtten, en die toch de eerste Evangelie nodiging ontvingen. Er is ons niet gezegd wat Hij predikte, maar waarschijnlijk was de strekking er van gelijk aan die van de Bergrede. Maar nu wordt hier ene boodschap vermeld van Johannes den Doper aan Christus, en Zijn antwoord er op, vers 2-6. Wij hebben te voren gehoord, dat Jezus van het lijden van Johannes gehoord had. Hoofdstuk 4:12. Nu wordt ons gezegd, dat Johannes in de gevangenis van Jezus' daden gehoord heeft. Hij hoorde in de gevangenis de werken van Christus, en ongetwijfeld heeft het hem verblijd ze te horen, want hij was een waar vriend van den Bruidegom, Johannes 3:29. Als het ene nuttige werktuig wordt weggenomen, dan kan God er vele andere voor in de plaats geven. Het werk ging voort, al was Johannes in de gevangenis, en dat voegde geen verdriet toe aan zijne banden, maar wel grote vertroosting. Als Gods kinderen zich in druk en benauwdheid bevinden, dan is er niets zo troostrijk voor hen als te horen van "de werken van Christus", inzonderheid ze te ervaren in hun eigene ziel. Hierdoor wordt ene gevangenis in een paleis verkeerd. Op de ene of andere wijze zal Christus wel van Zijne liefde doen blijken aan hen, die om des gewetens wil in moeilijkheid zijn. Johannes kon de werken van Christus niet zien, maar hij heeft er met vreugde van gehoord. En zalig zijn zij, die "niet gezien", maar alleen gehoord hebben, en toch "geloofd hebben." Johannes de Doper, nu horende van Christus' werken, zond twee zijner discipelen tot Hem, en wij hebben hier het verslag van hetgeen er tussen hen voorviel.
I. De vraag, die zij Hem te doen hadden: "Zijt Gij degene, die komen zou, of verwachten wij een anderen?" Dit was ene ernstige en gewichtige vraag: Zijt Gij de beloofde Messias, of niet? Zijt Gij de Christus? Zeg het ons. Het wordt dus beschouwd als erkend en aangenomen, dat de Messias komen zou. Het was een der namen, waaronder Hij bij Oud-Testamentische heiligen bekend was: "Hij die komt" of die zal komen, Psalm 118:26. Hij is nu gekomen, maar er is nog een komen van Hem, dat wij nog verwachten. Zij geven te kennen, dat, indien Hij dat niet is, zij "een anderen zullen verwachten." Wij moeten niet moede worden van uit te zien naar Hem, die komen zal, en nooit moeten wij zeggen, dat wij Hem niet langer verwachten, tot dat wij Hem zien zullen. Schoon Hij toeft, verwacht Hem, want Hij die te komen staat, zal komen, al is het dan niet in onzen tijd. Evenzo geven zij ook te kennen, dat, zo zij er van overtuigd worden, dat Hij het is, zij niet zullen twijfelen, of ongelovig zijn, zij zullen tevreden wezen en geen anderen verwachten. Daarom vragen zij: "Zijt gij het?" Van zich zelven had Johannes gezegd: "Ik ben de Christus niet," Johannes 1:20. Sommigen denken, dat Johannes ter zijner eigene voldoening met die vraag tot Christus gezonden heeft. Wel is waar, hij had een schoon getuigenis van Christus afgelegd. Hij had Hem verklaard te zijn de Zoon van God, Johannes 1:34, het Lam Gods, vers 29, en dat Hij "met den Heiligen Geest zou dopen, vers 33, en van "God gezonden was". Johannes 3:34, en dat waren grote dingen. Maar hij wenste er nog meer ten volle van verzekerd te wezen, dat Hij de Messias was, die zo lang beloofd en verwacht is geworden. In zake betreffende den Christus en onze verlossing en zaligheid door Hem, is het goed volkomen zekerheid te hebben. Christus is niet met die uitwendige praal en macht verschenen, waarmee men verwachtte, dat Hij komen zou, Zijne eigene discipelen zijn hierover gestruikeld, en wellicht was dit ook met Johannes het geval. Christus heeft iets hiervan op den bodem der vraag gezien, toen Hij zei: Zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd worden." Het is moeilijk, zelfs voor Godvruchtigen. tegenover dwalingen, die algemeen ingang hebben gevonden, stand te houden en bij de waarheid te blijven. Johannes' twijfeling kan ook voortgekomen zijn, uit de omstandigheden, waarin hij zich thans bevond. Hij was een gevangene, en zou in verzoeking kunnen zijn te denken: Indien Jezus waarlijk de Messias is, hoe komt het dan, dat ik, Zijn vriend en voorloper, mij in zulk ene ellende bevind, en er zo lang in gelaten word, dat Hij nooit naar mij omziet, mij niet bezoekt, niemand tot mij zendt, niet naar mij vraagt, niets doet om mijne gevangenschap te verlichten of mijne invrijheidstelling te verhaasten? Ongetwijfeld was er ene goede reden, waarom onze Heere Jezus niet tot Johannes in zijne gevangenis is gegaan, opdat het niet den schijn zou hebben, dat er ene overeenkomst, of afspraak tussen hen bestond, maar Johannes meende er onverschilligheid, of veronachtzaming in te zien, en dit was wellicht een schok voor zijn geloof. Waar wezenlijk geloof is, kan er toch ook nog ongeloof onder gemengd zijn. De besten zijn niet altijd even sterk. Lijden en verdrukking om Christus wil, inzonderheid als dit lang aanhoudt, zonder dat hulp of verlossing bespeurd wordt, zijn zulke geloofsbeproevingen, dat zij soms te zwaar blijken, om er standvastig onder te blijven. Het nog overgebleven ongeloof der Godvruchtigen kan soms, in de ure der verzoeking, den wortel aantasten, en aan de meest fundamentele waarheden doen twijfelen, die eerst zo wel bevestigd schenen. "Zal dan de Heere in eeuwigheid verstoten"? Maar wij willen hopen, dat het geloof van Johannes te dier zake niet gefaald heeft, en dat hij het slechts versterkt en bevestigd wenste te zien. De beste heiligen hebben behoefte aan de beste hulp, die zij kunnen verkrijgen tot versterking van hun geloof, en om zich te wapenen tegen de verzoeking tot ongeloof en afval. Abraham geloofde, en toch begeerde hij een teken, Genesis 15:6-8. Zo ook Gideon, Richteren 6:36, 37. Anderen zijn echter van mening, dat Johannes zijne discipelen met deze vraag tot Christus gezonden heeft, niet zo zeer voor zich zelf, als voor hen. Hoewel hij gevangen was, bleven zijne discipelen hem toch aanhangen, zij waren bij hem, bereid zijn onderwijs en instructies te ontvangen, zij hadden hem lief en wilden hem niet verlaten. Nu waren zij, ten eerste, zwak in kennis en weifelend in hun geloof: zij hadden behoefte aan onderwijs en bevestiging, en ten opzichte van deze zaak waren zij enigszins bevooroordeeld, ijverende voor hun meester, waren zij ijverzuchtig op onzen Meester. Het was hun tegen de borst Jezus als den Messias te erkennen, omdat Hij Johannes in de schaduw stelde: en het is hun ook tegen de borst hun eigen meester te geloven, als zij denken, dat hij tegen zich zelven spreekt en tegen hen. Ook Godvruchtige mensen zijn wel eens geneigd om bij hun oordeel te veel te luisteren naar hun eigenbelang, waardoor hun oordeel dan vervalst wordt. Nu wilde Johannes hun hun dwaling doen inzien, hij wenste hen even overtuigd te zien, als hij het zelf was. De sterken behoren medelijden te hebben met de zwakheden van hun broederen, en doen wat zij kunnen om hen te helpen, en als wij zelven hen niet kunnen helpen, dan moeten wij hen zenden tot hen, die het wèl kunnen. "Als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uwe broeders." Johannes heeft zich voortdurend bevlijtigd om zijne discipelen over te laten gaan tot Christus, als van ene lagere tot een hogere school. Wellicht voorzag hij zijn naderenden dood, en wilde hij daarom zijne discipelen beter bekend laten worden met Christus, onder wiens hoede hij hen moest achterlaten. Het is het werk en de plicht van Evangeliedienaren om iedereen heen te wijzen naar Christus. En zij, die de zekerheid willen kennen van de leer van Christus, moeten zich wenden tot Hem, die gekomen is om verstand te geven. Zij, die op willen wassen in genade, moeten weetgierig zijn.
II. Christus' antwoord op deze vraag, vers 4-6. Het was niet zo direct en uitdrukkelijk, als toen Hij zei: "Ik ben het, die met u spreek," maar het was toch een wezenlijk antwoord, een door feiten sprekend antwoord. Christus wil ons de overtuigende blijken der Evangelie waarheden zelven laten ontdekken, Hij wil, dat wij ons de moeite geven om de kennis als uit de diepte op te graven. Hij wijst hen op hetgeen zij hoorden en zagen' en dat zij aan Johannes moeten mededelen, opdat hij naar aanleiding daarvan hun vollediger onderricht kan geven, en hen, als het ware uit hun eigen mond zal kunnen overtuigen. Gaat heen, en zegt hem wat gij hoort en ziet. Wij mogen en moeten een beroep doen op onze zintuigen voor die dingen, die er door waargenomen kunnen worden. Daarom komt de Roomse leerstelling van de "lichamelijke tegenwoordigheid" niet overeen met de waarheid, gelijk zij is in Jezus, want Christus verwijst ons naar de dingen, die wij horen en zien. Gaat heen en "boodschapt Johannes." Wat gij ziet van de macht van Christus' wonderen. Gij ziet, hoe door het woord van Jezus de blinden ziende worden en de kreupelen wandelen, enz. Christus' wonderen zijn openlijk geschied, onder het oog van allen, want zij behoefden ook het nauwkeurigst onderzoek niet te schromen. De waarheid behoeft zich niet te verbergen. Die wonderen moeten beschouwd worden als daden van Goddelijke macht. Niemand anders dan de God der natuur kon aldus de natuur beheersen. Het wordt als een bijzonder kroonrecht genoemd van God om de ogen der blinden te openen Psalm 146:8. Wonderen zijn dus het grootzegel des hemels, en de leer, waarop dat grootzegel geplaatst wordt, moet uit God zijn, want nooit zal Zijne macht in strijd zijn met Zijne waarheid, noch kan men zich voorstellen, dat Hij Zijn zegel zal plaatsen op ene leugen. Hoe zeer men ook valse wonderen kan aanvoeren ten bewijze van ene valse leer, ware wonderen zijn het bewijs van ene Goddelijke zending. Zodanig waren de wonderen van Christus, en zij laten geen twijfel over dat Hij van God was gezonden, en dat Zijne leer de leer was desgenen, die Hem had gezonden. Zij moeten ook beschouwd worden als de vervulling van ene Goddelijke voorzegging. Het was voorzegd, dat onze God zou komen, en dat alsdan der blinden ogen geopend zouden worden, Jesaja 35:4-6. Indien nu de werken van Christus overeenkomen met de woorden van een profeet-en het is duidelijk, dat dit het geval is-dan is er ook geen twijfel aan, of deze is onze God, dien wij verwacht hebben, die komen zal "met de vergelding Gods": Hij is het, die met zo innig verlangen tegemoet werd gezien. Zegt hem "wat gij hoort" van de prediking Zijns Evangelies, waarvan Zijne wonderen vergezeld gaan. Het geloof, hoewel bevestigd wordende door zien, is echter "uit het gehoor." Zegt hem, dat de armen het Evangelie prediken (aldus wordt de tekst door sommigen gelezen). Het is een bewijs van Christus' Goddelijke zending, dat zij, die Hij gebruikte om Zijn koninkrijk te vestigen, arme mannen waren, ontbloot van alle wereldlijke voordelen, en dus nimmer hun doel hadden kunnen bereiken, indien zij niet door ene Goddelijke macht geholpen en ondersteund waren geworden. "Zegt hem, dat den armen het Evangelie wordt verkondigt." Christus gehoor bestaat uit dezulken, die door de schriftgeleerden en Farizeeën veracht worden, en die de rabbi's niet wilden onderwijzen, omdat zij niet bij machte waren hen er voor te betalen. De Oud-Testamentische profeten werden meestal tot koningen en vorsten gezonden, maar Christus predikte voor de armen en ellendigen. Het was voorzegd, dat de ellendigen onder de schapen op Hem zouden wachten, Zacheria 11:11. Christus' neerbuigende goedheid en medelijden voor de armen, zijn een blijk en bewijs, dat Hij het was, die de barmhartigheden onzes Gods zou brengen tot de wereld. Het was voorzegd, dat de Zone David's den Koning zou zijn der ellendigen, Psalm 72:2, 4, 12, 13. Hieronder hebben wij te verstaan niet zo zeer de armen van de wereld, als wel de armen van geest, en aldus is deze Schrift vervuld, Jesaja 61:1. Hij heeft mij gezalfd om ene blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen. Het is een bewijs van Christus' Goddelijke zending, dat Zijne leer waarlijk Evangelie is, ene blijde boodschap aan hen, die waarlijk verootmoedigd zijn in smart over hun zonde en waarlijk nederig in zelfverloochening, want voor de zodanige is het Evangelie zo recht geschikt, en God heeft altijd verklaard overvloed van genade te hebben. Dat de armen het Evangelie aannemen, en er door bewerkt worden. Zij worden geëvangeliseerd, zij ontvangen het Evangelie, en zij worden er van doortrokken, zij worden er door geformeerd tot ene Gode welbehaaglijke gestalte. De wondervolle kracht van het Evangelie is een bewijs van zijn Goddelijken oorsprong. De profeten klaagden over de armen, dat zij den weg des Heeren niet wisten. Jeremia 5:4. Zij konden geen goeds bij hen teweegbrengen, maar het Evangelie van Christus heeft zich een weg gebaand tot hun ongeoefend verstand. Hij spreekt hen zalig, die aan Hem niet zullen geërgerd worden, vers 6. Zo duidelijk zijn deze bewijzen van Christus' zending, dat zij, die niet moedwillig tegen Hem bevooroordeeld zijn en zich aan Hem ergeren, niet anders kunnen dan Zijne leer ontvangen, en aldus worden zij in Hem en door Hem zalig. Er zijn in Christus vele dingen, waaraan de onwetenden en onnadenkenden zich licht kunnen ergeren, omstandigheden om welke zij de substantie van Zijn Evangelie verwerpen. Het geringe in Zijne uiterlijke verschijning, Zijne opvoeding te Nazareth, het armoedige van Zijn leven, het verachtelijke voorkomen Zijner volgelingen, de minachting, die de groten Hem betoonden, het strenge en strikte Zijner leer, het indruisen van die leer tegen vlees en bloed, dat het belijden van Zijn naam ten gevolge heeft, door dit alles laten velen zich van Hem terughouden, die anders wel moesten zien, dat er veel van God in Hem is. Aldus is Hij gezet "tot een val van velen,', zelfs in Israël, Lukas 2:34, ene "Rots der ergernis," 1 Petrus 2:7. Zij zijn zalig die de ergernis te boven komen. Die uitdrukking geeft te kennen dat het moeilijk is deze vooroordelen te overwinnen, en dat het gevaarlijk is ze niet te overwinnen, maar wat hen betreft, die in weerwil van dezen tegenstand in Christus geloven, hun geloof zal er des te meer om bevonden worden te zijn tot "lof en eer en heerlijkheid."